Jozua 12:7-24
Wij hebben hier een kort overzicht van Jozua's veroveringen.
I. De grenzen van het door hem veroverde land, het lag tussen de Jordaan in het oosten en de Middellandse Zee ten westen, en strekte zich uit van Baäl-Gad nabij de Libanon in het noorden, tot Halak, of de kalen berg, nabij het land van Edom in het zeiden, vers 7. Die grenzen zijn uitvoeriger beschreven in Numeri 34:2 en verv., de beschrijving hier is voldoende om te tonen dat God Zijn woord gestand heeft gedaan, en hun het bezit heeft gegeven van al het land, dat hun door Mozes beloofd was, zo zij het slechts hadden willen houden.
II. De verschillende soorten van landstreken, die daar gevonden werden, en bijdroegen tot zijn schoonheid en vruchtbaarheid, vers 8. Er waren bergen, niet ruw, rotsachtig en onvruchtbaar, schrikwekkend voor de reiziger, en nutteloos voor de inwoner neen, het waren vruchtbare heuvelen, die uitnemende dingen voortbrachten, Deuteronomium 33:15, het oog van de beschouwer bekoorden, en de hand des eigenaars vulden. En dalen, niet mossig en moerassig, maar bedekt met koren, Psalm 65:14. Er waren vlakten, en bronnen om ze te bewateren, en zelfs in dat rijke land waren ook woestijnen en bossen, die niet zo dicht bevolkt waren als de andere delen van het land, maar waar toch steden en huizen waren, en die als tegenhangers dienden om het lieflijke en vruchtbare van de andere delen te beter te doen uitkomen.
III. De onderscheidene volken, die dit land in bezit gehad hebben: Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, enz, allen afstammelingen van Kanaän, de gevloekten zoon van Cham, Genesis 10:15-18. Zeven volken worden zij genoemd, Deuteronomium 7:1, en zovelen worden daar ook geteld, maar hier worden slechts zes genoemd daar de Girgasieten of verloren waren, of uitgelaten zijn, hoewel wij hen vinden in Genesis 10:16, 15:21 Zij waren of ingelijfd bij andere van deze volken, of, zij hebben volgens de overlevering van de Joden op de nadering van Israël onder Jozua, zich teruggetrokken naar Afrika, hun land overlatende om door Israël in bezit te worden genomen, daar zij zagen dat het nutteloos was om tegen hen te strijden weshalve zij niet genoemd worden onder de volken, die door Jozua tenonder waren gebracht.
IV. Een lijst van de koningen, die door Israëls zwaard overwonnen en tenonder werden gebracht, sommigen op het slagveld, en anderen in hun steden. Allen tezamen een en dertig koningen, zeer bijzonder genoemd en geteld, in de orde, naar het schijnt, waarin zij overwonnen waren, want de catalogus begint met de koningen van Jericho en Ai, noemt dan de koning van Jeruzalem, en de koningen van het zuiden, die met hem in verbond waren, en gaat: dan over tot die van de noordelijke verbintenis.
1. Dit nu toont welk een vruchtbaar land. Kanaän toen geweest is, daar het zoveel koninkrijken kon onderhouden en waarin zoveel koningen verkozen dicht bij elkaar te blijven, veeleer dan zich te verspreiden naar andere landen, die wij nog onbewoond kunnen onderstellen, doch waar zij wèl meer ruimte, maar niet zoveel overvloed en genot zouden vinden. Dit was het land, dat God voor Israël had uitgespeurd, en toch is het heden een van de onvruchtbaarste, onnuttigste landen van de wereld. Zodanig is de vloek, die er op rust, sedert zijn bezitters Christus en Zijn Evangelie hebben verworpen, zoals door Mozes voorzegd is, Deuteronomium 29:23. 2. Het toont binnen welke enge grenzen de eerzucht van de mensen toen beperkt bleef. Ieder van deze koningen stelde zich tevreden met de regering over één stad met de vlekken en dorpen, die er bij behoorden, en voor zoveel blijkt, heeft niemand van hun er naar gestreefd om zich van de overigen meester te maken, maar als het nodig was, verenigden zij zich om de veiligheid van allen te verzekeren. Toch, schijnt het dat de beperktheid van hun macht wegens de kleine uitgestrektheid van hun grondgebied, vergoed werd door het onbeperkte van hun gezag, daar hun onderdanen allen in volstrekte zin en in alles van hen afhankelijk waren.
3. Het toont hoe goed God was voor Israël door hun de overwinning te geven over al deze koningen, en het bezit van al hun koninkrijken, en welke verplichting zij hierdoor op zich namen om "Zijn inzettingen te onderhouden en Zijn wetten te bewaren," Psalm 105:44, 45. Hier waren nu een en dertig koninkrijken, of heerlijkheden, om verdeeld te worden, onder negen en een halven stam. Van deze vielen tot het erfdeel van Juda, de koninkrijken Hebron, Jarmuth, Lachis, Eglon Debir, Arad, Libna en Adullam, in het geheel acht, behalve nog een deel van het koninkrijk van Jeruzalem, en een deel van Geder. Benjamin verkreeg de koninkrijken Jericho, Ai, Jeruzalem, Makkeda, Beth- El en dat van de koning van de volken te Gilgal, in het geheel zes. Simeon verkreeg het koninkrijk Horma en een deel van Geder. Efraïm verkreeg de koninkrijken Gezer en Tirza. De halve stam van Manasse verkreeg de koninkrijken Tappuah Hefer Taänach en Megiddo. Aser had de koninkrijken Afek en Achsaf. Zebulon had de koninkrijken Lassaron, Simron-Meron en Jokneam. Nafthali had de koninkrijken Madon, Hazor en Kedes. En Issaschar had Dor. Dezen waren sommigen van de grote en vermaarde koningen, die God geslagen heeft, "want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, en heeft hun land ten erve gegeven, ten erve aan Zijn knecht Israël want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid," Psalm 137:17 en verv.