Jozua 18:2-10
I. Jozua bestraft de stammen, die nog niet gevestigd waren, omdat zij niets deden om een vestiging te verkrijgen in het land, dat God hun gegeven had. Er waren nog zeven stammen, die hun erfdeel moesten ontvangen zij waren zeker van het te zullen verkrijgen, maar wisten niet waar het zijn zou, en zij schijnen er zich niet zeer om bekommerd te hebben, vers 2. En nu redeneert Jozua met hen. Hoe houdt gij u zo slap? vers 3.
1. Zij waren al te zeer ingenomen met hun tegenwoordigen toestand, vonden het geheel niet kwaad om allen bij elkaar te wonen, en evenals de Babelbouwers, hadden zij geen zin om uit elkaar te gaan, zich te verspreiden, en elkanders goed gezelschap te verlaten. De roof van de steden, die zij genomen hadden, stelde hen instaat om voor het tegenwoordige ruim te leven, en aan de toekomst wilden zij niet denken. Misschien waren de stammen van Juda en Jozef, die hun erfdeel reeds ontvangen hadden in de naburige landstreken, edelmoedig om hun broederen te onthalen, die nog niet voorzien waren, zodat zij van het ene goede huis naar het andere gingen onder hun vrienden, waarmee zij, inplaats van wrok te koesteren omdat zij voor het ogenblik nog moesten wachten op hun erfdeel, zó tevreden waren dat zij er niet op gesteld waren om nu al eigen huizen te hebben.
2. Zij waren traag en tot uitstellen geneigd Zij wensten misschien wel dat die zaak reeds geregeld was, maar hadden de geestkracht niet om er zelf iets voor te doen, al was dit nog zozeer in hun eigen voordeel, evenals de luiaard, "die zijn hand in de boezem verbergt, en te moede is om die weer tot zijn mond te brengen." De landstreken, die nog verdeeld moesten worden, lagen op een afstand, sommigen er van waren nog in de handen van de Kanaänieten. Indien zij er nu bezit van gaan nemen, dan moeten de steden herbouwd of gerestaureerd worden, zij moeten hun kudden ver heendrijven, hun vrouwen en kinderen naar vreemde, hun onbekende plaatsen brengen, en dat kan niet zonder veel zorg en moeite geschieden, en zonder veel ontberingen te lijden, en zo: "Wie op de wind acht geeft, zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, zal niet maaien," Prediker 11:4 Door schijnbare moeilijkheden wordt menigeen afgehouden van zijn plicht, en belet om te genieten van hetgeen het zijne is. God heeft ons door Zijn genade recht gegeven op een goed land, het hemelse Kanaän, maar wij houden ons slap om er bezit van te nemen, wij gaan niet in tot die rust, zoals wij het door geloof, en hoop, en heilige blijdschap zouden kunnen, wij leven niet in de hemel, zoals wij er in zouden kunnen leven als wij bedachten de dingen, die boven zijn, en daar onze wandel hadden. Hoelang zal het aldus met ons zijn? Hoelang nog zullen wij onszelf in het licht staan, en voor valse ijdelheden onze weldadigheid verlaten. Jozua was zich bewust van het schadelijke van deze vertraging, want terwijl zij verzuimen bezit te nemen van het veroverde land, zullen de Kanaänieten hun krachten verzamelen, zal hun moed weer verlevendigd worden, zullen zij zich gaan versterken in de plaatsen, die zij nog in handen hebben, waardoor het zoveel te moeilijker zal zijn hen volkomen te verdrijven. De Israëlieten zullen hun voordeel verliezen door hun overwinningen niet voort te zetten. "Gelijk dus een arend zijn nest opwekt," zo wekt Jozua hen op om bezit te nemen van hun erfdeel. Hij is bereid het zijne te doen, zo zij slechts het hun willen doen.
