Jozua 15:13-19
De geschiedschrijver schijnt behagen te hebben in iedere gelegenheid om gewag te maken van Kaleb en hem te eren, omdat hij God geëerd heeft door te volharden in Hem na te volgen. De schenking, die Jozua hem deed van het gebergte van Hebron voor zijn erfdeel, wordt hier herhaald, vers 13. En het wordt gezegd hem gegeven te zijn:
1. Naar de mond des Heeren tot Jozua. Hoewel Kaleb zijn goed recht er op bewezen had door de belofte, heeft toch Jozua, omdat God hem bevolen had het land te verdelen door het lot, ook in dit een geval, al was het om zijn oude vriend Kaleb genoegen te doen zonder order van God wiens orakel hij waarschijnlijk bij deze gelegenheid heeft geraadpleegd niet anders willen handelen. Het is zeer wenselijk om voor iedere twijfelachtige zaak de wil van God te kennen en duidelijk te zien wat onze plicht is.
2. Het wordt gezegd een deel te zijn in het midden van de kinderen van Juda, hoewel het hem toegewezen was voordat het land door het lot verdeeld werd, bleek toch dat God het lot zo bestuurd had, dat dit deel in het hart van de stam lag, hetgeen genadiglijk aldus in vriendelijkheid voor hem beschikt was, opdat hij niet zou zijn als een, die afgescheiden is van zijn broederen, en omringd door die van andere stammen.
Kaleb deze schenking verkregen hebbende, wordt ons nu gezegd:
I. Hoe hij zich onderscheidde door zijn eigen dapperheid in de verovering van Hebron, vers 14. Hij verdreef van daar de drie zonen Enaks, hij en degenen, die hij aannam om hem in deze te helpen. Dit wordt hier vermeld om te tonen, dat hij zich in zijn vertrouwen op een goede uitslag van deze zaak, zo de Heere met hem was, Hoofdstuk 14:12 niet heeft bedrogen, maar dat de uitkomst aan de verwachting heeft beantwoord. Er wordt niet gezegd, dat hij deze reuzen gedood heeft, maar dat hij hen van daar verdreef, hetgeen te kennen geeft dat zij zich op zijn nadering hebben teruggetrokken, voor zijn aangezicht zijn gevloden, de kracht en statuur van hun lichaam konden de moed van hun geest niet ophouden, zij hadden het aangezicht van een leeuw, maar het hart van een sidderende haas. Zo snijdt "God dikwijls de geest van de vorsten af als druiven," Psalm 76:13, "neemt Hij het hart van de hoofden des volks weg," Job 12:24, en beschaamt aldus het vertrouwen van de hovaardigen, en als wij de duivel, die briesenden leeuw, weerstaan, dan zal hij, al valt hij ook niet, toch vlieden.
II. Hoe hij de dapperheid aanmoedigde van degenen, die hem omringden bij de verovering van Debir, vers 15 en verv. Jozua had zich al eens meester gemaakt van Debir, Hoofdstuk 10:39, maar de Kanaänieten schijnen het gedurende de afwezigheid van het leger hernomen te hebben, zodat dit werk nog eens gedaan moest worden, en toen Kaleb de tenonderbrenging van Hebron, dat voor hem en zijn geslacht was, voltooid had, heeft hij, om te tonen dat het algemene welzijn hem even na aan het hart lag als zijn bijzonder belang, zijn krijgstocht voortgezet, en zo toog hij naar Debir en wilde de wapenen niet nederleggen vóór hij ook die stad, die op slechts drie uren afstands ten zeiden van Hebron lag, voorgoed tenonder gebracht ziet, al had hij daar ook geen bijzonder belang bij, maar de onderwerping er van zal zijn stam in het algemeen ten goede komen. Laat ons hieruit leren, om niet aan onze zaken alleen te denken, niet deze alleen te zoeken maar voor het welzijn te zorgen van de gemeenschap waartoe wij behoren, wij zijn niet voor onszelf alleen geboren, en moeten niet voor onszelf alleen leven.
