Klaagliederen 5:17-22
I. Het volk van God spreekt het hier uit, hoe diep het is getroffen door de puinhopen van de tempel, meer dan door een van hun andere rampen, de belangen van Gods huis lagen hun nader aan `t hart dan hun eigen, vers 17, 18. Daarom is ons hart flauw, en bezwijkt onder het gewicht van zijn eigen zwaarte, om deze dingen zijn onze ogen duister, en ons gezicht is weg, zoals gewoonlijk in een aanval van flauwte. Het is om des bergs Zions wille, die verwoest is, dat is de heilige bergen de tempel op die berg gebouwd. Om andere verwoestingen jammeren onze harten en wenen onze ogen, maar hierin is ons hart bezwijmd en zijn onze ogen duister. Niets drukt zo zwaar op de geest van goede mensen als hetgeen met de ondergang van de godsdienst dreigt of zijn invloed verzwakt, en het is een troost, als wij ons bij God beroepen kunnen, dat dat ons meer treft dan een wereldse beproeving van ons zelf. Het volk heeft de berg Zions verontreinigd door zijn zonden, en daarom heeft God die naar recht woest gemaakt, in zo'n mate dat de vossen er lopen, zo vrij en zo geregeld alsof zij in de bossen lopen. Inderdaad het is treurig als "de berg Zions een prooi van de vossen wordt," Psalm 63:11, maar de zonde is er schuld aan, dat het zover gekomen is, Ezechiël 1-3:4.
II. Zij troosten zich met de leer van Gods oneindigheid, en de eeuwigheid van Zijn heerschappij, vers 19 :Gij, o Heere, zit in eeuwigheid. Dit is hun geleerd in die psalm, die tot titel heeft: "Een gebed des verdrukten," Psalm 102:28. Als alle wereldse troostgronden van ons weggenomen zijn, en de moed ons ontzinkt, dan kunnen wij ons zelf bemoedigen met het geloof,
1. Aan Gods onsterfelijkheid: "Gij zit in eeuwigheid." Wat de wereld doet schudden, verstoort Hem niet, die ze gemaakt heeft, wat er ook op aarde verandert, in de Eeuwige is geen verandering, God is steeds Dezelfde, en "zit in eeuwigheid," oneindig wijs en heilig, rechtvaardig en goed, bij Hem is "geen verandering noch schaduw van omkering."
2. Aan de nimmer afgebroken voortzetting van Zijn heerschappij: "Uw troon is van geslacht tot geslacht," de troon van de genade en de troon van de heerschappij, zijn alle onveranderlijk, onbewegelijk, en dit is een troost voor ons, als de kroon van ons hoofd afgevallen is. Als de tronen van vorsten, die onze beschermers moesten zijn in het stof gevallen zijn, en er in begraven, dan blijft Gods toorn toch bestaan, Hij blijft de wereld regeren, en regeert ze ten behoeve van de kerk. De Heere regeert, regeert in eeuwigheid, ja, Uw God, o Zion!
III. Zij spreken nederig met God over hun tegenwoordige vernedering en de ontevredenheid van de hemel over hen, vers 20 : Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten, alsof wij geheel uit Uw gedachte verwijderd waren? Waarom zoudt Gij ons zo lange tijd verlaten, alsof wij geheel beroofd waren van de tekenen van Uw tegenwoordigheid? Waarom stelt Gij onze verlossing uit, alsof Gij ons volkomen verlaten hadt? Gij zijt dezelfde en, hoewel de troon van Uw heiligdom verbrijzeld is, is Uw troon in de hemelen ongeschokt. Maar wilt Gij voor ons niet Dezelfde zijn? Niet alsof zij dachten dat God hen vergeten en verlaten had, veel minder nog dat zij vreesden, dat Hij hen voor altijd vergeten en verlaten had, maar aldus geven zij hun waardering te kennen van Zijn gunst en tegenwoordigheid, en vinden, dat hun beroving van de bewijzen en de troost daarvan reeds lang duren. Het laatste vers is een voortzetting hiervan: Want zoudt gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn, dat Gij ons niet alleen Uw vriendelijk aanschijn niet toont en ons niet in genade gedenkt, maar tegen ons ontstoken zijt, en ons de blijken van Uw toorn geeft, ons niet alleen niet nabij zijt, maar ons uit Uw tegenwoordigheid werpt en ons verbiedt U te naderen? Hoe is dat te rijmen met Uw goedheid en getrouwigheid en de vastigheid van Uw verbond? Of: "Maar Gij hebt ons verworpen, " Gij hebt ons reden gegeven om te vrezen dat het zo is, hoe lang, Heere, zullen wij in deze verzoeking zijn? Al mogen wij niet met God twisten, toch mogen wij bij Hem pleiten, en al mogen wij niet tot het besluit komen, dat Hij ons verworpen heeft, toch mogen wij met de profeet, Jeremia 12:nederig met Hem Zijn oordelen bespreken, in `t bijzonder de voortzetting van de verwoesting Zijns heiligdoms.
