Markus 12:1-12
Tevoren had Christus door gelijkenissen aangetoond, hoe Hij bedoelde de Evangeliekerk op te richten, nu begint Hij door gelijkenissen te kennen te geven, dat Hij de Joodse kerk opzij wilde zetten. Deze gelijkenis komt evenzo voor in Mattheus 21:33. Hier kunnen wij opmerken:
I. Dat zij, die de voorrechten genieten der zichtbare kerk, een wijngaard hebben, die hun verhuurd is en vatbaar is voor grote verbeteringen en waarvan met recht verwacht wordt, dat zij de huur, of pacht, zullen betalen. Toen God Jakob Zijne woorden bekendmaakte, Zijne inzettingen en Zijne rechten aan Israël, Psalm 147:19, toen Hij Zijn tempel onder hen oprichtte, Zijne priesters en Zijne inzettingen onder hen instelde, toen heeft Hij hun den wijngaard verhuurd, dien Hij had geplant en omtuind, en waarin Hij een toren had gebouwd, vers 1. Leden van de kerk zijn Gods huurders, en zij hebben een goeden Landheer en een voordelige pacht, waarvan zij, indien zij niet nalatig zijn in hun plichten, goed kunnen leven.
II. Hun, aan wie God Zijn wijngaard verhuurt, zendt Hij Zijne dienstknechten, om hen indachtig te maken aan hetgeen rechtvaardiglijk van hen wordt verwacht, vers 2. Hij was niet haastig in zijne eisen, en niet hoog, want hij zond niet om de huur, voordat de tijd daar was, dat zij hem konden opbrengen, en hij eiste de moeite niet van hen dat zij er geld voor zouden maken, hij was tevreden met de betaling in soort, met vruchten.
III. Het is treurig te denken aan de lage behandeling, die Gods dienstknechten in alle tijden hebben ondervonden van hen, die de voorrechten der kerk hebben genoten en geen vrucht hebben voortgebracht, die daaraan heeft beantwoord. De Oud Testamentische profeten werden vervolgd door hen zelfs, die den naam der Oud Testamentische kerk droegen. Zij sloegen hen en zonden hen ledig heen, vers 3. Dat was slecht, zij wondden hen, en zonden hen henen, schandelijk behandeld zijnde, vers 4, ja ten laatste kwamen zij tot zulk een hoogte van boosheid, dat zij hen doodden, vers 5.
IV. Het was niet te verwonderen, dat zij die de profeten mishandelden, ook Christus zelven hebben mishandeld. God heeft hun ten laatste Zijn Zoon, Zijn geliefden Zoon, gezonden. Het was dus zoveel te barmhartiger van Hem om Hem te zenden, zoals het vriendelijk was in Jakob om Jozef te zenden om zijne broederen te bezoeken, Genesis 37:14. En men kon verwachten dat Hij, dien hun Meester liefhad, ook door hen bemind en ontzien zou worden, vers 6. Zij zullen immers mijn zoon ontzien, en uit eerbied voor hem de pacht betalen. Maar in plaats van hem te ontzien, omdat hij de zoon en erfgenaam was, hebben zij hem juist daarom gehaat, vers 7. Omdat Christus, hen tot bekering en betering van leven roepende, Zijne eisen daartoe met meer gezag had uitgesproken dan de profeten, waren zij tegen Hem nog meer verwoed, en besloten zij Hem te doden, opdat zij alle kerkelijke macht en gezag voor zich zelven konden nemen, en al de eerbied en gehoorzaamheid des volks aan hen alleen bewezen zouden worden. De erfenis zal onze zijn, wij zullen opperheren wezen, het opperste gezag uitoefenen. Er is ene erfenis, die, indien zij behoorlijk den Zoon hadden ontzien, hun geweest zou zijn, een hemelse erfenis, maar die hebben zij versmaad, zij wilden, dat hun erfenis in den rijkdom, de pracht en macht dezer wereld zou bestaan. Zo namen zij Hem en doodden Hem. Zij hadden het nog niet gedaan, maar binnen kort zullen zij het doen, en zij wierpen Hem uit buiten den wijngaard, zij weigerden Zijn Evangelie aan te nemen nadat Hij was heengegaan, het paste niet in hun systeem, het schikte zich niet naar hun plan, en daarom hebben zij het met verachting en verfoeiing verworpen.
