1 Corinthiërs 11:17-22
In dit gedeelte bestraft de apostel hen over veel ernstiger wanordelijkheden dan de vorige, en wel in hun wijze om het avondmaal des Heeren te houden, waaraan, naar de ouden ons mededelen, in de eerste tijden gewoonlijk een liefdemaaltijd voorafging, die aanleiding gaf tot de schandelijke ongeregeldheden, welke de apostel hier bestraft. Daaromtrent merken wij op:
I. De wijze, waarop hij zijne beschuldiging te berde brengt. Dit nu, hetgeen ik u aanzeg, prijs ik niet, vers 17. Ik kan u niet prijzen, maar moet u bestraffen en veroordelen. Het blijkt duidelijk uit den aanvang van dit hoofdstuk, dat hij bereid was en het aangenaam vond om hen zoveel mogelijk te prijzen. Maar zulke schandelijke ongeregeldheid en dat in zo heilig een instelling, waaraan zij schuldig waren, verdiende scherpe bestraffing. Zij veranderden de instelling geheel in haar tegendeel. Zij was bedoeld om hen beter te maken, om hun geestelijke belangen te bevorderen, maar in werkelijkheid werden zij er slechter door. Zij kwamen niet tot beter, maar tot erger samen. De instellingen van Christus, indien ze ons niet beter maken, zijn zeer geschikt om ons erger te maken, indien ze ons geen goed doen, doen ze onze zielen kwaad, indien ze onze harten niet verzachten, zullen zij ze verharden. Het bederf zal in ons de overhand nemen, wanneer de middelen, die er tegen aangewend worden, niet helpen.
II. Hij treedt ten aanzien van deze beschuldiging in meer bijzonderheden dan gewoonlijk.
1. Zegt hij dat er, wanneer zij samenkomen, scheuringen, schisma's, schismata, onder hen zijn. In plaats van gezamenlijk te arbeiden aan ware viering van de plechtigheid, gaan ze onder elkaar aan `t twisten. Er kan schisma bestaan zonder dat er verbreking van de gemeenschap is. De mensen kunnen samen in dezelfde gemeente zijn, samen het avondmaal vieren, terwijl ze toch van elkaar verschillen. Liefdeloosheid, vervreemding van gevoelens van genegenheid, vooral wanneer die opkomen uit tweedracht en veten en twisten, veroorzaken scheuringen. Christenen kunnen zich in gemeenten verdelen en toch wederkerig elkaar liefhebben, maar ze kunnen ook allen in dezelfde gemeenschap blijven en toch liefdeloos zijn. Het laatste is veel meer dan het eerste, een schisma. De apostel heeft gehoord van de verdeeldheid onder de Corinthiërs, en zegt hun dat hij maar al te veel reden heeft om er aan te geloven. Want, voegt hij er bij, er moeten ketterijen onder u zijn, niet enkel twisten, maar ketterijen en misschien wel denkbeelden zo bedorven, dat ze de beginselen van het Christendom en van allen waren godsdienst raken. Geen wonder dat er bressen ontstaan in de Christelijke liefde, wanneer zulke beledigingen voorvallen, die van het geloof en van een goed geweten doen schipbreuk lijden. Zulke ketterijen moesten komen. Niet dat de mensen genoodzaakt worden om er zich aan schuldig te maken, maar de zaak is zeker en God laat het toe opdat zij die trouw bevonden worden (de eerlijke harten die de beproeving doorstaan) openbaar mogen worden en getrouw zich tonen door hun onafgebroken vasthouden aan de waarheid en de wegen Gods, niettegenstaande de verzoekingen van de verleiders. De wijsheid van God kan de goddeloosheid en dwalingen van anderen gebruiken als een prikkel voor de godsvrucht en oprechtheid der heiligen.
2. Hij beschuldigt hen niet alleen van tweedracht en verdeeldheid, maar ook van schandelijke wanorde. Want in het eten neemt een iegelijk tevoren zijn eigen avondmaal, en deze is hongerig en de andere is dronken, vers 21. Heidenen waren gewoon bij de feesten van hun offeranden overdadig te drinken. Velen van de rijkere Corinthiërs hadden, naar het schijnt, dezelfde vrijheid genomen aan de tafel des Heeren, of tenminste aan hun Agapai of liefdemaaltijden, die met het avondmaal samengingen. Geen acht gaven ze op elkaar, de rijken verachtten de armen, en aten en dronken zelf den voorraad op dien ze meegebracht hadden, alvorens den armen toegestaan werd aan den maaltijd deel te nemen, en zo leed de een gebrek terwijl de ander overdaad had. Dat was ontheiliging van de heilige instelling, en tot in den diepsten grond een goddelijk voorschrift bederven. Wat gegeven was om de zielen te voeden, werd aangewend om de lusten en hartstochten te doen gedijen. Wat een band van wederkerige vriendschap en genegenheid moest zijn, werd gemaakt tot een middel van tweedracht en scheiding. De armen werden beroofd van het voedsel, dat voor hen bereid was, en de rijken veranderden het liefdemaal in een zwelgpartij. Dat was schandelijke ongeregeldheid.
III. De apostel doet hun de schande van hun gedrag diep gevoelen:
1. Door hun te zeggen dat hun gedrag ten enenmale de bedoeling en het gebruik van de instelling vernietigde. Dat is niet des Heeren avondmaal eten, vers 20. Het was komen tot de tafel des Heeren, en toch niet komen. Ze deden beter door weg te blijven. Op die wijze de uiterlijke tekenen eten was geen gemeenschap aan het lichaam van Christus. Er is een zorgeloos en ongeordend gebruiken van des Heeren avondmaal, dat er niets mede gemeen heeft, en alleen strekken kan tot verzwaring van onze schuld. Zulk een deelname was die der Corinthiërs, hun handelingen waren in lijnrechte tegenspraak met de bedoelingen van de heilige instelling.
2. Hun houding toonde verachting voor Gods huis, of de gemeente, vers 22. Waren ze van zins feest te vieren, dan konden ze dat onder elkaar in hun eigen huizen doen, maar aan de tafel des Heeren te komen, en daar kabaal te maken en te twisten en den armen hun deel te onthouden van den voorraad, die zowel voor hen als voor de rijken was, dat was zo grof misbruik van de heilige instelling, en zulk een verachting van de armere leden der gemeente in het bijzonder, dat het zeer scherpe bestraffing verdiende. Zulk gedrag diende grotelijks tot beschaming en ontmoediging van de armen, wier zielen even dierbaar waren voor Christus en Hem even duur gekost hadden, als die der rijken. Gewone maaltijden mogen op de gewone wijze gehouden worden, maar godsdienstige feesten moeten godsdienstig behandeld worden. Het is een groot kwaad, en moet met scherpte bestraft worden, wanneer Christenen hun medechristenen met verachting en onbeschoftheid behandelen, maar vooral aan de tafel des Heeren. Daardoor doen ze al wat in hun vermogen is om over goddelijke instellingen verachting uit te storten. En wij moeten alles doen wat in ons vermogen is aan de tafel des Heeren om te voorkomen dat zo heilige instelling en verachting gerake.