Jozua 5:1-9
Een grootse aanblik moet het kamp van Israël hebben opgeleverd, toen zij hun tenten in de vlakke velden van Jericho hadden opgeslagen. "Wie zal het stof Jakobs tellen?" Hetgeen gedurende lange tijd "de kerk in de woestijn was, is nu opgeklommen uit de woestijn, lieflijk leunende op haar Liefste, uitziende als de dageraad, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, verschrikkelijk als slagorden met banieren." Hoe verschrikkelijk zij was in de ogen van haar vijanden, wordt ons hier gezegd, vers 1, hoe schoon en zuiver zij gemaakt was in de ogen van haar vrienden door de smaad van Egypte van haar af te wentelen, wordt ons in de volgende verzen meegedeeld.
1. Hier is de verschrikking, die over de Kanaänieten was gekomen door hun wonderbaarlijke tocht over de Jordaan, vers 1. Het bericht er van werd spoedig door het gehele land verspreid, niet slechts als een wonder op zichzelf, maar als een schrikbericht voor al de koningen en koninkrijken van Kanaän. Evenals toen Babel ingenomen was, liep de loper de loper tegemoet, en de boodschapper de boodschapper, om de verbazingwekkende tijding naar iedere hoek van het land te brengen, Jeremia 51:31. En hier wordt ons gezegd welke indruk die tijding maakte op de koningen van dit land, hun hart versmolt als was voor het vuur, en er was geen moed meer in hen. Dit geeft te kennen, dat hoewel het hart des volks reeds tevoren gesmolten was, zoals door Rachab erkend werd Hoofdstuk 2:9, de koningen toch nog moed hadden behouden, en zich hadden voorgesteld dat, wijl zij in het land gevestigd waren, de bevolking talrijk was en de steden wel versterkt, zij wel instaat zouden zijn de aanvallers het hoofd te bieden, maar toen zij hoorden, niet alleen dat zij de Jordaan waren overgetrokken en deze beschutting van hun land dus teniet was gedaan, maar dat zij er door een wonder overheen waren gekomen, en de God van de natuur dus blijkbaar voor hen streed, toen versmolt ook hun hart, gaven zij de zaak op als verloren, en waren zij ten einde raad. En:
1. Zij hadden wel reden om bevreesd te zijn, Israël zelf was een geducht leger, maar nog veel meer als God aan hun hoofd was, een God van almachtige kracht. Wat kan standhouden tegen hen, als zelfs de Jordaan voor hun aangezicht achterwaarts werd gedreven?
2. God heeft hun deze vrees ingegeven en hen ontmoedigd, zoals Hij beloofd had, Exodus 23:27. "Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden." God kan de bozen vervaard doen worden waar geen vervaardheid is, Psalm 53:6, en nog veel meer als er zulk een reden tot vrezen is als er hier was. Hij, die de ziel gemaakt heeft, kan Zijn zwaard tot haar doen naderen en haar doden met Zijn verschrikkingen.
II. De gelegenheid, die dit gaf aan de Israëlieten, om diegenen onder hen te besnijden die nog onbesneden waren. Ten allen tijde, vers 2, toen het omliggende land in zo groot een ontsteltenis was, gaf God aan Jozua bevel om de kinderen Israëls te besnijden, want toen kon dit zelfs in het land des vijands veilig geschieden. Daar hun hart versmolten was, waren hun handen gebonden, zodat zij van dit voordeel op hen geen gebruik konden maken zoals Simeon en Levi gedaan hebben met de Sichemieten, namelijk hen te overvallen, toen zij in de smart waren. Jozua kon hier niet zeker van zijn, indien hij dus eigener beweging op die tijd die algemene besnijdenis bevolen had, dan zou hij terecht gelaakt hebben kunnen worden wegens onvoorzichtigheid, want hoe goed de zaak op zichzelf ook was, voor het gezond verstand was het er toen de tijd niet voor, en zou het boze gevolgen kunnen hebben, maar toen God het hem gebood, toen moest hij niet met vlees en bloed te rade gaan, Hij, die hem gebood het te doen, zal hem ongetwijfeld beschermen en hen er doorhelpen. Merk hier nu op:
