Leviticus 25:8-22
I. Hier is de algemene instelling van het jubeljaar, vers 8 en verv.
1. Wanneer het gevierd moest worden, na zeven jaarweken, vers 8. Of het het negen erf veertigste of vijftigste was, daarover zijn de geleerden het onderling niet eens. Dat het het zevende sabbatsjaar was, dat is: het negen en veertigste (dat naar een algemeen gebruikelijke zegswijze het vijftigste genoemd wordt) schijnt mij het waarschijnlijkst, en is, geloof ik, duidelijk aangetoond door de geleerde tijdrekenkundige Calvisius, die alle tegenwerping voldoende weerlegd heeft, maar het is hier de plaats niet om dit nader te betogen. Zeven sabbaten van weken werden geteld van het pascha tot het pinksterfeest, (of de vijftigste dag, want dat betekent het woord pinksteren) en zo waren er zeven sabbaten van jaren van het ene jubeljaar tot het andere, en het zevende zeven wordt het vijftigste genoemd, en al die eer wordt gelegd op de zevende, omdat God op de zevende dag van het werk van de schepping heeft gerust.
2. Hoe het uitgeroepen moest worden: met geklank van de bazuin in het gehele land, vers 9, beide om er aan alle inwoners kennis van te geven, en om vreugde en blijdschap er over uit te drukken. Het woord "joveel", jobel heeft, naar men onderstelt, de betekenis van een bijzonder geschal van de bazuin, dat van alle andere geklank te onderscheiden is, want de bazuin, die een onzeker geluid geeft, is van weinig nut, 1 Corinthiërs 14:8. De bazuin werd geblazen aan het einde van de verzoendag, van dat ogenblik begon het jubeljaar, en dat wel zeer gepast: als zij hun zielen verootmoedigd hadden vanwege de zonde, dan werd hun deze stem van vreugde en blijdschap te horen gegeven, Psalm 51:10. Als zij vrede hadden met God, dan werd vrijheid uitgeroepen, want het wegnemen van de schuld is nodig om plaats te maken voor alle ware vertroosting, Romeinen 5:1, 2. In toespeling op deze plechtige uitroeping van het jubeljaar is van onze Heere Jezus voorzegd, dat Hij het jaar van het welbehagen des Heeren zal uitroepen, Jesaja 61:2. Hij heeft Zijn apostelen gezonden om het uit te roepen met het geklank van de bazuin van het eeuwig Evangelie, dat zij moesten prediken aan alle creaturen. En nog is voorzegd dat op de laatste dag de bazuin zal weerklinken, die de doden bevrijden zal uit de gevangenis van het graf, en ons in onze bezitting zal herstellen.
3. Wat in dat buitengewone jaar gedaan moest worden. Behalve de algemene rust van het land, die op ieder sabbatsjaar gehouden werd, vers 11, 12, en de vrijlating van persoonlijke schulden, Deuteronomium 15:2, 3, was er nog de wettelijke herstelling van ieder Israëliet in al zijn bezittingen, en in al de vrijheid, die van hem sedert het laatste jubeljaar vervreemd was, zodat nooit aan enig volk bezitting en vrijheid (die de roem en glorie zijn van een volk) zo verzekerd waren als aan Israël. Er was afdoend voor gezorgd dat dezen, zolang zij dicht bij God bleven, hun niet alleen niet door het geweld van anderen zouden ontnomen worden, maar ook niet door hun eigen dwaasheid konden weggeworpen worpen.
A. Het bezitsrecht, dat ieder had in zijn deel van het land Kanaän, kon niet langer van hem vervreemd blijven dan tot aan het jubeljaar, en dan moest hij (of zij) er in hersteld worden en er een even onbetwist recht op hebben en een even ongestoord bezit als ooit tevoren, vers 10, 13. Gij zult wederkeren een ieder tot zijn bezitting, zodat, indien iemand zijn bezitting of een deel er van had verkocht of verpand, zij tot hem of zijn erfgenamen vrij van alle onkosten en lasten zou wederkeren. Dit nu was geen onrecht aan de koper, omdat het jubeljaar vastgesteld was, en iedereen wist wanneer het komen zou, en dus dienovereenkomstig zijn koop sloot. Wanneer volgens onze wet landerijen geschonken worden aan een persoon en zijn erfgenamen, op voorwaarde, dat hij ze nooit zal verkopen of vervreemden, dan is de schenking goed, maar de voorwaarde nul en van geen waarde, ja in strijd met iemands gevoel, zeggen de rechtsgeleerden: iniquum est ingenuis hominibus non este liberam rerum suarum alienationem-het is onrechtvaardig om vrije mannen te beletten hun eigen bezittingen te vervreemden, en toch is men het er over eens, dat, zo de koning iemand een land geeft als leen op voorwaarde, dat hij het niet zal vervreemden, de voorwaarde goed is. Nu heeft God aan Israël willen tonen dat het Zijn land was, en dat zij Zijn leenmannen waren, en daarom maakt Hij de bepaling, dat zij nooit het recht hebben om te verkopen, maar alleen om het te verhuren voor een zeker aantal jaren, maar niet langer dan tot aan het naaste jubeljaar. Door dit middel werd er in voorzien:
a. Dat hun geslachtsregisters zorgvuldig in orde werden gehouden, hetgeen nuttig zal wezen om het geslachtsregister van onze Heiland onomstotelijk vast te stellen.
b. Dat het verschil van de stammen in wezen bleef, want hoewel iemand landerijen kon kopen in een andere stam, kon hij ze niet langer dan tot aan het jubeljaar behouden, wanneer zij dan weer aan de vorige eigenaar vervielen.