1. Er wordt hier nota genomen van de naam dier stad, tevoren werd zij Kirjath-Sefer, de stad eens boeks, genoemd, en Kirjath-Sanna dat sommigen vertalen in "de stad van de geleerdheid," aldus de LXX, "Polis grammatoon" vanwaar sommigen denken dat het een academiestad geweest is onder de Kanaänieten, zoals Athene in Griekenland, waar hun jongelingen opgeleid werden, of wellicht werden daar de boeken hunner kronieken, of gedenkschriften van de oudheden van hun volk bewaard, en het zou kunnen zijn, dat dit het was, waarom Kaleb zo begeerde Israël meester te zijn van deze stad, opdat zij bekend zouden worden met de oude geleerdheid van de Kanaänieten.
2. Het aanbod van Kaleb om zijn dochter en een goeden bruidsschat met haar, te geven aan hem, die het op zich nam om die stad tenonder te brengen, en het bevel zou voeren over de krijgsmacht, die tot deze dienst gebruikt werd, vers 15. Zo heeft Saul zijn dochter beloofd aan hem, die Goliath zou doden, I Samuël 17:25. Geen van beide bedoelde zijn dochter tot een huwelijk te dwingen met iemand, die zij niet konden liefhebben, maar beide vertrouwden op de gehoorzaamheid hunner dochters en haar onderworpenheid aan de wil haars vaders, al zou het dan ook tegen haar zin of neiging ingaan. Kalebs geslacht was niet slechts aanzienlijk en rijk, zijn huisgezin was ook Godsdienstig, hij, die zelf volhard heeft de Heere na te volgen, heeft ongetwijfeld ook zijn kinderen geleerd dit te doen, en daarom kon het niet anders dan een begerenswaardig huwelijk zijn voor een jongen man van goeden huize. Met dit voorstel beoogt Kaleb:
a. Dienst te bewijzen aan zijn land door deze belangrijke plaats tenonder te brengen, en:
b. Zijn dochter goed uit te huwelijken aan een man van geleerdheid, die een bijzondere voorliefde had voor de boekenstad, en een krijgsman, die zijn vaderland goed zal dienen, en zich verdienstelijk zal maken in zijn geslacht. Als hij zijn kind aan een man van die hoedanigheid ten huwelijk kon geven, dan zou hij haar goed getrouwd achten, hetzij dan zijn deel in het lot van zijn stam groot of klein was.
3. De plaats werd kloekmoedig veroverd door Othniël, een neef van Kaleb, die hij waarschijnlijk in zijn gedachten had, toen hij het aanbod deed, vers 17. Deze Othniël, die zich aldus heeft onderscheiden toen hij jong was, werd lang daarna, op gevorderden leeftijd, door de Geest geleid om beide een verlosser en een richter te zijn van Israël. Het is goed voor hen die de wereld ingaan, om reeds vroeg te beginnen met hetgeen goed en groot is, opdat zij, uitmuntende in de dienst als zij jong zijn, voortreffelijk kunnen zijn in eer, als zij oud zijn geworden.
4. Othniël heeft toen Achsa zijn volle nicht en Kalebs dochter, gehuwd. waarschijnlijk had hij haar tevoren reeds lief, hetgeen hem aanspoorde tot die stoute onderneming ten einde haar te verkrijgen. Liefde tot zijn land, eerzucht en de begeerte om de gunst te verkrijgen van de oversten zijns volks, zouden hem misschien niet tot die grote daad hebben aangespoord, maar zijn liefde voor Achsa deed het, want het denkbeeld was hem ondraaglijk, dat iemand anders meer zou doen dan hij om haar gunst te winnen, en zo werd hij dan met deze grootmoediger ijver bezield. Aldus is liefde sterk als de dood, en de ijver hard als het graf. 5. Omdat de gewijde geschiedschrijver nu de verdeling des lands verhaalt, geeft hij ons meteen een bericht van Achsa's huwelijksgift, die in land bestond, als van meerdere waardij, omdat het krachtens de Goddelijke belofte bezeten werd, hoewel wij kunnen veronderstellen, dat de veroveraars van Kanaän, die de buit roofden van zoveel rijke steden, ook wel veel geld zullen gehad hebben.
A. Zij verkreeg enig land door Kalebs vrije schenking, hetgeen haar vergund was, omdat zij binnen haar stam en geslacht huwde zoals ook de dochteren van Zelafead gedaan hebben. Hij gaf haar een zuidland, vers 19. Wèl land maar een zuidland, dat licht dor en onvruchtbaar werd.
