22. Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn? 1) Dat kan toch onmogelijk alzo zijn.
1) Zodra wij ons den toestand van Jeruzalem bij en na de verwoesting door de hand der Chaldeën en van Juda's volk in ballingschap, levendig voor ogen plaatsen willen, zullen wij gene tekening zo natuurlijk, zo eigenaardig en zo treffend vinden als die, welke ons hier door Jeremia's pen wordt afgemaald. Maar indien dit zo is, dan zegt zij al wederom en met luide stem, dat het de zonde is, die deze volksrampen heeft veroorzaakt, en dat zij de rechtvaardige straffen droegen, welke zij zich hadden waardig gemaakt, dan predikt Jeremia door zulk een woord ook nog in onze dagen al is onze toestand geheel en al van dien der Israëllers in zijnen tijd onderscheiden, dat volkszonden ook volksellende ten gevolge hebben. Evenwel is er iets, hetwelk wij hier en meer bijzonder behoren op te merken, dat er namelijk te midden van alle vernedering en jammer dezes aardsen levens, gene zo groot en zo verwoestende is, als die, welke wij hier in Vers 7 aantreffen, dat wij namelijk in de mening zouden staan, zelf de straffen van Gods hand niet verdiend te hebben, maar om der vaderen wil dat onheil te moeten ondergaan. Zodra deze gedachte onze harten vervult gelijk zij bij Juda's volk gevonden werd (Jeremia 31:29, zo betonen wij daarmee, dat wij blind, bevooroordeeld en verdwaald zijn. Nimmer zal een heilig en rechtvaardig God den zoon de ongerechtigheid van zijn vader doen dragen, maar wel zal Hij de misdaden der vaderen bezoeken tot in het derde en vierde lid, wanneer de kinderen in de voetstappen der ouders treden en des Heeren woord en raad blijven versmaden en verwerpen. Juda kende dus zijne misdaden niet en stortte zich zelf daardoor in ene nog dieper ellende, dewijl men zich in dien toestand niet verootmoedigen zal, noch om genade smeken, maar veeleer wrevelig en onverbeterlijk blijven wil. Tijdig en gepast was het daarom, dat Jeremia in het 16e Vers dat volk de schuldbelijdenis in den mond legt: "o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben. " Dit is toch het enige en ware middel, dat voor den Heilige en Rechtvaardige leert vallen, dat in zich zelven, in eigen zondig gedrag, de schuldige oorzaak der ellende doet zien en zoeken, dat voor den Heere ons doet verootmoedigen, in erkentenis en billijking van zonde en straf, en alleen in dien weg ons de deur der genade ontsluit, daar de Heere den ootmoedigen en verbrijzelden zondaar nimmer afwijst, maar aan hem Zijne ontferming beloofd heeft te willen bewijzen. En is het niet in dien geest, dat Jeremia, ten slotte ene bede doet, en Juda deze bede leert ontboezemen. Is deze bede gegrond op de hoogheid en opperheerschappij van God, die niet slechts Koning was over de ganse aarde, maar ook in het bijzonder over Zijne erfenis, aan welke Hij Zijn verbonden beloften bewaren wilde, en die Hij niet in eeuwigheid verstoten zou, dan bevat de bede zelf bekering tot God en volksherstel als de hoofdoorzaken, om welke moest gevraagd worden, en welker behartiging onafscheidelijk aan elkaar verbonden is. Wat baat het toch ene natie, dat zij tot uitwendig volksherstel geleid, en dat zij door `s Heeren goedheid uit bangen nood en bezwaren gered wordt, indien het volk niet tot God wederkeert en aan Zijnen dienst verbonden wordt? Zo lang de zonde, die rampzalige bron van jammer en ellende, niet gestopt wordt, zo lang men niet met God in gemeenschap staat en Zijne gunst niet over ons is, kan de grootste redding en het beste volksgeluk noch duurzaam, noch ook weldadig wezen. Moest nu Israël, in navolging van den Profeet, zich in den nood tot God leren wenden, onder wien men stond, door wiens hand men beweldadigd was, en die als de Almachtige en Algenoegzame alleen redden en helpen kan, dan immers zij dit ook ons aanbevolen en onze bede klimme alzo met onze verwachting tot den Heere alleen. Immers is het niet slechts onze bede, maar ook onze verwachting, welke wij met zulk een gebed voor den Heere uitstorten en Hem opdragen. Niet van ons zelven, niet van eigen wijsheid of kracht verwachten wij toch, alzo biddende, onze