14. Dit was nu, als men zich beperkt tot de verschijningen, die aan de kring van de apostelen ten deel zijn geworden en afziet van de openbaringen aan bijzondere personen, als in
Hoofdstuk 20:14, de derde maal (vgl.
Hoofdstuk 20:19, en 26, ), dat Jezus aan Zijn discipelen geopenbaard is, want die zeven in
Vers 2 staan hier voor de gehele discipelenkring, nadat Hij van de dood opgewekt was.
De manier, waarop Johannes zich uitdrukt, wijst aan, dat op dergelijke verschijningen, die aan het college van de apostelen ten deel werden, later nog meerdere volgden, waarover echter onze evangelist niet spreken zal. Tevens geeft die te kennen, dat vroeger geen andere hebben plaats gehad dan die in dit evangelie worden verteld. De hier nu meegedeelde openbaring is evenmin verteld om hetgeen volgt, als daarom geschied; integendeel is deze op zichzelf reeds te rijk van betekenis, om beschouwd te worden als zuivere inleiding tot het voorgevallene, dat met Vers 15 begint. Evenals onze geschiedenis een voortzetting is van hetgeen de Heere bij de beide eerste verschijningen in Vers 19, en 26, deed, terwijl bij de vernieuwde roeping tot het apostelambt en tot de mededeling van de apostolische kracht nu ook de belofte komt van de uitkomst, zo is de gebeurtenis, in het volgende voorgesteld, eveneens een voortzetting van die daden van de Heere, maar naar een andere kant. De wederinzetting van de elf in het apostel-ambt sluit zich namelijk in hetgeen volgt aan die van Simon Petrus tot leider aan en daarmee verbindt zich een profetie over bestemming en lot van die beide apostelen, die vroeger (Vers 7) boven de overigen uitstaken: van Petrus, die door zijn vurige moed en van Johannes, die door zijn adelaarsblik zich hebben onderscheiden.
De openbaring van de opgewekte Heer op dit strand is niet slechts een van de bekoorlijkste, maar ook een van de belangrijkste bladzijden uit de geschiedenis van Zijn opstanding te noemen. Zij staat toch - niet minder dan een soortgelijk voorval uit Jezus openbaar leven - in het nauwst verband met de opvoeding van Zijn eerste discipelen; en vragen wij wat de bijzondere les was, die Hij hun wilde leren door de inrichting van deze verschijning, wij durven dan reeds meteen vermelden, dat de Heere hen als in een zinnebeeld wilde tonen, hoe het hen in Zijn dienst ook voor het aardse aan niets zou ontbreken. Men moet die les niet onbeduidend en klein noemen, maar moet zich verplaatsen in de toestand van de jongeren! Geroepen om alles te verlaten, dat tot nog toe voorzag in hun onderhoud, hadden zij hun leven aan een Meester te wijden, die hen veel voor de hemel, maar minder voor de aarde beloofd had; en waar zij allereerst voor Gods Koninkrijk leefden, moesten zij ook onbepaald vertrouwen, dat Hij hun alle tijdelijke dingen zou toewerpen. Maar hoe moeilijk zou dit hun vallen, tenzij het hen nogmaals verzekerd werd, dat het in de dienst van deze Heere onmogelijk was om van gebrek en nood te vergaan! Dit wilde Hij dan heden hen tonen en het staven, dat Hij gekomen was, opdat de Zijnen ook voor het tijdelijke niet slechts "het leven, maar ook overvloed hebben zouden. " Na de arbeid zou Hij voor hen de verkwikking bereiden en ook hun eenvoudigste maaltijd zou voortaan een maaltijd houden met Hem zijn! Maar veel hoger onderwijs nog bood deze verschijning hen aan. Ook dit wonder moest ten teken verstrekken van hetgeen hen te wachten stond, wanneer zij weldra zouden uitgaan om vissers van de mensen te worden. Zie, zij zouden zich dan bevinden op een onstuimige zee, terwijl de Heere, ingegaan in de vreugde van de Vader, als op een veilig strand scheen te toeven. Zeker zouden hen uren te wachten staan, waarin zij zouden arbeiden zonder te slagen, maar uren van verrassing zouden op de dagen van de teleurstelling volgen. Grote, talrijke vissen zouden op de wenk van hun Zender toestromen en hoe overvloediger de vangst ook was, het net van het woord zou niet scheuren. Onbeschadigd en bestendig zou het blijven en als de tijd van de arbeid voorbij was, de Heere zou hen wachten in Zijn onvergankelijk leven aan de maaltijd voor Zijn vrienden bereid. Het net zou worden opgetrokken aan de oever, als het uur van Zijn toekomst verscheen en verlangend zou Hij hen verbeiden, die hun geboden had het in handen te nemen.
II. Vers 15-23. Het voorgevallene na de maaltijd.