1. De aanleidende oorzaak van deze algemene besnijdenis.
a. Allen, die uit Egypte gekomen zijn, waren besneden, vers 5. Zolang zij vrede hadden in Egypte, hebben zij ongetwijfeld hun kinderen op de achtste dag besneden overeenkomstig de wet. Maar toen zij begonnen verdrukt te worden, toen inzonderheid het edict was uitgevaardigd voor de verdelging van hun kinderen van het mannelijk geslacht, was de toediening van het bondszegel onderbroken, velen hunner waren onbesneden en van deze was er een algemene besnijdenis, hetzij gedurende de driedaagse duisternis, zoals Dr. Lightfoot onderstelt, of een jaar later, even voor het eten van het tweede pascha bij de berg Sinaï en als voorbereiding voor die plechtigheid, Numeri 9:2, zoals velen denken. En het is in betrekking tot die algemene besnijdenis, dat deze hier een tweede genoemd wordt, vers 2. Maar de geleerde Masius is van mening dat het betrekking heeft op de algemene besnijdenis van Abrahams gezin, toen dit verbondsteken voor het eerst werd ingesteld, Genesis 17:23. Die eerste bevestigde de belofte van het land Kanaän, deze tweede was een dankbare viering van de vervulling dier belofte. Maar,
b. Allen, die in de woestijn geboren waren, namelijk nadat hun omwandeling in de woestijn door het Goddelijk vonnis een oordeel over hen werd voor hun ongehoorzaamheid, gelijk te kennen wordt gegeven door de herhaling van het vonnis, vers 6, allen die sedert die noodlottige dag geboren waren, op welke God zwoer in Zijn toorn, dat niemand van dat geslacht in zou gaan in Zijn rust, waren onbesneden.
Maar wat zullen wij hiervan zeggen? Had God niet aan Abraham, onder bedreiging van zeer strenge straf, bevolen dat van zijn nakomelingen ieder kind van het mannelijk geslacht op de achtste dag besneden moest worden? Genesis 17:9-14. Was het niet het zegel van het eeuwig verbond? Was er, toen zij uit Egypte waren gekomen, niet zo'n grote nadruk op gelegd, dat, toen onmiddellijk na het eerste pascha de wet betreffende dit feest tot een eeuwige inzetting was gemaakt, dit een van de bepalingen er van was, dat geen onbesnedene er van mocht eten, maar als een vreemdeling beschouwd moest worden? En dat nu toch onder de regering van Mozes zelf, gedurende acht en dertig jaren hun kinderen onbesneden gebleven zijn, is onverklaarbaar. Zo'n groot verzuim kon niet algemeen zijn, dan op Goddelijke aanwijzing of bevel.
A. Sommigen denken dat de besnijdenis nagelaten werd, omdat zij onnodig was. Zij was ingesteld om een onderscheidingsteken te zijn tussen Israël en de andere volken, en daar zij nu in de woestijn volkomen van allen waren afgezonderd, en zij zich met niemand mengden, was er geen behoefte aan.
B. Anderen denken dat zij het gebod van de besnijdenis niet verplichtend achtten, voor zij in Kanaän waren gevestigd, want in het verbond, dat aan de berg Sinaï met hen gemaakt was, werd de besnijdenis niet genoemd ook was zij niet uit Mozes, maar uit de vaderen, Johannes 7:22 en met betrekking tot de belofte van Kanaän, Genesis 17:8.
C. Anderen denken dat God het verzuim van deze inzetting genadig voorbijgezien heeft uit aanmerking van hun ongevestigde staat en hun voortdurend heen en weer trekken terwijl zij in de woestijn waren. Het was nodig dat kinderen enige tijd nadat zij besneden waren en zolang zij in de smart waren, zouden rusten, hen in beweging te brengen zou gevaarlijk voor hen kunnen wezen, en daarom wilde God barmhartigheid en geen offerande. Deze reden wordt algemeen aangenomen, maar mij voldoet zij niet, want soms bleven zij wel een jaar aan dezelfde plaats, Numeri 9:22, indien niet nog veel langer, en als zij reisden, zouden de kinderkens zo warm en wel ingewikkeld kunnen zijn, en zo zacht gedragen kunnen worden, dat zij er geen schade of hinder van hadden en zeker beter verzorgd konden worden dan de moeders, die in barensnood of wel in het kraambed waren.
