Leviticus 23:23-32
1. Hier is de inzetting van het feest van de bazuinen op de eerste dag van de zevende maand, vers 24, 25. Wat nu de zevende maand was, was tevoren gerekend als de eerste maand, en het jubeljaar moest nog met deze maand beginnen, Hoofdstuk 25:8, zodat dit hun nieuwjaarsdag was. Evenals hun andere jaarlijkse sabbaten moest hun dit een dag van heilige rust zijn, geen dienstwerk zult gij doen, en een dag van heilig werk: gij zult de Heere vuuroffer offeren, waaromtrent later bijzondere aanwijzingen gegeven waren, Numeri 29:1. Wat hier tot een bijzonder kenmerk van dit feest aangeduid wordt, is dat het een gedachtenis des geklanks is. Zij bliezen op de bazuin bij iedere nieuwe maan, Psalm 81:4, maar bij de nieuwe maan van de zevende maand moest dit met meer dan gewone plechtigheid gedaan worden, want zij begonnen de bazuin te blazen bij zonsopgang, en gingen er mee voort tot aan zonsondergang. Dit nu wordt hier gezegd een gedachtenis te zijn, misschien van het geklank van de bazuin op de berg Sinaï, toen de wet werd gegeven, en dat nooit vergeten moet worden. Sommigen denken dat het een gedachtenis was aan de schepping van de wereld, die verondersteld wordt in de herfst te zijn geschied, om welke reden dit totnutoe de eerste maand is geweest. Het machtige woord, door hetwelk God de wereld gemaakt heeft, wordt "de stem Zijns donders" genoemd, Psalm 104:7 gevoegelijk werd dit dus herdacht met het biazen van de bazuinen, of een gedachtenis des gejuichs, zoals de Chaldeeuwse overzetting het heeft, want toen de grondvesten van de aarde nedergezonken waren, hebben al de kinderen Gods gejuicht, Job 39:67. De Joodse schrijvers veronderstellen, dat het een geestelijke betekenis had. Thans, bij het begin van het jaar, werden zij door dit geklank van de bazuinen opgeroepen en opgewekt om hun geestelijke slaperigheid af te schudden, hun weg, hun leven na te gaan en het te verbeteren. De verzoendag was op de negende dag daarna, en zo werden zij opgewekt om zich voor die dag te bereiden door oprecht en ernstig berouw, opdat het in werkelijkheid een verzoendag voor hen zijn zou. En zij zeggen: "De Godvruchtige Joden oefenden zich meer in goede werken tussen het feest van de bazuinen en de verzoendag dan op enige andere tijd van het jaar." Het was een type van de prediking van het Evangelie, door welker blij geklank zielen geroepen werden om God te dienen, en Hem een geestelijk feest te houden. De bekering van de volken tot het geloof van Christus wordt gezegd door het blazen te zijn van een grote bazuin, Jesaja 27:13.
2. Een herhaling van de wet op de verzoendag, dat is: voorzover dit het volk betrof.
a. Zij moeten op die dag rusten van alle werk, en niet slechts van dienstwerk, zoals op andere feesten, het moet een even strikt en streng rusten wezen als op de wekelijkse sabbat, vers 28, 30, 31. De reden is: want het is de verzoendag. Het verootmoedigen van onze zielen vanwege de zonde en ons streven om met God verzoend te worden is een werk, dat de gehele mens eist, en waarop men zich met hart en ziel moet toeleggen. Hij, die het werk van de verzoendag op dezelfde dag wil doen, en zoals het gedaan moet worden, moet de gedachte aan alle andere dingen ter zijde stellen. Op die dag sprak God tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede, en daarom moesten zij al hun wereldlijke bezigheden ter zijde leggen, ten einde duidelijker en met des te meer eerbied deze stem van blijdschap en verheuging te kunnen horen. Vastendagen moeten dagen van rust zijn.
b. Zij moesten hun zielen verootmoedigen, en dat wel op straf van anders door de hand Gods uitgeroeid te worden, vers 27, 29. 32. Zij moesten ten teken van hun berouw over de zonden, die zij hadden bedreven, het vlees met zijn lusten en begeerlijkheden en hun inwonend bederf doden. Iedere ziel moest verootmoedigd zijn, omdat iedere ziel verontreinigd was en schuldig voor God, daar niemand de wetten van de staat van de onschuld vervuld heeft, is niemand vrijgesteld van de wet van boete en berouw. Daarbij moet een ieder zuchten en uitroepen over al de gruwelen van het land.
c. Deze dag moet gevierd worden van de avond tot de avond, vers 32, gij zult uw zielen verootmoedigen, dat is: "Gij zult uw vasten beginnen en de uitdrukkingen van uw verootmoediging op de negende van de maand, in de avond." Zij moeten enige tijd vóór zonsondergang alle wereldlijken arbeid staken, en zich zetten tot het werk van de naderende dag, en generlei voedsel tot zich nemen (behalve kinderen en zieken) tot aan zonsondergang van de tiende dag. De avonden vóór plechtige dagen behoren doorgebracht te worden in plechtige voorbereiding. Als er werk gedaan moet worden voor God en onze zielen, dan moeten wij ons niet bekrimpen voor de tijd om het er in te doen, immers, hoe zouden wij onze tijd beter kunnen besteden? Van deze sabbat moet de regel aldus verstaan worden: van de avond tot de avond zult gij uw sabbat rusten.