Leviticus 11:1-8
Nu Aaron tot hogepriester was gewijd over het huis Gods, heeft God met hem evenals met Mozes gesproken, en hen beide aangesteld als Zijn gemachtigden, om Zijn wil aan het volk bekend te maken. Hij sprak beide tot Mozes en tot Aaron over deze zaak, want het was inzonderheid van de priesters geëist om onderscheid te maken tussen hetgeen rein was en hetgeen onrein was, en dit aan het volk te leren. Na de zondvloed heeft God een verbond aangegaan met Noach en zijn zonen, Hij veroorloofde hun vlees te eten, Genesis 9:3, maar tevoren was de mens voor zijn voedsel beperkt tot de voortbrengselen van de aarde. Maar de vrijheid, aan de zonen van Noach vergund is hier voor de zonen van Israël beperkt. Zij mochten vlees eten, maar niet alle soorten van vlees, sommige soorten moesten zij beschouwen als onrein, die waren hun verboden, andere als rein en die waren veroorloofd. De wet voor deze aangelegenheid is zeer nauwkeurig en zeer streng. Maar welke reden kan er gegeven worden voor deze wet? Waarom mag Gods volk niet even vrijelijk van alle schepselen gebruik maken als andere volken?
1. Het is voldoende als reden, dat God het zo wilde, daar Zijn wil ons tot wet moet zijn, behoeven wij niet naar andere reden te zoeken, want Zijn wil is Zijn wijsheid. Hij heeft het goed gedacht aldus de gehoorzaamheid van Zijn volk te beproeven en te oefenen, niet slechts in de plechtigheden van Zijn altaar, maar in de dagelijks voorkomende zaken aan hun eigen tafel opdat zij ook daar zouden gedenken dat zij onder Zijn gezag en toezicht zijn. Zo had God de gehoorzaamheid op de proef gesteld van de mens in zijn staat van de onschuld, door hem te verbieden van een zekere boom te eten.
2. De meeste van de spijzen, die als onrein verboden waren, zijn van zodanige aard, dat zij werkelijk ongezond zijn, en niet geschikt om te worden gegeten, en diegene er van, die wij gezond genoeg achten, en daarom ook eten, zoals het konijn, de haas en het zwijn, zouden in die landen en voor hun lichaamsgestel wellicht schadelijk zijn. En in die wet heeft God slechts met hen gehandeld zoals een liefhebbende vader met zijn kinderen handelt, die hij weerhoudt om te eten waarvan hij weet dat het schadelijk voor hen is, dat hen ziek zal maken. De Heere is voor het lichaam, en het is niet slechts dwaasheid, maar zonde tegen God, om terwille van onze smaak, of van onze lust, onze gezondheid te benadelen.
3. God wilde Zijn volk hiermee leren om zich te onderscheiden van andere volken, niet slechts in hun Godsverering, maar ook in het gewone dagelijkse leven. Aldus wilde Hij hun tonen dat zij niet onder de andere volken geteld of gerekend moeten worden. Het schijnt, dat ook tevoren enig verschil bestond tussen de Hebreeën en andere natiën ten opzichte van hun voedsel, en bij overlevering door hen in acht werd genomen, want de Egyptenaren mochten met hen niet eten, Genesis 43:32. En zelfs vóór de zondvloed was er verschil gemaakt voor de dieren in reine en onreine, Genesis 7:2, welk verschil evenals van vele andere punten van Godsdienst, onder de heidenen geheel verloren ging. Maar deze wet heeft dit verschil stellig gemaakt, en het werd de Joden geboden het in acht te nemen, opdat zij aldus door een dieet, dat hun voorgeschreven was, weerhouden zouden worden van gemeenzame omgang met hun afgodische naburen, en een beeld zouden zijn van Gods geestelijk Israël, die, niet in deze kleine bijzonderheden maar in de geest huns gemoeds en in geheel hun leven zich door soberheid onderscheiden en door ongelijkvormigheid aan de wereld. De geleerden merken ook nog op, dat de meeste dieren, die door deze wet onrein en tot een verfoeisel werden verklaard, in hoge achting stonden bij de heidenen, niet zozeer als voedsel, als wel omdat ze er gebruik van maakten voor waarzeggerij en om aan hun goden te offeren, en daarom worden deze genoemd als onrein en een verfoeisel, die zij toch niet in verzoeking zouden zijn om ze te eten, opdat hun in Godsdienstige zin een gruwel zou zijn hetgeen waarvoor de heidenen een bijgelovige verering hebben. Bij de latere heidenen was het zwijn aan Venus, de uil aan Minerva, de arend aan Jupiter, de hond aan Hecate gewijd, enz, en die allen worden hier onrein verklaard.
