Leviticus 17:10-16
Wij hebben hier een herhaling en bevestiging van de wet tegen het eten van bloed. Wij hebben deze wet reeds tweemaal in de Levietische wet gevonden, Hoofdstuk 3:19, 7:26, behalve nog de plaats, die er aan gegeven is in de wetten aan Noach, Genesis 9:4. Maar hier is:
1. Het verbod herhaald, telkens en nogmaals en wordt verwezen naar de vorige desbetreffende wetten: Ik heb de kinderen Israëls gezegd: Niemand van u zal bloed eten, vers 12, en opnieuw in vers 14 :Gij zult geen vlees met bloed erin eten. Er wordt hier grote nadruk op gelegd, als op een wet, waaraan meer gelegen is dan men op de eerste aanblik zou denken.
2. Zij is verbindend gemaakt, niet alleen voor het huis van Israël, maar ook voor de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, vers 10, hetgeen misschien een reden was, waarom het raadzaam werd geacht om, voor een tijd, aan de bekeerlingen uit de heidenen het eten van bloed te verbieden, Handelingen 15:29.
3. De strafbedreiging, toegevoegd aan deze wet is zeer streng, vers 10. Ik zal Mijn aangezicht zetten tegen de ziel van hem, die bloed zal gegeten hebben, indien hij het deed met opgeheven hand, en zal die uit het midden van het volk uitroeien, en opnieuw, vers 14, hij zal uitgeroeid worden. Gods toorn zal het verderf zijn van de zondaar. Beschouw die mens als verloren, voor eeuwig verloren, tegen wie God Zijn aangezicht stelt, want welk schepsel zal tegenover de Schepper kunnen bestaan?
4. Een reden, die voor deze wet is gegeven vers 11, want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen, en het werd daarom bestemd om er verzoening mee te doen, terwijl het de ziel is van alle vlees. De zondaar verdiende te sterven, daarom moet het offer sterven. Daar nu het bloed aldus het leven is, dat de dieren gewoonlijk voor menselijk gebruik gedood werden door er al het bloed aan te laten ontvloeien, heeft God bepaald dat het uitstorten of sprengen van het bloed van het offer op het altaar moest geschieden, om aan te duiden dat het leven van het offer aan God werd gegeven in de plaats van het leven van de zondaar, en als rantsoen er voor, daarom "geschiedt er zonder bloedstorting geen vergeving," Hebreeën 9:22. Om die reden moesten zij geen bloed eten, en:
1. Het was een zeer goede reden, want God wilde hierdoor de eer bewaren van die wijze van verzoening, welke Hij had ingesteld, en eerbied er voor in het hart van het volk. Het bloed van het verbond, toen een door de zinnen waarneembaar voorwerp zijnde, moest geen bloed gegeten worden, of als iets gewoons onder de voeten worden vertreden, zoals zij ook geen zalf of reukwerk meesten hebben gelijk aan die, welke God voor zich had verordineerd. Maar:
2. Deze reden is thans opgeheven, hetgeen te kennen geeft dat de wet zelf ceremoniëel was, en nu niet meer van kracht is. Het bloed van Christus, die gekomen is, en wij hebben geen andere te verwachten, alleen doet verzoening voor de ziel, en daarvan was het bloed van de offeranden een onvolkomen type. De komst van het wezen doet de schaduw weggaan. Het bloed van de dieren is niet langer het rantsoen, alleen het bloed van Christus is dit, en daarom bestaat nu de reden niet meer waarom geen bloed gegeten moet worden, die er toen was en wij kunnen niet veronderstellen dat het Gods wil was, dat de wet de reden ervoor zou overleven. Het bloed, mits zo bereid, dat het niet ongezond is, is thans veroorloofd tot voeding van ons lichaam, omdat het niet langer verordineerd is om verzoening te doen voor de ziel. 3. Maar toch heeft het ook nu nog een nuttige betekenis: het leven is in het bloed het is het voertuig van de levensgeesten, en God wilde dat Zijn volk tere zorg zou hebben over het leven van hun dieren, dat zij niet hard of wreed jegens hen zouden zijn geen vermaak zouden scheppen in iets, dat barbaars is. Zij moeten geen bloeddorstig volk wezen. Toenmaals heeft het bloed verzoening gedaan in overdrachtelijken zin, thans wordt door Christus' bloed, in wezenlijke, krachtdadige, afdoende zin, verzoening teweeggebracht, daarop hebben wij dus te zien met diepe eerbied, en het dus niet als iets gewoons te beschouwen, want tegen hen, die dat doen, zal Hij Zijn aangezicht stellen, en zij zullen uit het midden van hun volk uitgeroeid worden, Hebreeën 10:29.
Er worden hier nog andere voorschriften gegeven als aanhangsels tot deze wet, en omheiningen er van.
a. Zij moeten het bloed bedekken van de dieren, die zij op de jacht gevangen hebben, vers 13. Zij moeten het niet alleen niet eten, maar het op betamelijke wijze begraven, ten teken van een verborgenheid, die zij moeten geloven in deze wet te zijn gelegen. De Joden beschouwen dit als een zeer gewichtig voorschrift, en bepalen dat zij het bloed moeten bedekken onder het uitspreken van deze woorden: Geloofd zij Hij, die ons door zijn geboden heeft geheiligd en ons bevolen heeft bloed te bedekken.
b. Zij moeten geen dieren eten, die hun eigen dood zijn gestorven, of verscheurd werden, vers 15, omdat het bloed er, òf in het geheel niet, òf niet op regelmatige wijze aan ontvloeid was. God wilde dat zij kieskeurig zouden zijn op hun diëet, niet met de kieskeurigheid die slechts de vleselijke lust streelt, maar die deze weerstaat en beteugelt. God wilde Zijn kinderen niet toestaan om maar alles met gretigheid te eten wat op hun weg kwam, maar aandachtig en zorgvuldig te bezien wat hun voorkwam, opdat zij ook in andere dingen zouden leren om des gewetens wil een onderzoek in te stellen. Zij, die zich maakten aan de buit, hebben gezondigd, 1 Samuël 14:32, 33. Indien iemand onwetend of uit onbedachtzaamheid het vlees at van een dier, dat niet naar behoren geslacht was, dan moest hij zichzelf en zijn klederen wassen, want anders droeg hij zijn ongerechtigheid, vers 15, 16. De verontreiniging was ceremoniëel, en dit was ook de reiniging er van, maar zo iemand de voorgeschreven methode van reiniging veronachtzaamde, of er zich niet aan wilde onderwerpen dan heeft hij daardoor schuld op zich geladen. Zie de aard van een verhelpende wet, die er aan gehoorzaamt, heeft er het voordeel van die er niet aan gehoorzaamt, blijft niet slechts onder zijn reeds aangegane schuld, maar vermeerdert die nog met de schuld van de voorziening te minachten, die God door zijn genade gemaakt heeft tot zijn verlichting, zodat hij tegen het geneesmiddel zondigt.