II. Hij stelt hun een methode voor om zich te vestigen.
1. Het land, dat nog overbleef, moest in ogenschouw genomen en beschreven worden een onderzoek worden ingesteld naar de steden en de landerijen, die er toe behoorden, vers 4. Dezen moeten verdeeld worden in zeven gelijke delen, waarbij zij het oog moeten hebben op de waarde van de steden en velden, die zij zo nauwkeurig mogelijk moesten schatten, zowel als op het aantal van de steden en de uitgestrektheid van het land. Juda is gevestigd ten zuiden, en Jozef ten noorden van Silo, om de tabernakel te beschermen, vers 5, en daarom behoeven zij hun land niet te beschrijven, doch alleen in die landen, welke nog niet verdeeld waren. Hij geeft een reden op, waarom zij het slechts in zeven delen moeten verdelen, namelijk omdat de Levieten geen tijdelijke goederen moesten hebben, zij moesten leven van hun prebenden. "Het priesterschap des Heeren is hun erfdeel," en het was een ruim en aanzienlijk erfdeel. Gad en Ruben en de halve stam van Manasse waren reeds gevestigd, voor hen behoefde dus niet verder gezorgd te worden.
A. Drie mannen werden aangesteld uit ieder van de zeven stammen, die hun erfdeel nu moesten ontvangen, om het land op te nemen, vers 4, in het geheel dus een en twintig. Om meerderen spoed te betrachten, daar zij reeds zoveel tijd hadden verloren, hebben zij zich misschien verdeeld in drie groepen, bestaande uit een man van iedere stam, die dan ieder een district in ogenschouw gingen nemen. Aldus werd de zaak in gelijke handen gegeven, opdat er geen partijdigheid zou zijn in het vaststellen van de zeven delen, en geen achterdocht zou worden opgewekt, maar allen overtuigd zouden zijn dat hun recht gedaan werd.
B. De beschrijving werd aldus gedaan en tot Jozua gebracht, vers 8, 9. Josephus zegt dat zij er zeven maanden op hebben doorgebracht. En wij hebben er bij op te merken het geloof en de moed van de personen, die hiervoor gebruikt werden. Er waren nog zeer veel Kanaänieten in het land, allen in woede ontstoken tegen Israël, als een beer, die van de jongen beroofd is. Het zal spoedig bekend worden wat die mannen komen doen, en wat konden zij anders verwachten dan belaagd, overrompeld en gedood te worden? Maar in gehoorzaamheid aan Jozua's bevel en steunende op Gods macht, hebben zij aldus hun leven gewaagd om hun land te dienen.
b. De goede voorzienigheid Gods in hen te beschermen tegen de vele doden waaraan zij blootgesteld waren, en hen allen weer veilig in het leger te Silo terug te brengen. Als wij ons op de weg des plichts bevinden, dan zijn wij onder de bijzondere bescherming des Almachtigen.
2. Nadat het land beschreven en in zeven delen verdeeld was, heeft Jozua door een beroep op God en onder Zijn leiding, bepaald welk deel aan iederen stam zou toebehoren, vers 6. Dat ik voor ulieden het lot hier werpe bij de tabernakel, (omdat het een heilige handeling was) voor het aangezicht des Heeren onzes Gods, op wie elke stam het oog moet hebben, met dankbaarheid voor de gerieflijkheden, en met onderworpenheid en berusting onder de ongerieflijkheden van hun lot. Wij moeten Gods recht van eigendom erkennen in hetgeen wij hebben in de wereld, en er over beschikken als voor Zijn aangezicht met rechtvaardigheid, en liefde, en afhankelijkheid van Zijn voorzienigheid. Het hemelse Kanaän is ons beschreven in het Boek, het Boek van de Schriften, en daar zijn woningen en delen genoeg voor geheel het geestelijk Israël Gods. Christus is onze Jozua, die het onder ons verdeelt, tot Hem moeten wij ons wenden voor een erfdeel met de heiligen in het licht. Zie Johannes 17:2, 3.