Leviticus 4:27-35
Hier is de wet op het zondoffer van een particulier persoon, die van dat van een overste alleen hierin verschilt, dat een particulier persoon een lam of een geit mocht brengen, en de overste een geitenbok, voor de overste moest het een mannetje, voor de particuliere persoon een wijfje zijn, maar in de behandeling er van kwamen zij volkomen overeen.
Merk op:
1. Het geval, dat ondersteld wordt: zo enig mens van het volk des lands door afdwaling zal gezondigd hebben, vers 27. De profeet onderstelt, dat zij waarschijnlijk niet zoals de grote, de voorname mannen, "den weg des Heeren weten en het recht huns Gods," Jeremia 5:4, en toch moeten zij, als zij zondigen door afdwaling, door onwetendheid, een zondoffer brengen. Zelfs zonden van de onwetendheid moeten verzoend worden door offerande. Als wij van zonde beschuldigd worden, zal het ons niet baten te zeggen, dat wij het in onwetendheid gedaan hebben, of overvallen waren door verzoeking, indien wij geen deel hebben in die grote pleitgrond: "Christus is gestorven," en recht hebben op het voordeel daarvan. Allen hebben wij het nodig om te bidden met David-en hij was een overste- om gereinigd te worden van de verborgen afdwalingen, de afdwalingen, die wijzelf niet verstaan, of waarvan wij ons niet bewust zijn, Psalm 19:13.
2. Dat de zonden door afdwaling, begaan door een enkel, gewoon, onaanzienlijk persoon een offer vereisten, want, gelijk de grootsten niet boven de bestraffing, zo zijn de geringsten niet beneden de kennisneming van de Goddelijke gerechtigheid. Niemand van het gewone volk werd-zo hij een overtreder was-voorbijgezien in de menigte.
3. Dat een zondoffer, zelfs voor iemand uit het gewone volk, niet alleen toegelaten, maar aangenomen werd, en dat er verzoening door werd teweeggebracht, vers 31, 35. Hier hebben rijken en armen, vorst en boer, elkaar ontmoet, beide zijn gelijkelijk welkom aan Christus en aan het deelhebben aan Zijn offerande, en op dezelfde voorwaarden. Zie Job 34:19.
Uit al deze wetten betreffende de zondoffers kunnen wij leren:
a. De zonde te haten en er tegen te waken. Het moet gewis wel iets zeer slechts zijn, waarvoor, om er verzoening voor te doen, zoveel nuttige en onschuldige schepselen gedood worden.
b. Christus te waarderen, het grote en ware zondoffer, wiens bloed reinigt van alle zonden, daar "het onmogelijk is, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden," Johannes 2:1, 2, niet voor de Joden alleen, maar ook voor de heidenen. En misschien was er een toespeling op deze wet betreffende de offers voor zonden van de onwetendheid in het gebed van Christus op het ogenblik toen Hij zich als een offer geofferd heeft: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen."