Leviticus 3:6-17
Er worden hier bevelen gegeven betreffende het dankoffer, als het een lam, of een geit is. Tortelduiven of jonge duiven, die tot gehele brandoffers gebracht mochten worden, werden niet toegelaten als dankoffers, omdat zij geen genoegzaam vet hebben, om op het altaar verbrand te worden, en zo goed als niets zouden zijn indien zij naar de wet van de dankoffers verdeeld moesten worden. De wetten betreffende een lam of een geit, die als dankoffers geofferd werden, waren tamelijk gelijk aan die betreffende een rund. Er is hier dus slechts op te merken:
1. Dat de staart van het lam met het vet van het ingewand op het altaar verbrand moest worden, de hele staart, vers 9, want in die landen was zij zeer vet en groot. Sommigen maken hierbij de opmerking dat, al is een ding nog zo gering of verachtelijk, God het eerbaar kan maken, door het tot Zijn dienst aan te wenden. Aldus is gezegd, dat God "overvloediger eer geeft aan hetgeen daaraan gebrek heeft," 1 Corinthiërs 12:23, 24.
2. Dat hetgeen op het altaar verbrand werd spijs van het vuuroffer genoemd wordt, vers 11, 16. Het was voedsel voor het heilige vuur het was voor God aangenaam, zoals ons voedsel ons aangenaam is, en daar God in de tabernakel, als het ware, huis onder hen hield, heeft Hij door de offeranden op het altaar een goede tafel gehouden, zoals Salomo in zijn hof, 1 Koningen 4:22 en verv.
3. Hier wordt als algemene regel gesteld dat alle vet voor de Heer zal zijn, vers 16, en een wet, die hierop gemaakt werd, dat zij geen vet noch bloed zullen eten, vers 17, neen ook niet in hun eigen woningen.
a. Wat betreft het vet, daarmee wordt niet bedoeld het vet, dat aan het vlees is, er als het ware toe behoort, dat mochten zij eten, Nehemia 8:11 maar het vet van het ingewand, het niervet, dat altijd Gods deel van de geofferde dieren was, en daarom moeten zij het niet eten, neen zelfs niet van de dieren, die zij voor hun gewoon gebruik slachtten. Aldus wilde God de eer bewaren van hetgeen Hem geheiligd was. Zij moeten niet slechts het voedsel niet eten dat voedsel voor het altaar was, maar ook niet iets, dat er aan gelijk was, opdat de tafel van de Heer (gelijk het altaar genoemd wordt) indien er niet iets bijzonders voor gehouden wordt, niet verachtelijk worde, en haar inkomen "haar spijs, verachtelijk zij," Maleachi 1:7, 12.
b. Ook het bloed was algemeen verboden, en wel om dezelfde reden als het vet, namelijk omdat het Gods deel was van het offer. De heidenen dronken het bloed van hun offers, vandaar dat wij van hun "drankoffers van bloed" lezen, Psalm 16:4. Maar God wilde niet toelaten dat het bloed, hetwelk verzoening teweegbracht, als iets gewoons gebruikt zou worden, Hebreeën 10:29 :en Hij wil ons niet veroorloven, hoewel wij de troost hebben dat de verzoening geschied is, ons enig aandeel toe te eigenen van de eer van haar teweeggebracht te hebben. Die roemt, roeme in de Heer, en laat tot Zijn lof al het bloed worden uitgestort.