D. Mij komt het daarom voor dat het een voortdurend teken was van Gods misnoegen op hen wegens hun ongeloof en murmureren. De besnijdenis was oorspronkelijk een zegel van de belofte van het land Kanaän, zoals wij tevoren opgemerkt hebben. Het was in de gelovige hoop op dat goede land, dat de aartsvaders hun kinderen besneden, maar toen God had gezworen in Zijn toorn betreffende de krijgslieden, die uit Egypte waren gegaan, dat zij in de woestijn verteerd zouden worden en Kanaän niet zouden binnentrekken, ja zelfs niet in het gezicht er van zouden komen, (gelijk dat vonnis hier herhaald is, vers 6) was, als een nadere bekrachtiging van dat vonnis, en om er hen voortdurend aan te herinneren, aan allen, die onder dat vonnis lagen, en er onder zullen vallen verboden hun kinderen te besnijden waardoor hun duidelijk was aangezegd, dat zij nooit het voordeel zouden hebben van de belofte, waarvan de besnijdenis het zegel was. En dit was een even betekenisvolle aanduiding van Gods toorn als het verbreken van de stenen tafelen des verbonds geweest is, toen Israël het verbond had verbroken door het maken van het gouden kalf. Het is waar: er wordt geen uitdrukkelijke melding gemaakt van dit rechterlijk verbod in het bericht van het vonnis, maar wel wordt het te kennen gegeven, Numeri 14:33, "uw kinderen zullen uw hoererijen dragen." Het is mogelijk dat de kinderen van Kaleb en Jozua besneden waren, want zij waren uitgezonderd van dat vonnis, en van Kaleb inzonderheid wordt gezegd: "aan hem en zijn kinderen zal Ik het land geven," Deuteronomium 1:36, hetgeen de belofte was, waarvan de besnijdenis het zegel was, en aan Jozua wordt hier geboden het volk te besnijden, niet zijn eigen gezin. Wat er nu ook de reden van moge geweest zijn, het schijnt dat deze gewichtige inzetting gedurende bijna veertig jaren in Israël verzuimd is geworden, hetgeen duidelijk te kennen geeft dat zij niet volstrekt noodzakelijk was, of van altijddurende verplichting zou zijn, maar in de volheid des tijds afgeschaft zou worden, gelijk zij nu gedurende zo langen tijd opgeschort was.
2. De orders aan Jozua gegeven voor deze algemene besnijdenis, vers 2. besnijd wederom de kinderen Israëls, niet dezelfde personen, maar de massa des volks. Waarom was er bevolen om dit nu te doen?
A. Omdat de belofte, waarvan de besnijdenis het zegel was, nu vervuld was. Het zaad Israëls was veilig in het land Kanaän gebracht. "Laat hen dan nu de waarheid erkennen van die belofte, waaraan hun vaderen niet geloofd hebben, het niet van zich konden verkrijgen om er op te vertrouwen."
B. Omdat nu de bedreiging waarvan de opschorting van de besnijdenis gedurende acht en dertig jaren de bekrachtiging was, volkomen ten uitvoer is gelegd nu de veertig jaren voorbij zijn. "Die strijd is vervuld, die ongerechtigheid is verzoend," Jesaja 40:2, en daarom moet nu het zegel des verbonds vernieuwd worden. Maar waarom is het niet eerder geschied? waarom niet toen zij maandenlang in de vlakke velden van Moab hebben gerust waarom niet gedurende hun dertig dagen van rouw over Mozes waarom is het niet nog langer uitgesteld, totdat zij enige vorderingen hadden gemaakt in de verovering van Kanaän en er een vestiging in hadden verkregen, of tenminste totdat zij zich verschanst en hun kamp hadden versterkt-waarom moest het reeds op de dag nadat zij over de Jordaan waren gekomen geschieden? Omdat de Goddelijke wijsheid zag, dat dit de geschiktste tijd was, juist toen veertig jaren voorbij waren, en zij Kanaän waren binnengekomen, en de redenen, die de menselijke wijsheid er tegen aangevoerd zou hebben zijn gemakkelijk te weerleggen.
a. God wilde hiermede tonen dat het leger Israëls niet bestuurd werd door de gewone regelen van de krijgskunde, maar dat het onder het onmiddellijk bestuur van God stond, die door hen juist in de gevaarlijkste ogenblikken aldus bloot te geven, Zijn eigen macht verheerlijkte door hen te beschermen, zelfs in dit gevaar. En dit grote voorbeeld van gerustheid, door zich onbekwaam te maken voor de strijd juist toen die strijd zou beginnen, duidde zo'n vertrouwen aan in de Goddelijke zorg voor hun veiligheid, dat de vrees hunner vijanden er door zou toenemen, te meer, als hun verkenners hun bericht brachten niet alleen dat dit geschied was, maar dat dit het zegel was van de schenking van het land aan Israël.
b. God wilde hiermede Zijn volk bemoedigen tegen de moeilijkheden, die zij nu tegemoet gingen, door Zijn verbond met hen te bevestigen, hetgeen hun een ontwijfelbare zekerheid gaf van de overwinning en van voorspoed, en het volle bezit van het land van de belofte.
c. God wilde hen hiermede leren, en ons met hen, om in alle grote ondernemingen met Hem te beginnen ons te verzekeren van Zijn gunst, door onszelf Hem te offeren als een levende offerande (want dit werd aangeduid door het bloed van de besnijdenis, en dan kunnen wij verwachten voorspoedig te zullen wezen in alles wat wij doen.
