Leviticus 14:33-53
Dit is de wet over melaatsheid in een huis. Nu zij in de woestijn waren woonden zij in tenten, en hadden geen huizen, daarom is deze wet slechts tot een aanhangsel gemaakt van de voorafgaande wetten betreffende melaatsheid, omdat zij geen betrekking had op hun tegenwoordige toestand, maar op hun toekomstige vestiging.
De melaatsheid in een huis is even onverklaarbaar als melaatsheid in een kleed, maar zo wij er geen natuurlijke oorzaken voor kunnen vinden, dan kunnen wij het toeschrijven aan de macht van de God van de natuur die hier zegt: Ik geef de plaag van de melaatsheid aan een huis, vers 34, gelijk Zijn vloek gezegd wordt "te komen in een huis om het met zijn hout en stenen te verteren," Zacheria 5:4.
1. Nu wordt verondersteld, dat zelfs in Kanaän het land van de belofte, hun huizen met melaatsheid besmet kunnen zijn. Hoewel het een heilig land was, werd het daardoor toch niet tegen deze plaag beveiligd, als velen van de inwoners er van onheilig waren. Zo zullen een naam en een plaats in de zichtbare kerk geen goddeloze tegen Gods oordelen beveiligen.
2. Er wordt tevens verondersteld, dat de eigenaar van het huis, zodra hij melaatsheid in zijn huis vermoedt, er de priester kennis van zal geven, vers 35. Het schijnt mij alsof er een plaag in huis is. Zonde, waar zij heerst in een huis, is er een plaag, zoals zij een plaag is in het hart. En het hoofd van het gezin moet het eerste blijk van grove zonde in zijn gezin bemerken en er bevreesd voor zijn, en de ongerechtigheid, waar zij ook in moge bestaan, verre van zijn tenten wegdoen, Job 22:23. Hij moet met Godvruchtige ijver waken over hen, die aan zijn hoede zijn toevertrouwd, opdat zij niet in zonde vallen, en reeds vroegtijdig raad inwinnen, al is het ook dat het hem slechts toeschijnt, dat er een plaag in zijn huis is, opdat de besmetting niet verder ga en er velen door verontreinigd en verwoest worden.
3. Als de priester na gedaan onderzoek bevindt, dat er melaatsheid in een huis is, dan moet hij trachten het te genezen, door dat deel er van te doen wegnemen, hetwelk er door aangestoken is, vers 40, 41. Dit was gelijk aan het afsnijden van een lid van het lichaam, waarin koud vuur gekomen is, teneinde het lichaam zelf te behouden. Bederf moet intijds uitgezuiverd worden, eer het zich verspreidt, want een weinig zuurdesem maakt het gehele deeg zuur. Indien uw rechterhand u ergert, houw haar af.
4. Indien zij echter blijft in het huis, dan moet het geheel en al afgebroken worden, en al de materialen er van naar de mesthoop worden gebracht, vers 44, 45. Het is voor de eigenaar beter zonder woning te zijn, dan er een te hebben, die besmet is. Als de melaatsheid van de zonde hardnekkig blijft onder de methode van genezing, dan zal hij het verderf zijn van huisgezinnen en kerken. Als Babylon niet genezen wil worden, dan zal zij worden verzaakt en verlaten, en (naar de wet betreffende een melaats huis) zullen zij dan uit haar "geen steen nemen tot een hoek, en ook geen steen tot fundamenten," Jeremia 51:9, 26. De overblijfselen van zonde en bederf in ons sterflijk lichaam zijn gelijk aan deze melaatsheid in het huis, met al onze moeite van afschrabben en pleisteren, zullen wij haar toch nooit geheel kwijtraken voordat het aardse huis van onze tabernakel ontbonden is en weggenomen, als wij dood zijn zullen wij vrij wezen van zonde, en niet eerder, Romeinen 6:7.
5. Indien het wegbreken van de aangetaste stenen het huis genas, en de melaatsheid zich niet verder verspreidde, dan moest het huis gereinigd worden, niet slechts gelucht, om het gezond te maken, maar gereinigd van zijn ceremoniële onreinheid, teneinde geschikt te zijn voor de woning van een Israëliet. De ceremonie van die reiniging was tamelijk gelijk aan die van de reiniging van een melaats persoon, vers 49 en verv. Dit gaf te kennen dat het huis getroffen was om wille van de mens, (zoals bisschop Patrick het uitdrukt) en dat hij op zichzelf moest zien als bewaard door de Goddelijke genade. Van de huizen van de Israëlieten wordt gezegd, dat zij ingewijd waren, Deuteronomium 20:5, want zij waren een heilig volk, en daarom moesten zij hun huizen rein houden van alle ceremoniële besmetting, opdat zij geschikt zouden zijn voor de dienst van God, aan wie zij gewijd waren. En dezelfde zorg moeten wij hebben om alles wat verkeerd is in onze gezinnen weg te doen, opdat wij en onze huizen de Heere dienen. Zie Genesis 35:2.
Sommigen hebben gedacht dat de melaatsheid in het huis een beeld was van de afgoderij van de Joodse kerk, die haar op vreemde wijze bleef aankleven, want hoewel sommigen van de hervormende koningen de besmette stenen wegnamen, brak zij toch weer uit, totdat door de Babylonische gevangenschap God het huis afbrak en het naar een onrein land bracht, en dat bleek een afdoende genezing te zijn van hun neiging tot afgoden en afgodische aanbidding.