Jozua 20:7-9
Hier worden de vrijsteden in het land Kanaän genoemd, die volgens het advies en op gezag van Jozua en de oversten daartoe afgezonderd werden, vers 7, en bij deze gelegenheid worden ook de namen nog eens genoemd van de vrijsteden in het lot van de twee en een halve stam, die door Mozes waren aangewezen, Deuteronomium 4:43, maar (zoals bisschop Patrick denkt) het voorrecht daarvan hadden zij totnutoe nog niet gehad, maar kwam nu pas in werking.
1. Zij worden gezegd, die steden geheiligd te hebben, vers 7. Niet, dat er enigerlei plechtigheid plaatshad om ze als het ware te wijden, maar zij hebben ze door een openlijke afkondiging plechtig tot vrijsteden verklaard, en als zodanig ze geheiligd aan de ere Gods als de beschermer van de in gevaar verkerende onschuld. Zij dienden tot een toevlucht als in een heiligdom of aan het altaar, en dus kan ook gezegd worden dat zij geheiligd waren. Christus, onze toevlucht, was geheiligd door Zijn Vader, ja, om onzentwil heeft Hij zich geheiligd, Johannes 17:19.
2. Deze steden (evenals die aan de andere kant van de Jordaan) lagen in drie onderscheiden delen des lands, en wel zo gerieflijk, dat een man (naar men zegt) één er van iedere hoek van het land in een halve dag kon bereiken. Kedes was in Nafthali, de noordelijkste en Hebron in Juda de zuidelijkste stam, Sichem lag in Efraïm, dus in het midden des lands, op ongeveer gelijke afstand van de twee anderen. God is een toevlucht, die nabij is.
3. Het waren allen Levietensteden, waardoor eer gelegd werd op Gods stam, hen tot rechters aanstellende in die gevallen, waarin de voorzienigheid Gods zo nauw betrokken was en tot beschermers van onschuldigen, die in gevaar waren. Het was ook een vriendelijkheid voor de arme vluchteling, daar hij, als hij niet mocht opgaan tot het huis des Heeren Zijn voorhoven niet mocht betreden, toch de dienaren van Gods huis in zijn nabijheid had, om hem te onderwijzen, voor hem te bidden, en hem enige vergoeding te bieden voor het gemis van de openbare inzettingen. Indien hij opgesloten moet zijn, dan zal het in een Levietenstad wezen, waar hij, zo hij wil, een goed gebruik kan maken van zijn tijd.
4. Deze steden lagen op bergen, om van verre gezien te kunnen worden, want een stad op een berg kan niet verborgen zijn, en dit zal voor de armen in benauwdheid verkerenden man een aanmoediging zijn en hem de weg er heen wijzen. En hoewel hierdoor zijn weg ten laatste bergopwaarts moest gaan, was het hem toch een troost, dat hij er spoedig zijn zou, dus spoedig in veiligheid zou zijn, en zo hij slechts een van de voorsteden er van kon bereiken, dan was het wèl met hem.
5. Sommigen zien een betekenis in de namen van deze steden met toepassing op Christus, onze toevlucht. Ik houd niet van een spitsvondig zoeken naar betekenissen in alle namen die in de Schrift voorkomen, maar toch wil ik gaarne op deze achtslaan. Kedes betekent heilig, en onze toevlucht is de heilige Jezus. Sichem, een schouder, en de heerschappij is op Zijn schouder. Hebron, gemeenschap, en de gelovigen zijn geroepen tot gemeenschap met Christus Jezus, onze Heere. Bezer, een sterkte want Hij is een sterkte voor allen, die op Hem bebouwen. Ramoth, hoog of verhoogd, want God heeft Hem verhoogd aan Zijn rechterhand. Golan, blijdschap, of gejuich, want in Hem zijn al de heiligen gerechtvaardigd, en in Hem zullen zij roemen. Eindelijk. Behalve al deze steden waren ook de horens van het altaar, waar dit ook stond, een toevlucht voor hem, die ze aangreep, indien de misdaad van zo'n aard was, dat het voorrecht van de toevlucht tot het heiligdom kon worden toegestaan. Dit ligt opgesloten in de wet, Exodus 21:14, dat een moedwillige moordenaar van Gods altaar weggenomen en ter dood zal worden gebracht. En wij vinden het altaar tot dat doel gebruikt in 1 Koningen 1:50, 2:28. Christus is ons altaar, die niet slechts "de gaven heiligt," maar de gever beschermt.