B. Op haar verzoek verkreeg zij meer. Zij had gewild dat haar echtgenoot om een veld gevraagd had, een bijzonderen akker of vlak land waarschijnlijk, dat tot Kalebs lot behoorde, en belendde aan dat zuidland dat hij aan zijn dochter als huwelijksgift had geschonken. Zij dacht dat haar echtgenoot de meesten invloed zou hebben op haar vader, die ongetwijfeld zeer voldaan was overzijn schitterende heldendaad, maar hij vond dat het beter voegde, dat zij er om vroeg en meer waarschijnlijk bij haar vader zou overmogen. Dienovereenkomstig handelde zij dan ook, zich onderwerpende aan het oordeel van haar man, al was dit ook in strijd met haar mening, en zij heeft de zaak met veel overleg behandeld.
a. Zij nam de gelegenheid waar, dat haar vader haar naar het huis van haar echtgenoot bracht, toen hij in de blijdschap van zijn dochter zo goed gevestigd te zijn, niets te veel zou achten om voor haar te doen.
b. Zij sprong van de ezel af, ten teken van eerbied voor haar vader die zij nog even hoog wilde eren als vóór haar huwelijk. Zij weende of zuchtte op haar ezel, zoals de LXX het hier hebben, evenals ook de Vulgata. Zij gaf enige droefheid en zorg te kennen, teneinde aan haar vader de gelegenheid te geven om te vragen wat zij verlangde.
c. Zij noemt wat zij begeerde een zegen, omdat het zoveel zou bijdragen om haar vestiging aangenamer en gerieflijker te maken, en zij was er zeker van dat haar vader, daar zij niet slechts met zijn toestemming getrouwd was, maar in gehoorzaamheid aan zijn bevel, haar deze zegen niet zou weigeren.
d. Zij vraagt slechts om het water, want zonder dit zou de grond, die zij had, van weinig nut zijn, hetzij als bouwland of als weideveld, maar zij bedoelt het land, waarin de waterwellingen zijn, de bescheidenheid en het redelijke van haar verzoek waren zeer in haar voordeel. Aarde zonder water zou als een boom zijn zonder sap, of het lichaam van een dier zonder bloed, daarom heeft God, toen Hij de wateren in een plaats vergaderde, wijselijk en genadiglijk er in elke plaats iets van gelaten, opdat de aarde verrijkt zou worden ten dienste van de mens. Zie Psalm 104:10 en verv. Achsa bereikte haar doel, haar vader gaf haar wat zij vroeg, en misschien nog wel meer, want hij gaf haar hoge waterwellingen en lage waterwellingen. Het waren twee velden, aldus genaamd naar de bronnen, die erin waren, zoals wij gemeenlijk onderscheiden tussen het hoge land en het lage land. Zij, die dit hier van slechts een veld verstaan, besproeid beide door de regens van de hemel, en de bronnen die uit het hart van de aarde opwelden, ondersteunen hiermede de toespeling, die wij hier gewoonlijk op maken, als wij bidden om geestelijke en hemelse zegeningen, die betrekking hebben op onze ziel, als zegeningen van de hoge waterwellingen, en die welke betrekking hebben op het lichaam en het tegenwoordige leven, als zegeningen van de lage waterwellingen.
Uit deze geschiedenis leren wij:
Ten eerste. Dat het geen overtreding is van het tiende gebod om in bescheidenheid de gemakken en gerieflijkheden van dit leven te begeren, als wij zien, dat zij op een goede en regelmatige wijze verkregen kunnen worden.
Ten tweede. Dat man en vrouw onderling te rade moeten gaan en samen moeten overeenkomen voor hetgeen ten algemenen nutte is voor hun gezin, en nog veel meer moeten zij samen overeenkomen om van hun hemelse Vader de beste zegeningen te vragen, die namelijk van de hoge waterwellingen.
Ten derde. Dat ouders nooit datgene verloren moeten achten, wet aan hun kinderen tot hun wezenlijk voordeel gegeven is, maar vrijgevig moeten zijn om hun niet alleen het nodige onderhoud maar ook huwelijksgoed te schenken, inzonderheid als zij gehoorzame kinderen zijn. Kaleb had zonen, I Kronieken 4:15, h en toch gaf hij zo'n ruim deel aan zijn dochter. Die ouders vergeten zich en de betrekking, waarin zij staan tot hun kinderen die hun ontzeggen wat gerieflijk voor hen is, als zij het zonder ongerief voor zichzelf kunnen missen.