c. Dat niemand buitensporig rijk kon worden door huis aan huis te trekken, akker aan akker te brengen, Jesaja 5:8, maar dat zij zich veeleer moesten toeleggen op het nuttig gebruiken van hetgeen zij hadden, dan op de vermeerdering van hun bezittingen. De wijsheid van de Romeinse staat heeft er soms in voorzien, dat niemand meer dan vijfhonderd akkers mocht bezitten.
d. Dat geen geslacht ten ondergang zou gebracht worden, of veroordeeld tot altijddurende armoede. Deze bijzondere zorg heeft God gedragen om de eer op te houden van dat volk, en dat goede land te bewaren, niet slechts voor de natie in het algemeen, maar van ieders deel voor zich en zijn geslacht in het bijzonder tot een eeuwige erfenis, opdat het des te meer een type zou zijn van het goede deel, dat niet weggenomen zal worden van hen, die het hebben.
B. De vrijheid, waartoe ieder geboren is, moest ook, indien zij verkocht of verbeurd was in het jubeljaar teruggegeven worden, vers 13. Gij zult wederkeren een ieder tot zijn geslacht vers 10. Zij, die aan andere geslachten verkocht waren, werden hierdoor vreemdelingen voor hun eigen geslacht, maar in dit jaar van de verlossing moesten zij tot hun geslacht weerkeren. Dit was een type van onze verlossing door Christus van de slavernij van de zonde en van Satan en onze weerherstelling in de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods. Men heeft uitgerekend dat het eigen jaar, waarin Christus gestorven is, een jubeljaar was, het laatste dat ooit gehouden werd. Maar, hoe dit zij, hiervan zijn wij zeker, dat het de Zoon is, die ons vrijmaakt, en dan zijn wij waarlijk vrij.
II. Een wet bij deze gelegenheid tegenverdrukking bij koop en verkoop van het land. Bij koop noch verkoop moet bedrog of misleiding plaatshebben, vers 14-17. In één woord: de koper moet niet minder geven, en de verkoper niet meer nemen, dan de juiste waarde van de zaak, met het oog op het weerkeren er van tot de eigenaar in het jubeljaar. Er moest vastgesteld worden wat de zuivere jaarlijkse waardij was van het land, en dan hoevele jaren er nog tot aan het naaste jubeljaar moesten verlopen. Doch zij moesten alleen de jaren van de inkomsten berekenen, vers 15, en dus de sabbatsjaren er van aftrekken. Het is gemakkelijk na te gaan, dat hoe naderbij het jubeljaar was, hoe minder de waarde was van het land, naar de weinigheid van de jaren zult gij zijn koop verminderen. Maar wij vinden het niet zo gemakkelijk practisch hieruit af te leiden, dat hoe dichter de wereld tot haar einde nadert, hoe minder waarde wij moeten hechten aan de dingen, die er in zijn, omdat de tijd kort is, en de gedaante van deze wereld voorbijgaat, laat hen, die kopen zijn als niet bezittende. Men zou toch weinig waarde hechten aan een huis, dat op het punt staat van in te vallen.
Alle koop en verkoop moet geschieden naar deze regel: gij zult elkaar niet verdekken, geen voordeel trekken uit iemands onwetendheid of nooddruft, maar voor God vrezen. De vreze Gods heersende in het hart zou er ons van terughouden, om in woord of daad onze naaste onrecht te doen, want al is de mens het niet, God is toch de wreker over hen, die hun broeder vertreden of bedriegen, 1 Thessalonicenzen 4:6. Misschien verwijst Nehemia naar deze wet, Hoofdstuk 5:15, als hij ons zegt dat hij hen niet verdrukt heeft, over wie hij macht had, om van de vreze Gods wil.
III. Er wordt hun de verzekering gegeven dat zij door deze jaren van rust waar te nemen, niets zullen verliezen, maar wel winst er door zullen hebben. God belooft hun:
1. Dat zij veilig zullen zijn: gij zult zeker wonen in het land, vers 18. En wederom in vers 19, het woord betekent zowel uitwendige veiligheid als innerlijke rust en vertrouwen van de ziel, dat zij beveiligd zullen zijn tegen kwaad en tegen de vrees voor kwaad.
2. Dat zij rijk zullen zijn, gij zult eten tot verzadiging toe. Als wij zorgzaam zijn om onze plicht te doen, dan kunnen wij ons gerust op God verlaten voor ons welzijn.
3. Dat zij geen gebrek zullen hebben aan het brood huns bescheiden deels in het jaar, waarin zij zaaiden noch oogstten, vers 21. Ik zal Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen.
a. Het was een blijvend wonder dat terwijl op andere tijden een jaar slechts vruchten voortbracht om voor het volgende jaar te dienen, de opbrengst van het zesde jaar voldoende was om te duren tot aan het negende jaar. Door de zegen Gods over hetgeen wij hebben, zal men met een weinig veel kunnen doen, zodat zelfs nooddruftigen met brood verzadigd worden, Psalm 132:15. Het was:
b. Een blijvende gedachtenis aan het manna dat op de zesde dag in dubbele hoeveelheid gegeven werd voor de zevende. En,
c. Het was bestemd tot bemoediging van al Gods volk in alle eeuwen, om in de weg van de plicht op Hem te bebouwen, en hun zorg op Hem te werpen. Wij verliezen niets door geloof en zelfverloochening in onze gehoorzaamheid.