Jozua 21:43-45
Hier hebben wij het slot van geheel deze zaak, een korte opsomming van de voorafgaande geschiedenis, en om er te meer glans aan bij te zetten, wordt zij vergeleken met de belofte, waarvan zij de volkomen vervulling was. Gods woord en Gods werken helderen elkaar op. Uit de vervulling blijkt dat de belofte waar was, en de belofte doet zien hoe goed en vriendelijk de vervulling is.
1. God had beloofd het land Kanaän aan het zaad van Abraham tot een erfdeel te geven, en nu heeft Hij die belofte ten laatste vervuld. Zij beërfden het en woonden daarin. Hoewel zij dikwijls de gunst van die belofte hadden verbeurd, en God de vervulling ervan lang had uitgesteld, zijn nu toch ten laatste alle moeilijkheden overwonnen, en Kanaän is van hun. En even zeker is de belofte van het hemelse Kanaän aan geheel het geestelijk Israël Gods want het is de belofte van Hem, die niet liegen kan.
2. God had beloofd hun rust te geven in dat land, en nu hadden zij rust van rondom. Rust van de vermoeienissen van hun reis door de woestijn waarvan zij het verdrietige heen en weertrekken misschien nog lang in hun gebeente gevoeld hebben, rust van hun oorlogen in Kanaän, en de plotselinge aanvallen van hun vijanden, waaraan zij in de beginne blootstonden. Zij woonden nu niet slechts in hun eigen huizen, maar in huizen, die hun rust en vrede boden. Hoewel er nog Kanaänieten in het land waren overgebleven, had toch geen van hun kracht of moed genoeg om hen aan te vallen, of hen ook maar te ontrusten. Deze rust duurde voort totdat zij door hun eigen zonden en dwaasheden zelf doornen in hun eigen legerstede en hun eigen ogen brachten.
3. God had beloofd hun overwinning en voorspoed te geven in hun oorlogen, en ook deze belofte is vervuld, daar bestond niemand voor hun aangezicht, vers 44. In elke veldslag hadden zij de bovenhand, en waar hun krijgsmacht ook heenging, overal hadden zij voorspoed. Weliswaar, in vele delen des lands waren nog Kanaänieten overgebleven, die hun later het hoofd zullen bieden en zeer geducht zullen worden. Maar:
a. Wat er nu nog van de Kanaänieten was overgebleven, was niet in tegenspraak met de belofte, want God had gezegd, dat Hij hen niet terstond maar allengskens voor hun aangezicht zou uitdrijven, Exodus 23:30. Zij hadden nu het volle bezit van zoveel als zij nodig hadden, en als zij handen hadden om het te bewerken, zodat de Kanaänieten slechts in bezit bleven van sommige delen van het land, die het minst bebouwd waren, om ze te bearbeiden en er het vermenigvuldigen van de wilde dieren te voorkomen, totdat Israël, in verloop van tijd, talrijk genoeg zou zijn om geheel het land te bezetten.
b. Wat betreft het latere overmogen van de Kanaänieten, dat was zuiver en alleen het gevolg van Israëls lafhartigheid en traagheid, en de straf voor hun zondige neiging tot de afgoderijen en andere verfoeiselen van de heidenen, die de Heere voor hun aangezicht uitgeworpen zou hebben, maar zij hebben ze verdragen en geherbergd.
Zodat het vaste fondament Gods staat, Israëls ervaring van Gods trouw staat hier geregistreerd, als een bewijs van ontvangst met hun handtekening tot eer van God, aan wiens belofte zij zo dikwijls getwijfeld hadden en ter bemoediging van alle gelovigen tot aan het einde van de wereld. Daar viel niet een woord van al de goede woorden, neen, noch iets van enig goed ding, (zo volledig is hier de uitdrukking) die de Heere gesproken had tot den huize Israëls, ter bestemder tijd kwam het allemaal, vers 45. Zulk een erkentenis als deze is, ondertekend door Jozua in de naam van geheel Israël, vinden wij later gedaan door Salomo, en geheel Israël heeft er metterdaad Amen op gezegd, 1 Koningen 8:56 . De onverbreekbare waarheid van Gods belofte, en de volkomen vervulling er van is hetgeen waaraan alle heiligen hun getuigenis geven, en indien zij in iets gefaald heeft, of tekort is gekomen, dan waren zij even bereid te erkennen, dat de schuld daarvan alleen bij hen gezocht moest worden.