3. Simon Petrus zei tot hen, toen opeens onwillekeurig een bijzondere gedachte bij hem oprees: Ik ga vissen op het meer. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen dan uit die plaats naar de oever van het meer en traden meteen in het schip, dat hen ter beschikking stond en in die nacht vingen zij niets, zoals hun dat ook reeds bijna twee jaar daarvoor overkomen was (
Lukas 5:5).
Onder de tien verschijningen van de Opgestane, waarvan wij volgens de Schrift zeker weten (Uit 28:15 en Uit 28:20), wordt ons nu de derde voor de vergaderde discipelen (Vers 14) bericht door dezelfde evangelist, die drie wonderen van de Heere in Galilea en drie in Judea heeft meegedeeld. Deze verschijning was echter niet meer, zoals de beide vorige, in het bijzonder bestemd om het geloof te wekken, zoals de verschijningen voor Maria Magdalena, voor Petrus en de Emmaüsgangers, dat wilden teweeg brengen, het geloof aan: "Ik was dood en zie Ik leef - moest de Christus niet al deze dingen lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?" nu treedt daarentegen voornamelijk de bedoeling op de voorgrond, om in de toekomst te wijzen en de geestelijke tegenwoordigheid en werkzaamheid van de Heere, die van de hemelvaart af zou plaats hebben, te waarborgen en af te beelden, alsook om aanwijzing en belofte voor de prediking te geven. Jezus wil Zijn discipelen zeggen: "Ik zend u, gaat uit, als de Geest gekomen zal zijn; Ik ben bij u, werk met u mee. "
Aan de zee van Galilea vertoonde Jezus Zich aan de discipelen, die voorlopig tot hun vroegere bezigheden waren teruggekeerd. Vroeger had Hij ze van hun werk geroepen tot voortdurende gemeenschap aan Zijn reizend leven en tot voorbereiding voor hun apostolisch werk, nadat zij van de eerste navolging van Jezus weer waren teruggekeerd tot hun arbeid, toen de Heere Zich voor enige tijd had teruggetrokken. Op dezelfde manier handelde de Heere hier. Aan die gebeurtenis worden wij dadelijk herinnerd en gedrongen het volgende zó te beschouwen, dat wij het naast het vorige leggen.
Moeten wij bij de beide vorige verschijningen onder de uitdrukking "discipelen" de apostelen verstaan, dan moeten zij ook hier bedoeld zijn; diensvolgens moeten de twee ongenoemden aan het slot eveneens behoren tot de kring van de apostelen, waarop de verschijning in Vers 14 bepaald doelt. Zij werden alleen daarom niet genoemd, omdat er geen bijzondere reden was om hen te noemen, maar zij zijn in het volgende zo goed als genoemd; waar Petrus gaat vissen, daar zal ook zijn broeder Andreas niet gemist worden (Mattheus 4:18) en waar Andreas is, daar moeten wij ook Filippus (Hoofdstuk 1:45; 6:5, ; 12:22. Markus 3:18) verwachten, daarenboven was deze door een nadere band (Hoofdstuk 1:46) ook met Nathanaël of Bartholomeüs verbonden.
Johannes gebruikt de uitdrukking "de zonen van Zebedeus", omdat hij met oog op Vers 20-23 verplicht is om te kennen te geven, dat hij bij het volgend toneel tegenwoordig was en toch niet besluiten kan om zichzelf te noemen. Eveneens had hij het steeds in de loop van zijn evangelie vermeden om zijn broeder, ja zijn moeder te noemen. Als hij opmerkt, dat het plan om te vissen van Petrus uitging, denkt hij er duidelijk aan hoe deze apostel in de evangelieprediking en de stichting van de kerk steeds de eerste plaats innam. De haastige en driftige toon, waarop Petrus spreekt, schijnt een innerlijke aandrang, een voorgevoel aan te duiden.
In verband met het volgende, zien wij een onderscheid in de werkzaamheid op menselijk gezag, zoals Petrus deed en de werkzaamheid op het woord van Christus.
De voorslag van Petrus werd met gretigheid door de andere aanwezigen aangenomen. Ieder weet, dat het wachten op een geliefde, van wie het niet zeker is, wanneer hij komt, ten slotte een ledigheid en verlatenheid veroorzaakt, die afleiding moet hebben in een of andere bezigheid.