V. Op zo zondige en schaamteloze handelwijze kon niets dan een ontzettend oordeel volgen, vers 9, Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Het is gemakkelijk te zeggen wat Hij doen zal, want niets tergender en boosaardiger hadden zij kunnen doen.
1. Hij zal komen en de landlieden verderven, die hij had willen behouden. Toen zij hem nog slechts de vrucht weigerden, heeft hij geen gerechtelijk beslag laten leggen voor de pacht, noch hen uit het bezit gestoten wegens wanbetaling, maar toen zij zijne dienstknechten hebben gedood en zijn zoon, toen besloot hij hen te verderven, en dit geschiedde, toen Jeruzalem werd verwoest en de Joodse natie werd uitgeroeid uit het land.
2. Hij zal den wijngaard aan anderen geven. Indien hij van hen geen pacht ontvangt, zal hij haar van anderen ontvangen, want hij is niet geneigd haar altijd te verliezen. Dit werd vervuld door de inbrenging der heidenen en de overvloedige vrucht, die het Evangelie in de gehele wereld heeft voortgebracht. Colossenzen 1:6. Indien sommigen, van wie wij goede verwachtingen hadden, blijken slecht te zijn, dan volgt daar niet uit dat anderen niet beter zullen wezen. Christus heeft zich in Zijn verlossingswerk hiermede bemoedigd: Hoewel Israël niet verzameld wordt, niet verzameld wordt tot Hem, nochtans zal Hij verheerlijkt worden als een licht om de heidenen te verlichten. Jesaja 49:5, 6.
3. Hun tegenstand tegen Christus' verhoging zal die verhoging niet verhinderen, vers 10, 11. De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is, in weerwil hiervan, tot een hoofd des hoeks geworden, is bevorderd tot hoeksteen, en als zodanig is hij nuttig en van groten invloed. God wil Christus als Zijn Koning op Zijn heiligen berg Zion, in weerwil van het plan van hen, die Zijne banden willen verscheuren. En de ganse wereld zal zien en erkennen dat die van den Heere geschied is in gerechtigheid jegens de Joden en in ontferming over de heidenen. De verhoging van Christus was van den Heere geschied, van Hem geschiedt het ook, dat Hij verhoogd wordt in ons hart en dat Hij er Zijn troon in opricht, en indien dit geschied is, dan kan het niet anders dan wonderlijk zijn in onze ogen. Welke uitwerking heeft deze gelijkenis gehad op de overpriesters en schriftgeleerden, wier overtuiging van schuld er mede bedoeld was? Zij wisten dat Hij die gelijkenis op hen sprak, vers 12. Zij konden niet anders dan hun eigen gelaat in den spiegel er van zien, en men zou zo denken, dat zij dus ook hun eigen zonde in zo afschuwelijk licht zouden zien, en zien dat hun verderf zo zeker en zo groot was, dat zij er door verschrikt werden, en er toe gebracht zouden zijn om Christus en Zijn Evangelie aan te nemen, dat zij dus tot bekering en berouw zouden komen, zodat zij dan nu ook van hun boosaardig plan tegen Hem zouden afzien. Maar in plaats hiervan zochten zij Hem te vangen, Hem terstond tot hun gevangene te maken, en alzo te vervullen wat Hij zo-even gezegd had, dat zij tegen Hem doen zouden, vers 8. Niets weerhield hen hiervan dan hun ontzag voor het volk. Zij hebben geen eerbied gehad voor Christus, zij hadden gene vreze Gods voor hun ogen, maar zij waren bevreesd dat, zo zij openlijk de hand aan Christus sloegen, het gemeen in opstand zou komen tegen hen, om Hem te verlossen. Zij verlieten Hem en gingen weg, konden zij Hem geen kwaad doen, zij waren vast besloten, dat Hij hun geen goed zou doen, en daarom gingen zij weg, buiten het gehoor van Zijn machtige prediking, opdat zij niet bekeerd en genezen zouden worden. Indien de vooroordelen der mensen door het getuigenis der waarheid niet overwonnen worden, dan worden zij er door versterkt en bevestigd, en indien het bederf des harten door een getrouwe bestraffing niet ten onder wordt gebracht, dan zal het met nog meer heftigheid tot uitbarsting komen. Indien het Evangelie niet een reuk des levens is ten leven, dan zal het een reuk des doods zijn ten dode.