bekering en volksherstelling, maar van God alleen. Het is geenszins ons verlangen, alleen tot uitwendige redding, bloei en welvaart te komen, om in al de daaraan verbondene voorrechten te kunnen delen, maar eerstelijk en allermeest om des volks bekering tot dien God, van welken men is afgekeerd. En als wij er met Jeremia bijvoegen, als van ouds, dan geven wij de eer onzer zedelijke en volks-verlossing geheel en alleen aan dien God, die Zich de God der vaderen en van onze menigvuldige verlossing en ontferming betoond heeft te zijn. Werpen wij in dien geest onze smekingen voor des Heeren troon, houden wij alzo bij Hem aan, gelijk Jeremia deed en het volk leerde doen, dan hebben wij voor ons zelven, ten slotte, maar op te merken, dat wij ons met zulk ene bede onder den band der verplichtingen brengen, of zullen wij, dit gebeden hebbende, niet den weg van middelen inslaan, door welken de Heere werken wil? Zullen wij op ons zelven, op onze huisgezinnen, op onzen volkstoestand niet nauwkeurig letten, en ons zelven niet afvragen, wat in dezen onze hand vindt om te doen? zullen vooral de godvruchtigen in dezen gene voorgangers en voorbidders zijn, en nog steeds met Abraham blijven staan voor het aangezicht des Heeren: met Gideon in de kracht Gods het hervormingswerk aanvangen en met zo vele God vererende woningen onze verwachting niet van den Heere onzen God hebben, die op Zijnen tijd redden, helpen en ze geven kan, naar Zijn welbehagen? Niet te vergeefs zal ook deze bede geweest zijn, daar de Heere in den tijd der verlossing van Zijnen Geest heeft uitgestort en het vervallene heeft opgericht, gelijk elk gebed, in Christus naam opgezonden, gewis verhoring vindt.
Hoewel wij reden hebben om te treuren over den jammerlijken toestand der Kerk, kan het ware Zion, tot hetwelk de gelovigen zijn gekomen, niet vernietigd worden, maar zal het altijd blijven. Onze betrekking, als opgenomen in Gods gemeenschap, kan niet worden te niet gedaan, noch de zekerheid onzer behoudenis worden vernietigd, noch onze vreugde en roem in Christus worden ijdel gemaakt. Beproevingen mogen onze harten twijfelend maken en onze ogen donker, maar onze weg tot den genadetroon van den met ons verbondenen God is open. Wij mogen bidden, dat Hij ons niet vergete of verlate, en dat Hij terugkere en ons meer en meer vernieuwe door Zijne genade, dat onze hoop herleve, en onze vertroostingen over ons zijn als in de dagen van ouds. Laat ons in al onze moeilijkheden al ons vertrouwen stellen op Zijne genade; laat ons onze zonden belijden en onze harten voor Hem openen; laat ons waken tegen morren en wantrouwen, wat wij ook mogen lijden; want wij weten zeker, dat het in `t einde wel zal zijn met allen, die in den Heere geloven, Hem vrezen, liefhebben en dienen. .
Zijn niet, als in Jeremia's dagen, des Heeren oordelen op aarde? En mogen wij niet de reden opsporen van des Heeren jaloersheid over Zijn Zion? Reinigde Christus de kerk met Zijn bloed, en zou Hij dan onverschillig kunnen zijn omtrent hare hoogste belangen? Dat Zion dan door ons in ernstige gebeden worde gedacht, en haar welvaart worde gesteld boven onze eigene vreugde! O, dat de toegenegenheid van elks hart onder den invloed des Heiligen Geestes er zich naar uitstrekte, om met ons tot God voor Zion bidden: spaar, Heere! spaar Uw volk, en geef Uwe erfenis niet over tot bespotting, dat Heidenen over haar zouden regeren.
Niet alsof zij dachten, dat God hen vergeten en verlaten had, veel minder dat zij vreesden, dat Hij hen voor altoos vergeten en verlaten zou, maar dus willen zij de waarde uitdrukken, die zij stellen in Zijne gunst en tegenwoordigheid, waarvan zij dachten de bewijzen en vertroosting al lang verloren te hebben.
Het laatste vers kan als zulk een smeking gelezen worden. Want zoudt Gij ons ganselijk verstoten? Zult Gij altoos op ons vertoornd zijn? Niet alleen ons niet vriendelijk aanzien, en ons in genade gedenken, maar ons van Uwe tegenwoordigheid verstoten en ons te verbieden tot U te naderen. Hoe zal dit overeen te brengen zijn met Uwe goedheid en getrouwheid en met de standvastigheid van Uw verbond?
