Jozua 8:3-22
Wij hebben hier het verhaal van de inneming van Ai door een krijgslist. Wij houden er ons van verzekerd dat de hier aangewende krijgslist goed en geoorloofd was, God zelf had haar aangewezen, en wij hebben geen reden om te denken dat een dergelijke krijgslist in andere oorlogen niet even goed en gewettigd is. Hier was geen overeenkomst geschonden, geen eed of belofte verbroken, er is niets van die aard, het was niet onder voorgeven van een onderhandeling of een vredesverdrag dat het voordeel behaald was, neen, dat zijn heilige dingen, waarmee niet gebeuzeld of geschertst mag worden, als eenmaal trouw verpand of beloofd is, dan moet zij gehouden worden, ook aan de vijand, maar bij deze krijgslist werd geen onwaarheid gezegd, niets werd verborgen gehouden dan hun eigen raadslagen, en nooit heeft een vijand beweerd het recht te hebben om daarmee bekend te worden gemaakt. De enige veinzerij bestond in hun aftocht, die volstrekt geen natuurlijke of noodzakelijke aanduiding is van hun onmacht om de aanval voort te zetten of van enig voornemen om hem niet te hernieuwen. De vijanden hadden op hun hoede moeten wezen, en binnen de bescherming van hun eigen verdedigingswerken moeten blijven, als zij de gewone voorzichtigheid hadden in acht genomen, dan zouden zij het niet gewaagd hebben een leger te achtervolgen, dat naar zij zagen hen ver in getal moest overtreffen, en hun stad niet onbewaakt hebben gelaten, maar: "Si populus vult decipi, dicipiatur Als de mensen bedrogen willen zijn, zo laat hen bedrogen zijn". Indien de Kanaänieten zich zo gemakkelijk laten misleiden en in hun vervolgen van Gods Israël alle wetten van voorzichtigheid en beleid veronachtzamen, dan kunnen de Israëlieten er volstrekt niet om gelaakt worden, dat zij hun voordeel doen met hun dolzinnige woede en hun achteloosheid, en het is in genen dele onbestaanbaar met de hoedanigheid, die God hun toeschrijft, namelijk dat zij kinderen zijn, die niet liegen zullen.
In het bericht omtrent deze zaak:
I. Is er enige moeilijkheid ten opzichte van het aantal van de mannen, die voor deze onderneming gebruikt werden. In vers 4 wordt gesproken van dertig duizend mannen, die Jozua verkoos en bij nacht uitzond, aan wie de last gegeven werd, om de stad te overvallen, zodra zij zagen, dat zij ontruimd was, vers 4, 7, 8. Maar later, in vers 12, wordt gezegd: Jozua nam omtrent vijf duizend man, en hij stelde hen tot een achterlage aan het westen van de stad, en deze achterlage trok de stad binnen en verbrandde haar, vers 19.
1. Sommigen denken dat er twee troepen uitgezonden waren om in hinderlaag te liggen, eerst dertig duizend man, en daarna nog vijf duizend om de wegen te bewaken, en diegenen tegen te houden uit de stad, die zich langs deze weg door de vlucht zouden willen redden, of wel tot versterking van hen, die eerst uitgezonden waren, en dat Jozua zijn openlijke aanval op de stad deed met al de duizenden van Israël. Aldus de geleerde bisschop Patrick wijzende op Gods bevel in vers I om al het krijgsvolk mee te nemen, Maar:
2. Anderen denken dat al het krijgsvolk slechts genomen was om zich vóór de stad te legeren, en dat Jozua uit deze dertig duizend man koos om voor de krijgsverrichting gebruikt te worden, uit welke toen vijf duizend gedetacheerd werden om in de achterlage gesteld te worden, welk aantal verondersteld werd onopgemerkt te kunnen voorttrekken, (meerderen zouden gezien worden, en dan zou het plan mislukt zijn) en die dan met de andere vijf en twintig duizend de openlijke aanval deden, zoals Masius denkt, of met de dertig duizend, die hij, zoals Calvijn meent, geheel en al voordat doel bewaard heeft, nadat hij behalve deze nog vijf duizend heeft uitgezonden om die achterlage te vormen. En deze vijf duizend moeten bedoeld zijn (denken zij) in vers 3, die hij bij nacht uitzond met orders om in hinderlaag te liggen, hoewel het bepaalde getal niet genoemd wordt vóór vers 12. Indien wij zo'n schijnbare storing in de orde van het verhaal mogen toelaten (waarvan misschien gelijksoortige voorbeelden aangehaald kunnen worden uit andere verhalen van de Schrift) dan zal er waarschijnlijk slechts een hinderlaag geweest zijn, bestaande uit niet meer dan vijfduizend man, welke voor dit doel ook volstonden.