IV. Zij roepen God ernstig aan om genade en barmhartigheid: Heere, verwerp ons niet ganselijk, maar bekeer ons tot U, vernieuw onze dogen vers 21. Hoewel dit niet de laatste woorden zijn, herhalen de rabbijnen dit gebed, omdat zij wensten, dat die bedroevende woorden, vers 22, niet het slot zouden vormen van dit boek, opdat de zon niet onderga echter een wolk, en daarom maken zij dit tot de laatste woorden van het hoofdstuk. Hier bidden zij:
1. Van bekerende genade, ten einde hen toe te bereiden en bekwaam te maken voor Zijn barmhartigheid: "Heere, bekeer ons tot U!" Zij hadden geklaagd, dat God hen verlaten en vergeten had, en nu bidden zij niet: "Keer Gij tot ons terug, maar bekeer ons tot u," wat de erkenning insluit, dat zij zelf de oorzaak van de verwijdering waren. God verlaat niemand, die niet eerst Hem verlaat, en Hij blijft niet langer van verre staan, dan wij van Hem verwijderd blijven, indien Hij hen dus tot Zich bekeert op de weg des plichts, dan zal Hij zonder twijfel spoedig tot hen terugkeren op de weg van de genade. Dit stemt overeen met het herhaalde gebed in Psalm 80:4, 8, 20:"Breng ons weer en laat Uw aanschijn lichten." Bekeer ons van onze afgoden tot U door een oprecht berouw en oprechte verbetering, "zo zullen zij bekeerd zijn." Verder ligt er in opgesloten een erkenning van hun eigen zwakte en onbekwaamheid om zich zelf te bekeren. Er is in onze natuur een gretigheid om ons van God af te keren maar geen neiging om tot Hem terug te keren voordat Zijn genade in ons werkt beide "het willen en het volbrengen." Zo noodzakelijk is die genade, dat wij naar waarheid zeggen kunnen: "Bekeer ons of wij zullen niet bekeerd zijn," maar zullen eindeloos dwalen, en zo machtig en krachtdadig is die genade, dat wij met evenveel waarheid zeggen kunnen: "Bekeer ons en wij zullen bekeerd zijn, want het is een dag van heirkracht, een dag van de Almachtige wanneer Gods volk zeer gewillig zal zijn, Psalm 110:3.
2. Om herstellende genade: "Bekeer ons tot U en daarna: Vernieuw onze dagen als van ouds" breng ons in dezelfde gelukkige toestand waarin onze vaders lang geleden waren en waarin zij lang gebleven zijn, en "laat het met ons zijn, zoals het was in het eerste, als in den beginne" Jesaja 1:26. Als God door Zijn genade ons hart vernieuwt, dan zal Hij door Zijn gunst "onze dagen vernieuwen, zodat onze jeugd vernieuwt als eens arends," Psalm 103:5. "Die zich bekeren, en hun eerste werken doen, zullen zich verblijden, en hun eerste vertroostingen herkrijgen". Gods barmhartigheden jegens Zijn volk "zijn van eeuwigheid geweest," Psalm 25:6, en daarom mogen zij hopen, zelfs dan, wanneer Hij hen verlaten en vergeten schijnt te hebben, dat de genade, die van eeuwigheid was in eeuwigheid zal zijn.