d. De vernieuwing van de besnijdenis, nadat zij zolang in onbruik was geweest, was bestemd om ook van andere inzettingen de waarneming te vernieuwen waarvan het verzuim in de woestijn was voorbijgezien. Dit bevel om hen te besnijden moest hen herinneren aan hetgeen Mozes hun gezegd had, Deuteronomium 12:8, dat zij, als zij over de Jordaan zullen gekomen zijn, niet moesten doen naar alles wat zij gedaan hebben in de woestijn, maar onder strikter tucht moeten komen. Van vele van de wetten, die God hun gegeven had, was gezegd dat zij ze moesten waarnemen in het land naar hetwelk zij heengingen, Deuteronomium 6:1, 12:1.
e. Deze tweede besnijdenis, zoals zij hier genoemd wordt, was een voorbeeld van de geestelijke besnijdenis, waarmee het Israël Gods, als zij in de rust des Evangelies ingaan, besneden worden, terwijl de geleerde bisschop Pierson opmerkt, dat deze besnijdenis verricht zijnde onder de leiding van Jozua, Mozes' opvolger, wijst op Jezus, als de ware besnijder, de werker van een andere besnijdenis dan die van het vlees, geboden door de wet, namelijk de besnijdenis des harten Romeinen 2:29, de besnijdenis van Christus genoemd, Coll. 2:11.
3. De gehoorzaamheid des volks aan deze orders. "Jozua besneed de kinderen Israëls," vers 3, niet zelf, met zijn eigen handen, maar hij gebood dat het gedaan zou worden. Het kon spoedig volbracht zijn, want het was niet nodig dat het door een priester of Leviet zou geschieden, iedereen kon hiervoor worden gebruikt. Allen, die onder de twintig jaren oud waren toen het volk bij de berg Sinaï geteld werd en, niet met hen geteld zijnde, niet onder het noodlottige vonnis vielen, waren besneden en door hen konden de overigen in weinig tijds besneden worden. Het volk had beloofd naar Jozua te horen, zoals zij naar Mozes hebben gehoord, Hoofdstuk 1:17, en hier gaven zij een bewijs van hun gehoorzaamheid, zich aan deze pijnlijke ritus onderwerpende, en hem dieswege niet een bloedregeerder noemende zoals Zippora vanwege de besnijdenis Mozes een bloedbruidegom genoemd heeft.
Eindelijk. De namen, gegeven aan de plaats waar dit gedaan werd, ten einde er de gedachtenis van te bewaren.
A. Zij werd "de heuvel van de voorhuiden" genoemd, vers 3. Waarschijnlijk zijn de voorhuiden, die afgesneden waren, daar op een hoop gelegd en met aarde bedekt, zodat er een heuveltje van ontstond.
B. Zij werd Gilgal genoemd, van een woord hetwelk wegnemen betekent, naar hetgeen God tot Jozua had gezegd, vers 9. "Heden heb Ik de smaad van Egypte van ulieden afgewenteld." God ijvert voor de eer van Zijn volk, daar Zijn eigen eer er zozeer in betrokken is, en onder welke smaad zij ook voor een tijd mogen liggen, vroeg of laat zal die voorzeker worden afgewenteld, en alle tong, die tegen hen opstaat, zal Hij verdoemen.
a. Hun besnijdenis wentelde de smaad van Egypte van hen af. Hiermede werden zij erkend als de vrijgeboren kinderen Gods, het zegel des verbonds hebbende in hun vlees, en zo was de smaad hunner dienstbaarheid in Egypte weggenomen. Zij waren besmet met de afgoderij van Egypte, en dat was hun smaad, maar nu zij besneden waren, was het te hopen, dat zij geheel toegewijd zouden zijn aan God, en de smaad hunner genegenheid voor Egypte afgewenteld zou zijn.
b. Hun veilige aankomst in Kanaän heeft de smaad van Egypte van hen afgewenteld, want het beschaamde het smadelijk denkbeeld opgeworpen door de Egyptenaren, Exodus 14:3 :"Zij zijn verward in het land, de woestijn heeft hen besloten, en, omdat hen de Heere niet kon inbrengen in het land, waarvan Hij hun gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij hen uitgevoerd om hen te doden in de woestijn," Deuteronomium 9:28. Hun zo langdurige omwandeling in de woestijn bevestigde de smaad, maar nu zij in triomf Kanaän waren binnengetrokken, was die smaad weggenomen. Als God zich verheerlijkt in de voltooiing van de verlossing Zijns volks, brengt Hij niet alleen de smaad hunner vijanden tot zwijgen, maar wentelt die op henzelf.