II. Maar de hoofdzaak in het verhaal is duidelijk genoeg: een detachement werd heimelijk afgezonden om de stad om te trekken en zich te posteren aan de zijde tegenover welke de hoofdtroep lag (de gesteldheid des lands gunstig voor hen zijnde om verborgen te blijven). Jozua en de krijgsmacht onder hem lagen vóór de stad, het garnizoen deed een krachtige uitval, waarop zij zich terugtrokken, en in schijnbare wanorde in de richting van de woestijn vluchtten. De mannen van Ai, dit bemerkende namen hun gehele krijgsmacht om de vluchtenden te vervolgen. Dit maakte de gelegenheid schoon voor hen, die in de achterlage waren, om zich meester te maken van de stad, waarvan zij aan Jozua kennis gaven door de rook die uit de stad opging. Hierop keerde hij zich met geheel zijn krijgsmacht om naar de vervolgers, die thans, nu het te laat was, de strik bemerkten, die hun gespannen was, want nu werd hun de terugtocht afgesneden, en werden zij man voor man gedood. Een zelfde krijgslist zien wij gebruikt in Richteren 20:29 en verv.
Nu kunnen wij uit dit verhaal zien:
1. Welk een kloekmoedig bevelhebber Jozua geweest is. Let op:
a. Zijn gedrag en zijn wijsheid. God gaf hem de wenk een achterlage te leggen tegen de stad, vers 2, maar liet het aan hem over om er de bijzonderheden van te regelen, hetgeen hij bewonderenswaardig goed deed. Waarlijk, de wijsheid versterkt de wijze meer dan tien wetenschappers, Prediker 7:19.
b. Zijn zorg en naarstigheid, vers 10. Hij maakte zich des morgens vroeg op, ten einde geen tijd te verliezen en om te tonen hoe zijn ziel in deze zaak was. Zij, die stand willen houden in hun geestelijke strijd, moeten niet op hun gemak gesteld zijn.
c. Zijn moed en vastberadenheid. Hoewel een leger van Israëlieten van voor Ai teruggedreven was, besluit hij toch om hen bij de tweede aanval in eigen persoon aan te voeren, vers 5. Zelf ook een oudste zijnde, nam hij de oudsten van Israël mee om deze aanval op de stad te doen, vers 10, alsof hij er eerder heenging om als rechter op te treden tegen hen als misdadigers, dan om tegen hen te strijden als vijanden.
d. Zijn omzichtigheid en zijn overleg, vers 13. Hij ging in dezelfde nacht in het midden van het dal, om de nodige schikkingen te maken voor een aanval, en te zien of alles wel in goede orde was. Het is de vrome gissing van de geleerden bisschop Patrick, dat hij alleen en onvergezeld in het dal ging om Gods zegen af te bidden op de onderneming, en hij heeft God niet tevergeefs gezocht.
e. Zijn standvastigheid en volharding, toen hij zijn speer had uitgestrekt naar de stad, vers 18, (een speer, die bijna even noodlottig en geducht was voor Israëls vijanden, als de staf van Mozes geweest is) trok hij zijn hand niet terug voordat het werk gedaan was. Zijn handen waren in de strijd, evenals die van Mozes in het gebed, "gewis totdat de zon onderging". Zij, die hun handen hebben uitgestrekt tegen geestelijke vijanden moeten ze nooit terugtrekken. Eindelijk. Wat Jozua deed in de krijgslist, is van toepassing op onze Heere Jezus, van wie Hij een type is geweest. Jozua overwon door te zwichten, alsof hij overwonnen was, en toen onze Heere Jezus Zijn hoofd boog en de geest gaf, scheen het alsof de dood over Hem had gezegevierd, en alsof Hij met al Zijn belangen volkomen verslagen en tenonder gebracht was, maar in Zijn opstanding herstelde Hij zich weer, en heeft Hij aan de machten van de duisternis een volkomen nederlaag toegebracht, Hij heeft de kop van de slang vermorzeld door haar toe te laten Zijn verzenen te vermorzelen. Een glorierijke krijgslist!
