Jozua 22:21-29
Wij kunnen veronderstellen dat er een algemene vergadering van de vorsten en grote mannen uit de afgezonderde stammen bijeengeroepen was, om aan deze gezanten gehoor te verlenen, of misschien waren de teruggekeerde krijgslieden nog bij elkaar gelegerd, en nog met uiteengegaan, hoe het zij, er waren hier personen genoeg om de twee en een halven stam te vertegenwoordigen, en hun gevoelen te kennen te geven. Hun antwoord op het warm vertoog van de tien stammen was oprecht en ongekunsteld. Zij werpen de beschuldiging niet terug, verwijten hun de onrechtvaardigheid en onvriendelijkheid niet van hun bedreigingen, of hun haastig oordeel, maar geven hun "het zachte antwoord, dat de grimmigheid afkeert," en vermijden al die "smartende woorden, die de toorn doen oprijzen." Zij werpen geen exceptie op tegen hun jurisdictie, voeren niet aan dat zij hun geen rekenschap schuldig waren van hetgeen zij gedaan hadden, zeggen niet dat zij zich maar met hun eigen zaken moesten bemoeien, maar door een vrijwillige en openhartige verklaring van hun oprechte bedoeling in hetgeen zij hadden gedaan, zuiveren zij zich van de tegen hen gerichte beschuldiging, en herstellen zich in de goede mening van hun broederen, hiertoe behoefden zij slechts de zaak voor te stellen zoals zij was, haar in het rechte licht te doen zien.
I. Plechtig protesteren zij tegen enigerlei bedoeling om dit altaar voor brandoffer of offerande te gebruiken, en bijgevolg van het opgericht te hebben in mededinging met het altaar te Silo of van enigerlei voornemen om dat te verlaten. Zij hadden inderdaad opgericht wat de vorm en gedaante had van een altaar maar zij hadden het tot generlei godsdienstig gebruik gewijd, er was geen plechtige dienst verricht om het in te wijden, en daarom moeten zij niet beschuldigd worden van de bedoeling om het tot zodanig gebruik aan te wenden. Om deze betuiging ingang te doen vinden:
1. Doen zij een plechtig beroep dieswege op God, waarmee zij hun verdediging beginnen, bedoelende hiermede eerst eer te geven aan God, en dan voldoening aan hun broederen, vers 22.
A. Diepe eerbied en ontzag voor God zijn uitgedrukt in de formule van hun beroep: De God van de goden, de Heere, de God van de goden de Heere, die weet, of, zoals het oorspronkelijke luidt: De God van de goden, JAHWEH, de God van de goden, Jehovah, die weet, hetgeen Zijn bestaan uit zichzelf en Zijn zelfgenoegzaamheid te kennen geeft. Hij is JAHWEH, en heeft vrijmacht en oppermacht over alle schepselen, hoe ook genaamd, zelfs over die welke goden genoemd worden, of als goden worden aangebeden. Deze korte belijdenis van hun geloof zal er toe bijdragen, om de verdenking van hun broederen weg te nemen, dat zij voornemens waren om de God Israëls te verlaten en andere goden te gaan aanbidden. Hoe zouden zij zo'n gedachte kunnen koesteren, die geloofden dat Hij God is over allen? Laat ons hieruit leren altijd met ernst en eerbied van God te spreken, en Zijn naam met ontzag en heilig nadenken uit te spreken. Zij, die hun beroep op de hemel doen met een vluchtig, onverschillig "God weet!" hebben reden te vrezen dat zij Zijn naam ijdel gebruiken, want het gelijkt volstrekt niet op de wijze, waarop het hier is geschied.
