Jozua 15:1-12
Juda en Jozef waren de twee zonen van Jakob op wie Rubens verbeurd geboorterecht is overgegeven. Aan Juda is de heerschappij ten deel gevallen, aan Jozef het dubbele deel, en daarom zijn deze twee stammen het eerst gevestigd, Juda in het zuidelijk deel van het land Kanaän, en Jozef in het noordelijk deel, aan de overige zeven stammen werden erfdelen gegeven, die als aanhangsels waren van deze twee. De erfdelen van Benjamin, Simeon en Dan waren aanhangsels van Juda, die van Issaschar, Zebulon, Nafthali en Aser van Jozef. Deze twee werden het eerst voorzien, nog vóór er zo'n nauwkeurig overzicht van het land was, als wij later zullen bevinden, Hoofdstuk 18:9. Waarschijnlijk zijn de aanzienlijkste delen van de noordelijke en zuidelijke gewesten, en die welke het dichtst bij Gilgal lagen, en waarmee het volk het best bekend was, eerst in twee delen verdeeld, en is het lot tussen deze twee voornaamste stammen geworpen, van de ene was Jozua, van de andere Kaleb, die de eerste commissaris was bij deze verdeling, en door de beslissing van dit lot werd het zuidelijk deel aan Juda toegewezen, waarvan wij het bericht hebben in dit hoofdstuk, en het noordelijk deel aan Jozef, waarvan wij het bericht hebben in de twee volgende hoofdstukken. En toen dit afgedaan was, bleef er van het overige een meer gelijk dividend te verdelen (gelijk zowel in hoeveelheid als in hoedanigheid) onder de zeven stammen. En dit was waarschijnlijk bedoeld met de algemene regel, die voor deze verdeling gegeven was, Numeri 33:54 "dengenen, die velen zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en die die weinigen zijn, zult gij hun erfenis minder maken, waarhenen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben, " dat is: "Gij zult twee grotere delen vaststellen, die door het lot aan de talrijker stammen van Juda en Jozef toegewezen zullen worden, en dan zal het overige kleinere delen bevatten, die aan de minder talrijke stammen toegewezen zullen worden." Het eerste geschiedde te Gilgal, het laatste te Silo.
In deze verzen hebben wij de grenzen van het erfdeel van Juda, dat, evenals de overigen, gezegd wordt te zijn: naar hun huisgezinnen dat is met het oog op het aantal hunner huisgezinnen. En het geeft te kennen dat Jozua en Eleazar en de overige commissarissen, na aan iederen stam zijn lot gegeven te hebben van deze grote delen onderverdelingen hebben gemaakt, (waarschijnlijk wederom door het lot), om aan ieder geslacht zijn erfdeel aan te wijzen, en daarna aan ieder huisgezin, hetgeen beter kon geschieden door dit oppergezag, en minder misnoegen zou opwekken, dan indien het aan de mindere magistraten van iederen stam was overgelaten, om deze verdeling te maken. De grenzen van die stam worden hier uitvoerig beschreven, maar toch niet onveranderlijk vastgesteld, want veel van hetgeen hier binnen deze landpalen valt, werd later bij de erfdelen van Simeon en Dan gevoegd.
1. De oostzijde werd alleen door de Zoutzee begrensd, vers 5. Iedere zee is zout, maar deze was buitengewoon en meer dan natuurlijk zouthoudend, het gevolg en de uitwerking van het vuur en de zwavel, waarmee in Abrahams tijd Sodom en Gomorra verwoest werden, welker ruïnen begraven liggen op de bodem van dit dode water, dat nooit uit zichzelf wordt bewogen, en waarin zich geen levend wezen bevindt.
2. De zuidelijke grens was die van het land Kanaän in het algemeen, hetgeen blijken zal door vers 1-4 te vergelijken met Numeri 34:3-5. Zodat deze machtige en krijgshaftige stam van Juda de grenzen van het gehele land bewaarde naar de zijde, die tegen hun oude gezworen vijanden, de Edomieten (hoewel beider vaders tweelingbroeders waren) gekeerd lag. Daarom zal onze Heere, die "uit Juda gesproten is," en wiens "het koninkrijk is, Ezau's gebergte richten," Obadja: 21. 3. Door de noordelijke grens werd het van het erfdeel van Benjamin gescheiden. Hier wordt melding gemaakt van de steen van Bohan, een Rubeniet, vers 6, die waarschijnlijk een voornaam bevelhebber was in de krijgsmacht van Ruben, die over de Jordaan gekomen is, in het leger te Gilgal stierf, en niet ver van daaronder deze steen werd begraven. Ook het dal van Achor ligt binnen deze grens, vers 7, om de mannen van Juda te herinneren aan de beroering, die door Achan, een van hun stam, veroorzaakt werd aan de vergadering Israëls, opdat zij zich niet te veel zouden verheffen op hun diensten. Deze noordelijke grenslijn raakte dicht aan Jeruzalem, vers 8, zó dicht, dat de berg Zion binnen het erfdeel van deze stam lag, evenals de berg Moria, hoewel het grootste gedeelte van de stad binnen het erfdeel van Benjamin lag.
4. De westergrens naderde eerst de Grote Zee, vers 12, maar later werd aan die zijde een groot deel van het erfdeel van Juda afgenomen en aan Dan gegeven, want het lot moest alleen tussen Juda en Jozef beslissen, wie van hen het noordelijk, en wie het zuidelijk deel zou hebben, maar hun grenzen niet onveranderlijk vaststellen.
Aan Juda werden de grenzen van zijn erfdeel voorgeschreven, hoewel hij een machtige, krijgshaftige stam was en groten invloed had op de andere stammen, moet het toch niet aan zijn goedvinden worden overgelaten om zijn bezittingen naar eigen welgevallen uit te breiden, neen, hij moet zo leven en wonen, dat ook de andere stammen met hem kunnen leven en wonen. Zij, die hooggeplaatst zijn, moeten toch niet denken dat zij "alleen inwoners gemaakt zijn in het midden des lands."