Jozua 4:1-9
Wij kunnen ons wel voorstellen dat Jozua en al de krijgslieden het op deze tocht door de Jordaan zeer druk gehad hebben. Zij trokken een vijandelijk land binnen onder de ogen des vijands, en het kon niet anders of er moet veel bij hen zijn omgegaan, de gedachten huns harten moeten zich vermenigvuldigd hebben. Zij hadden hun vrouwen en kinderen bij zich hun gezin, hun vee, hun tenten en al hun goederen, die zij langs dit vreemde, onbetreden pad hadden te vervoeren, dat of zeer modderig of zeer steenachtig moet geweest zijn, lastig voor de zwakken, en schrikwekkend voor de vreesachtigen, het afdalen naar de bodem van de rivier, en het opgaan naar de oever waren moeilijk wegens de steilte, zodat ieder man zijn hoofd wel vol zorgen gehad zal hebben en zijn handen vol van werk, en Jozua meer dan iemand hunner. En toch, temidden van al die bedrijvigheid moet zorg worden gedragen om de gedachtenis aan dit wonderwerk van God te vereeuwigen, en de zorg hiervoor mocht niet uitgesteld worden totdat zij meer vrije tijd zouden hebben. Hoeveel wij ook voor onszelf en ons gezin te doen hebben, toch moeten wij hetgeen wij te doen hebben voor de eer van God niet nalaten of verwaarlozen want dat is ons beste werk.
1. God gaf orders voor het toebereiden van dit gedenkteken. Indien Jozua het zonder Goddelijke aanwijzing of bevel gedaan had, dan zou het de schijn gehad hebben alsof hij zijn eigen naam en eer had willen vereeuwigen, en dan zou het nageslacht het niet met zoveel heilige eerbied beschouwd hebben, als nu het op Gods bevel werd opgericht. Gods wonderwerken moeten in eeuwige gedachtenis worden gehouden, en er moeten middelen worden beraamd om er de gedachtenis van te bewaren. Sommigen van de Israëlieten, die door de Jordaan gegaan zijn, waren misschien zo stompzinnig en zo weinig aangedaan door deze grote gunst van God over hen, dat zij er zich niet om bekommerden de gedachtenis er aan te bewaren, terwijl anderen er misschien zo door getroffen en aangedaan waren, er zo'n diepe indruk van hadden ontvangen, dat zij dachten dat het niet nodig was er een gedenkteken van op te richten, het hart en de tong van ieder Israëliet in alle eeuwen, zou er een levend, eeuwig gedenkteken van zijn. Maar God, die wist wat maaksel zij waren en hoe gemakkelijk en snel zij Zijn werken zouden kunnen vergeten, beschikte een hulpmiddel om dit voor alle geslachten in gedachtenis te houden, opdat zij die de vermelding er van in de gewijde geschiedenis niet konden of niet wilden lezen, er kennis van zouden verkrijgen door het opgerichte teken ter gedachtenis er van, waarvan de algemene overlevering des lands de verklaring zou geven, het zou ook dienen tot versterking van het bewijs van het feit, en als een blijvend getuigenis er van zijn voor hen, die in latere eeuwen aan de waarheid er van zouden twijfelen.
Er moet een monument opgericht worden en:
1. Jozua moet, als opperbevelhebber, er de orders voor geven, vers 1. Toen al hef volk geëindigd had over de Jordaan te trekken, zelfs de zwakken, die de laatsten waren, niet werden achtergelaten, zodat God Zijn werk volkomen gedaan had, en ieder Israëliet veilig in Kanaän was, toen zei God aan Jozua de materialen bijeen te brengen voor dit monument. Het is de vrome gissing van de geleerde bisschop Patrick, dat Jozua zich ergens teruggetrokken had om God terstond voor deze wonderbare zegen te danken, en dat God hem toen ontmoette en aldus met hem sprak. Of het was misschien door Eleazar, de priester, dat God deze en andere instructies aan Jozua heeft gegeven, want hoewel hij hier niet genoemd wordt, heeft God toch, toen Jozua door oplegging van de handen tot dit grote werk geordend werd, bevolen, dat Eleazar voor hem raad zal vragen naar de wijze van urim voor het aangezicht des Heeren, en dat naar zijn mond Jozua en al de kinderen Israëls moeten uitgaan en ingaan. Numeri 27:21.
2. Eén man uit elke stam, en deze verkoren man, moet gebruikt worden om materialen te verzamelen voor dit monument, opdat aan iedere stam door iemand uit hun eigen midden het verhaal gedaan zou worden, en iedere stam hierdoor iets tot de eer Gods zou bijdragen, vers 2,4. Uit elken stam een man. Niet de Levieten alleen, maar ieder Israëliet moet, in zijn plaats, helpen, om aan de mensenkinderen bekend te maken Gods mogendheden Psalm 145:12. De twee stammen, hoewel reeds gevestigd in hun bezitting, moeten, daar zij delen in de zegen, mee de hand lenen om er de gedachtenis van te bewaren.