2. Welk een gehoorzaam volk Israël was, wat Jozua hun naar het bevel des Heeren gebood te doen, vers 8, dat hebben zij zonder twisting of murmurering gedaan. Zij, die gezonden waren om zich tussen Beth-El en Ai (twee steden, die tegen hen saamverbonden waren) in een hinderlaag te stellen, waren op een post van gevaar, waren zij ontdekt geworden, zij zouden gedood zijn, en toch waagden zij zich. En toen het hoofdleger terugtrok en vlood, scheen dit beide schandelijk en gevaarlijk, en toch hebben zij het, in gehoorzaamheid aan Jozua, gedaan.
3. Welk een verblind vijand de koning van Ai was.
a. Dat hij door zijn verkenners niet te weten is gekomen, dat er een achterlage bij de stad was gesteld, vers 14. Sommigen merken het op als een merkwaardig voorbeeld van Gods macht door de mensen blind te maken voor hun eigen belangen en voor hetgeen tot hun vrede dient, zodat hij niet wist dat iemand hem een achterlage legde van achter de stad. Diegenen zijn in het grootste gevaar, die er zich het minst van bewust zijn.
b. Dat hij, toen Israël scheen te vluchten, al zijn strijdkrachten gebruikte om hen te vervolgen, en niemand achterliet om de stad te bewaken en zijn terugtocht te dekken, vers 17. Zo storten de vijanden van de kerk zich dikwijls door hun eigen woede in het verderf, en door hun heftigheid tegen het Israël Gods. Door zijn onstuimig najagen van Israël heeft Farao zich in de Rode Zee gestort.
c. Dat hij uit het doden van zes en dertig man uit een krijgsbende van drie duizend, toen Israël de eersten aanval deed op zijn stad, zou afleiden dat zo'n talrijk leger, als waar hij nu mee te doen had, volkomen op de vlucht gedreven en verslagen zou worden, vers 6. Zij vluchten voor ons aangezicht gelijk als in het eerst. Zie hoe de voorspoed van de dwazen hen verderft, en hen verhardt tot hun verderf. God had de mannen van Ai gebruikt als een roede om er zijn volk mee te kastijden voor hun nemen van het verbannene, en dit heeft hen opgeblazen in de waan, dat zij de eer moeten hebben om hun land van deze geduchte aanvallers te verlossen, maar zij hebben spoedig hun vergissing moeten inzien, en zij zijn gewaar geworden dat, toen de Israëlieten met hun God verzoend waren, zij niet tegen hen bestand konden zijn. God had hen alleen gebruikt om Israël te bestraffen, met het voornemen om, als de bestraffing geschied was, de roede in het vuur te werpen, hoewel zij het zo niet meenden, en hun hart alzo niet dacht, maar het in hun hart was te verdelgen en set te roeien, Jesaja 10:5, 7.
4. Welk een volkomen overwinning Israël door de gunst en de zegen van God over hen behaald heeft. Ieder deed het zijne. De onderscheidene delen van Israëls krijgsmacht hebben elkaar door de afgesproken signalen volkomen verstaan, en alles liep uitstekend af naar het plan dat beraamd was, zodat de mannen van Ai, toen zij zich het zekerst waanden van de overwinning, zich omsingeld zagen, zodat zij noch de moed hadden om weerstand te bieden, noch gelegenheid hadden om te vluchten, maar in de noodlottige noodzakelijkheid waren om hun leven over te geven aan hun verdervers. En nu is het moeilijk te zeggen of de juichkreten van de mannen van Israël dan wel de angstkreten van de mannen van Ai het luidst waren maar gemakkelijk is het om zich voor te stellen welk een schrik en verwarring zich van hen meester maakten, toen hun blijde hoop en verwachting plotseling in de grootste vertwijfeling waren veranderd. Het gejuich van de goddelozen is maar voor een ogenblik, Job 20:5. Zij zijn een korte tijd verheven, opdat hun val en verderf zoveel verschrikkelijker zal zijn, Job 24:24. Zie hoe licht en hoe snel het geluk zich keert tegen hen, die God niet aan hun zijde hebben.