B. Er spreekt ook een sterke bewustheid uit van hun oprechtheid in deze zaak. Zij brengen de twist voor de God van de goden, wiens oordeel-dies zijn wij zeker-naar waarheid is, dat de schuldigen hebben te vrezen, en waarin de oprechten zich kunnen verblijden. "Is het door weerspannigheid of is het door overtreding tegen de Heere dat wij dit altaar gebouwd hebben, om het stellen tegenover het altaar des Heeren te Silo, een partij te formeren, of nieuwe goden en een nieuwe aanbidding in te voeren?" a. "Hij weet het" vers 22, want Hij is volkomen bekend met de gedachten en bedoelingen des harten, inzonderheid met alle neiging tot afgoderij, Psalm 44:21, 22, die is zeer bijzonder voor Zijn aangezicht, wij geloven dat Hij het weet, en wij kunnen het niet voor Hem verbergen".
b. "Hij eist het", gelijk wij weten dat Hij het zou eisen. "want Hij is een ijverig God". Alleen een zuiver geweten zou aldus Gods gerechtigheid hebben kunnen inroepen om wraak te doen over de rebellie, zo die bestond. In alles wat wij in de Godsdienst doen is het van het grootste gewicht en belang voor ons, om ons door onze oprechtheid er in Gode welbehaaglijk te maken gedenkende, dat Hij het hart kent. Als wij onder de afkeuring van mensen vallen, dan is het zeer troostrijk om ons met ootmoedig vertrouwen op God te kunnen beroepen voor onze oprechtheid, 1 Corinthiers 4:3, 4
2. Een sobere verdediging en verontschuldiging, aangeboden aan hun broederen. Israël zelf zal het ook weten. Hoewel het getuigenis hierboven, en het getuigenis van ons geweten het voornaamste voor ons zijn, is er toch ook een voldoening, die wij onze broederen verschuldigd zijn, die onze oprechtheid betwijfelen, en die wij bereid moeten zijn te geven met zachtmoedigheid en vreze. Als onze oprechtheid bekend is aan God, dan moeten wij er ons op toeleggen, om er anderen bekend mee te maken door haar vruchten, inzonderheid hen, die hoewel zij zich in hun oordeel over ons vergissen, toch ijver tonen voor de eer Gods, zoals de tien stammen hier gedaan hebben.
3. Een ernstige en nadrukkelijke betuiging van afschuw van het plan of voornemen, waarvan zij verdacht werden. Hiermede besluiten zij hun verdediging, vers 29. Het zij verre van ons, van ons, dat wij zouden weerspannig zijn tegen de Heere, en wij erkennen dat wij dit zouden zijn, indien wij dit altaar hadden opgericht voor brandoffers, neen wij verfoeien het denkbeeld van zo iets. wij hebben evenveel waardering van en eerbied voor het altaar des Heeren te Silo, als iemand uit de andere stammen Israëls hebben kan, en zijn even vast besloten om er ons aan te houden, en er gedurig heen te gaan ter aanbidding. Wij hebben dezelfde zorg als gij hebt om de aanbidding Gods rein te bewaren, en om de eenheid van Zijn kerk in stand te houden, verre zij het van ons, van ons, dat wij ons van achter de Heere afkeren zouden".
II. Zij geven een volledige verklaring van hun ware bedoeling in het bouwen van dit altaar, en wij hebben alle redenen om te geloven, dat dit de ware voorstelling was van hun plan, en niet slechts nu van achteren aangevoerd om hun daad te bemantelen, gelijk wij ook reden hebben te denken, dat deze zelfde personen zeer eerlijke bedoelingen hadden, toen zij verzochten om hun erfdeel aan de andere kant van de Jordaan te mogen ontvangen, hoewel het ook toen hun ongeluk was, om door Mozes zelf verkeerd begrepen te worden.
In hun verdediging laten zij uitkomen, dat het bouwen van dit altaar zo weinig een schrede was op de weg van afscheiding van hun broederen en van het altaar des Heeren te Silo, dat het juist bedoeld was als een teken en onderpand om de gemeenschap met hun broederen en met het altaar Gods te onderhouden, een teken ook van hun besluit om de dienst des Heeren voor zijn aangezicht te dienen, vers 27, en hierin te volharden.