3. Er wordt bevolen dat de stenen, waarvan dit gedenkteken opgericht zal worden, uit het midden van de bedding, (waar waarschijnlijk zeer veel grote stenen lagen) genomen moesten worden, en wel zo dicht mogelijk van de plek, waar de priesters met de ark gestaan hebben, vers 3. 5. Dit monument zou wel verdiend hebben vervaardigd te zijn geworden van stenen zeer kunstig gesneden door de bekwaamste kunstenaars, maar deze stenen van de bodem van de rivier waren natuurlijker en geschikter aanduidingen van het wonder, laat het nageslacht hieraan weten, dat de Jordaan teruggedreven was, want deze zelfde stenen werden er toen uit opgenomen. Voor de instelling van tekenen heeft God altijd verkoren hetgeen het meest geschikt en veelbetekenend was, veeleer dan hetgeen keurig en kunstig of schitterend was, want God heeft het dwaze van de wereld verkoren. Deze twaalf mannen moesten, nadat zij over de Jordaan waren gegaan, teruggezonden worden tot de plaats waar de ark stond, verlof hebbende om er nabij te komen (dat anderen niet mochten) voor deze dienst, gaat over voor de ark, vers 5, dat is "voor het aangezicht van de ark, die nu in het midden van de Jordaan staat, en haalt vandaar deze stenen."
4. Het gebruik van deze stenen wordt hier bevolen tot een teken, vers 6, ter gedachtenis vers 7. Zij zullen aan de kinderen aanleiding geven om in volgende tijden aan hun ouders te vragen: Hoe kwamen deze stenen daar? Het omliggende land was waarschijnlijk niet steenachtig, maar de ouders zullen hun dan mededelen wat aan henzelf was meegedeeld, dat in deze plaats de Jordaan door de almachtige kracht Gods verdeeld was, teneinde aan Israël een doortocht te geven naar Kanaän zoals Jozua hier uitvoerig over gesproken heeft, vers 22 en verv.
II. Overeenkomstig deze orders werd de zaak gedaan.
1. Twaalf stenen werden uit het midden van de Jordaan opgenomen, en voor de ogen des volks gedragen naar de plaats waar zij voor die nacht hun hoofdkwartier opsloegen, vers 8. Waarschijnlijk waren deze stenen zo groot dat zij ze juist konden dragen, en in vorm en grootte ongeveer aan elkaar gelijk. Maar of zij ze terstond naar de bestemde plaats droegen, of wel de ark bleven vergezellen, en gelijken tred hielden met de plechtigen optocht daarvan, teneinde aan haar triomfantelijker intocht in Kanaän nog meer statigheid bij te zetten, is onzeker. Door deze stenen, die zij moesten opnemen, heeft God hun, als het ware, acte van inbezitstelling gegeven van het goede land, het is nu geheel het hun, laat hen ingaan en bezit nemen, en daarom wordt gezegd dat de kinderen Israëls deden wat deze twaalf mannen gedaan hadden, vers 8, omdat zij de vertegenwoordigers waren van hun onderscheidene stammen. In zinspeling hierop kunnen wij opmerken dat toen de Heere Jezus, onze Jozua, het bittere des doods had overwonnen, en die Jordaan had uitgedroogd, Hij het koninkrijk van de hemelen voor alle gelovigen heeft geopend, Hij heeft Zijn twaalf apostelen, naar het getal van de stammen Israëls, geboden om door het gedenkteken des Evangelies de kennis hiervan tot de afgelegenste plaatsen en tot op de laatste tijden over te brengen.
2. Nog andere twaalf stenen (waarschijnlijk veel groter dan de eerste twaalf, want wij lezen niet, dat ieder derzelver door een man gedragen werd) werden opgericht in het midden van de Jordaan, vers 9, opgestapeld tot een hoop of zuil, zodat het bovenste gedeelte er van boven het water zou uitkomen, als de rivier op laag water stond of in het water gezien werd, als het helder en doorschijnend was, of tenminste zou het geraas en de beweging van het water als het er overheen stroomde, opgemerkt worden, en de schuitenvoerders zouden het mijden, zoals zij een rots mijden, op de een of andere wijze zal het waarschijnlijk zichtbaar zijn geweest, teneinde de plaats aan te duiden waar de ark stond, en om als duplicaat te dienen voor het andere monument, dat op droog land opgericht meest worden te Gilgal ter bevestiging van de getuigenis en ter bewaring van de overlevering. Het teken verdubbeld zijnde, was de zaak ongetwijfeld zeker.