Wat nu de dieren betreft: er wordt een algemene regel gegeven dat de dieren, welke de klauwen verdelen en herkauwen, rein zijn, en deze alleen. Zij worden in het bijzonder genoemd in de herhaling van deze wet, Deuteronomium 14:4, 5, waaruit blijkt dat hun genoeg verscheidenheid was toegestaan, en zij niet behoefden te klagen over de beperking, die hun was opgelegd. Die dieren, welke niet beide herkauwen en de klauw verdelen, waren onrein, naar welke regel het vlees van zwijnen, hazen en konijnen hun verboden was, hoewel het gewoonlijk onder ons gebruikt wordt.
Daarom behoren wij inzonderheid bij het eten van het vlees van een dezer dieren, dank te zeggen voor de vrijheid, die ons toegestaan is door het Evangelie ten opzichte van deze zaken daar het Evangelie ons leert, dat alle schepsel Gods goed is, en dat wij niets gemeen of onrein moeten noemen. In de regel, welke gegeven is om ze te onderscheiden, merken sommigen een betekenis op, of dat er, naar zij denken, tenminste op gezinspeeld wordt. Overdenking en andere handelingen van de Godsvrucht kunnen aangeduid zijn door het herkauwen, ons geestelijk voedsel aldus verterende, rechtvaardigheid en barmhartigheid tegenover de mensen kunnen aangeduid zijn door het verdelen van de klauw. Nu zal een van deze eigenschappen, zonder de andere, ons Gode niet kunnen aanbevelen, beide moeten samengaan, goede neigingen in het hart en goede werken in het leven, zo een van die beide ontbreekt, dan zijn wij niet rein. Van alle schepselen, die hier als onrein verboden zijn, is er geen meer gevreesd en verafschuwd door de vrome Joden dan zwijnevlees. Antiochus heeft er velen ter dood gebracht, omdat zij het niet wilden eten. Waarschijnlijk waren zij het meest in gevaar van verzoeking om dit te nuttigen, en daarom hebben zij er zichzelf en hun kinderen een diepe afkeer van doen opvatten, zij gaven er zelfs niet de eigen naam aan, maar noemden het een vreemd ding. De heidenen schenen het op bijgelovige wijze te gebruiken, Jesaja 65:4 zij eten zwijnevlees, en daarom verbiedt God alle gebruik er van aan Zijn volk, opdat zij van hun naburen niet zouden leren om er dit slechte gebruik van te maken. Sommigen opperen het denkbeeld, dat het verbod van deze dieren als onrein bedoeld was als een waarschuwing aan het volk tegen de slechte hoedanigheden van deze schepselen. Wij moeten niet vuil wezen of ons, als zwijnen, in het slijk rondwentelen, niet schuw en laf zijn zoals hazen, noch in de aarde wroeten als konijnen, laat niet de mens, die in ere is, zich gelijk maken aan deze beesten, die vergaan. De wet verbood niet slechts om er van te eten, maar zelfs om ze aan te raken, want wie zich voor zonde wil bewaren, moet zeer zorgvuldig de verzoeking er toe mijden, en alles wat er naar heenziet, of er toe leidt.