1. Zij deelden hun de vrees mede, die zij hadden gekoesterd, dat in het verloop van de tijden hun nakomelingen, op zo verre afstand wonende van de tabernakel, beschouwd en behandeld zouden worden als vervreemd zijnde van het burgerschap Israëls, vers 24. Het was uit vrees hiervoor-het woord betekent grote verlegenheid en bezorgdheid in hun gemoed-dat zij zich door dit hulpmiddel geruststelden. Toen zij op weg waren om naar huis terug te keren (en wij kunnen veronderstellen, dat zij er tevoren niet aan gedacht hebben, want anders zouden zij Jozua wel met hun voornemen bekend hebben gemaakt) hebben sommigen van hen in hun gesprekken die zaak opgeworpen, en de overigen gaven eraan gehoor, en stelden zichzelf en elkaar voor welk een treurig vooruitzicht het was van hetgeen in latere eeuwen zou kunnen geschieden, namelijk dat hun kinderen door de andere stammen beschouwd zouden worden, als geen deel hebbende aan het altaar Gods en de offers, die er op gebracht werden. Thans voorzeker werden zij als broeders erkend, en waren zij even welkom als alle andere stammen om de dienst in de tabernakel bij te wonen, maar wat zou het zijn, als hun kinderen verstoten zouden worden! Vanwege de groten afstand, waarop hun bezitting gelegen was, en de scheiding, die er gemaakt werd door de Jordaan, die niet altijd gemakkelijk gepasseerd kon worden, konden zij niet zo stipt en in zo grote getale de drie jaarlijkse feesten gaan bijwonen als de andere stammen, om aldus voortdurend aanspraak te maken op hun voorrechten als Israëlieten, en zullen daarom als min-belangrijke leden van hun kerk worden beschouwd, langzamerhand verworpen worden alsof zij er in het geheel geen leden van waren, en zo mochten uw kinderen (die in hun hoogmoed allicht geneigd zouden zijn om de voorrechten van het altaar voor zich te monopoliseren) onze kinderen (die wellicht niet zo zorgzaam zullen zijn als zij behoren te wezen, om aan hun voorrechten vast te houden) doen ophouden, dat zij de Heere niet vreesden. Zij, die van de openbare inzettingen zijn buitengesloten, zullen waarschijnlijk alle Godsdienst verliezen, en langzamerhand ophouden de Heere te vrezen. Hoewel door velen de vorm en de belijdenis van de Godzaligheid worden opgehouden zonder het leven en de kracht ervan zullen toch het leven en de kracht er van niet lang aangehouden kunnen worden zonder de vorm en de belijdenis er van. Gij neemt de genade weg, als gij de middelen van de genade wegneemt: Zij, die zelf de troost en het voorrecht van Gods inzettingen hebben gesmaakt, kunnen niet anders dan begeren, dat die voorrechten ook aan hun kinderen zullen te beurt vallen, en alle voorzorgen gebruiken dat men hun kinderen na hen niet zal doen ophouden van de Heere te vrezen, of hen zal beschouwen als geen deel hebbende aan Hem.
2. Het plan, dat zij hadden gevormd, om dit te voorkomen, vers 25 28. "0m daarom aan hen, die na ons zullen komen, een deel te verzekeren in het altaar Gods, en er hun recht op te bewijzen, zeiden wij: Laat ons een altaar bouwen, opdat het een getuige zij tussen ons en tussen ulieden." Opdat zij de kopie van het altaar in hun bewaring hebbende, deze overgelegd zou kunnen worden als een bewijs van hun recht op de voorrechten van het oorspronkelijke. Ieder die dit altaar zag, en bemerkte dat het nooit gebruikt werd om er brandoffers of offeranden op te offeren, zou vragen wat er de betekenis en bedoeling van is, en op die vraag zou geantwoord worden, dat het door deze afgezonderde stammen gebouwd was ten teken van hun gemeenschap met hun broederen en hun gezamenlijk deel met hen in het altaar des Heeren. Christus is het grote altaar, dat iedere gave heiligt, het beste bewijs van ons deel in Hem zal de gestaltenis Zijns Geestes wezen in ons hart en onze gelijkvormigheid met Hem. Indien wij deze kunnen overleggen, dan zal het een getuigenis wezen voor ons, dat wij deel hebben aan de Heere, en het zal ons ten onderpand zijn, dat wij zullen volharden Hem na te volgen.