Jozua 2:22-24
Wij hebben hier de veilige terugkomst van de verspieders, die Jozua had uitgezonden, en de grote bemoediging, die zij meebrachten voor Israël om voort te gaan met hun aanval op Kanaän. Indien zij gezind waren geweest om het volk te ontmoedigen, zoals de boze verspieders, die Mozes had gezonden, gedaan hebben, dan zouden zij hun hebben kunnen mededelen wat zij gezien hadden van de hoogte en sterkte van de muren van Jericho, en de buitengewone waakzaamheid van de koning van Jericho, en met hoe grote moeite zij aan zijn handen waren ontkomen. Maar zij waren van een andere geest en, steunende op de Goddelijke belofte, hebben zij Jozua evenzo aangemoedigd.
1. Hun veilige terugkomst was voor Jozua op zichzelf reeds een bemoediging en een teken ten goede. Dat God in des vijands land iemand had verwekt, die hun zo vriendelijk gezind was als Rachab, en dat zij in weerwil van de toorn des konings van Jericho en de ijver van de vervolgers, in vrede waren teruggekomen, was zo'n bewijs van Gods grote zorg over hen, om Israëls wil, dat het volk nu wel overtuigd kon zijn dat zij onder de hoede en leiding van God waren, en dat hun wapenen voorspoedig zullen zijn. Hij, die zo wonderbaarlijk hun verkenners had beschermd zou hun krijgslieden bewaren, en hun hoofd bedekken ten dage van de wapening.
2. Het rapport, dat zij brachten, was nog veel meer bemoedigend, vers 24. "Al de inwoners van het land, hoewel besloten te weerstaan, zijn echter voor ons aangezicht gesmolten. Zij hebben noch verstand genoeg om zich over te geven, noch moed genoeg om te strijden," waaruit zij de gevolgtrekking opmaken: "Zeker de Heere heeft dit hele land in onze handen gegeven, het is geheel het onze, wij hebben eigenlijk niets anders te doen dan het in bezit te nemen". De angst en verschrikking van de zondaren zijn soms ware voortekenen van hun val. Als wij onze geestelijke vijanden weerstaan, zullen zij van ons vlieden hetgeen ons zal aanmoedigen te hopen, dat wij ter bestemder tijd meer dan overwinnaars zullen zijn.