Merkt hieraan: hoewel wij met God niet mogen twisten, zo mogen wij toch met Hem pleiten, en hoewel wij niet mogen besluiten, dat Hij ons verstoten heeft, nochtans mogen wij met den Profeet nederig met Hem spreken over Zijne oordelen, bijzonder over het aanhouden der verwoesting van Zijn heiligdom. (HENRY.
Het lied eindigt met vertrouwen en troost in God; het bedroefde hart vol van het diepste berouw onder het kruis rust en vrede gevonden, anders was het ook niet mogelijk, omdat het toch het klaaglied niet is van het goddeloze en inderdaad verworpene Israël, maar van het Israël, dat met den Heere worstelt en altijd uitroept: Ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent. Dat het laatste vers nog eens de smart over Gods ondervonden gericht uitdrukt, komt geheel overeen met het karakter der Klaagliederen, die klagen en smeken moeten tot aan het einde. Toch eindigt het niet zonder hoop, al kan ook de hoop zich niet verheffen tot een blij gejubel der overwinning, al schemert het slechts van verre door als de morgenster door de wolken, als de morgenster, die zelf nog wel niet de schaduwen van den nacht verdrijft, maar toch het opgaan der zon en hare overwinning aankondigt. Hoe menigvuldiger en verschrikkelijker de gerichten Gods over de Kerk des Heeren toenemen, hoe meer de laatste, grootste droefheid nadert, welke aan de wederkomst des Heeren moet voorafgaan, des te meer zal ook de betekenis der Klaagliederen worden erkend en haar rijke vertroosting worden gewaardeerd, dan zal het ook aan dezen worden bevestigd, dat des Heeren Woord eeuwig is en uit Gods Heiligen Geest geboren.
Het slot is een pleiten op de onveranderlijkheid Gods. Het kan niet, wil de Profeet zeggen, dat Gij zo verbolgen, zo onverzoenlijk zijt, dat er geen redding mogelijk is en geen herstelling van stad en tempel meer te verkrijgen.
Het is echter een pleiten in het besef van eigen onwaardigheid en diep bederf, en een vrijlaten van den Heere, om op Zijn tijd te komen tot redding.
De eigen ere Gods is er mede gemoeid, indien het volk onherroepelijk tot vernietiging wordt overgegeven.
En daarom mag men gerust zeggen, dat in dit laatste vers, al schijnt het zo niet, het morgenrood van den dag der verlossing wordt aanschouwd.
De Profeet blijft vasthouden aan deze waarheid, dat de Heilige en Rechtvaardige, tevens is de Barmhartige en de Genadige.
SLOTWOORD OP DE KLAAGLIEDEREN VAN JEREMIA.
Zoals we reeds in onze inleiding opmerkten, wordt in dit Boek de Profeet Jeremia wel niet genoemd als de Schrijver, maar inhoud, geest en taal van deze vijf liederen zeggen het ons zo duidelijk mogelijk, dat niemand anders dan de meest beproefde onder de Profeten, ze als op de puinhopen van Jeruzalem heeft vervaardigd.
En dat niet langen tijd na, of bij tussenpozen, maar onmiddellijk na elkaar.
Dit wijst uit het organisch verband, waarin zij tot elkaar staan.
Dat niemand anders dan Jeremia ze heeft vervaardigd, blijkt duidelijk uit het feit, dat we, gelijk in zijn profetisch Boek, gedurig toespelingen hebben op de Wet, en ook in deze liederen een gedurige herhaling van dezelfde gedachten gevonden wordt, gelijk dat in zijn profetisch Boek het geval is.
Ook hier wordt gewezen op dezelfde oorzaken van ballingschap en verwoesting, n. l. op de zonden van Jeruzalem en Juda tegen God, en het schenden van Zijn heilige Wet.
De liederen zelf spreken uit: het bange en innig gevoelde lijden van hem, die de diepste smart ervaart over het verlies van stad en tempel.
Hij kan dan ook niet eindigen, dan in een gebed, in een verzuchting om bekering, om waarachtige bekering, om herstelling. Hij, door den Geest Gods gedreven, moet blijven pleiten op de Verbondsgenade van Israëls God, waar hij weet dat die God de God des ontfermens is, die niet eeuwiglijk toornt tegen Zijn volk.
Het is daarom dat de Kerk van alle eeuwen, te midden van vernedering en smaad, van worsteling en lijden, niet alleen met woorden aan de Psalmen, maar ook aan deze "Klaagliederen" ontleend, zich heeft gewend tot Hem, die Zijn volk wel in de diepte van lijden doet zinken, maar niet wegzinken, die immer getoond heeft de enige en volkomen Hersteller van Zijn gunstvolk te zijn.