Job 6:1-7
In het begin van zijn rede heeft Elifaz zeer scherpe woorden tegen Job gesproken, en toch zien wij niet dat Job hem in de rede viel neen, hij heeft hem ten einde toe geduldig aangehoord. Zij, die een rede onpartijdig willen beoordelen moeten haar geheel aanhoren. Maar toen hij geëindigd had, heeft hij hem van antwoord gediend, en in dit antwoord spreekt hij met zeer veel gevoel.
I. Hij stelt zijn ellende voor in het algemeen als veel groter dan hij het uitgedrukt heeft of dan zij er besef van hebben, vers 3. Hij kon haar niet ten volle beschrijven, zij konden haar niet ten volle begrijpen, of zij zouden tenminste niet zeggen dat zij haar begrepen. Daarom zou hij zich gaarne op een derde willen beroepen op iemand, die rechte weegstenen en een rechte waag heeft, om zijn verdriet en zijn ellende te wegen, en dat wel met een onpartijdige hand. Hij wenst dat zij zijn verdriet en al de uitdrukkingen ervan in de ene schaal zullen leggen, zijn ellende in de andere met al de bijzonderheden ervan, en (hoewel hij zich niet geheel en al wil rechtvaardigen in zijn verdriet) zouden zij toch bevinden dat zijn plaag, zoals hij zegt in Hoofdst. 23:2, zwaar is boven zijn zuchten, want wat zijn verdriet ook moge geweest zijn, zijn ellende was zwaarder dan het zand van de zee, zij was van samengestelde aard, zij was verzwaard, iedere grief was zwaar, en allen tezamen talrijk als het zand. Daarom-zegt hij-worden mijn woorden opgezwolgen, dat is: "Daarom moet gij het gebrokene en het bittere van mijne uitdrukkingen verontschuldigen, acht het niet vreemd dat mijn rede niet zo fraai, niet zo gepolijst is als die van een welsprekender redenaar, of zo deftig en regelmatig als die van een streng wijsgeer, neen, in deze omstandigheden kan ik noch op die, noch op deze aanspraak maken, mijn woorden zijn zoals ik zelf ben, geheel opgezwolgen."
1. Nu klaagt hij er over als zijn ongeluk dat zijn vrienden ondernomen hebben hem geestelijke medicijn toe te dienen, eer zij zijn toestand ten volle begrepen hebben, of er het ergste van wisten. Het is slechts zelden dat zij, die zelf welvarend zijn, de beproevingen van de beproefden recht wegen, iedereen gevoelt het meest van zijn eigen lasten, weinigen gevoelen iets van die van anderen.
2. Hij verontschuldigt de hartstochtelijke uitdrukkingen, die hij gebruikt heeft toen hij zijn dag vervloekte. Hoewel hij niet alles wat hij gezegd had, kon rechtvaardigen, meende hij toch dat zijn vrienden het niet zo heftig moesten veroordelen, want de zaak was werkelijk zeer buitengewoon, en men zou in een man van smarten, zoals hij nu was, datgene door de vingers kunnen zien, dat men in een gewoon geval van droefheid volstrekt niet zou toelaten.
3. Hij doet een beroep op het barmhartige medelijden van zijn vrienden, op hun medegevoel met hem, en hij hoopt hen, door hun de grootheid van zijn rampen voor te stellen, tot een betere gezindheid jegens hem te brengen. Voor hen, die pijn lijden, is het enige verlichting om beklaagd te worden.
II. Hij klaagt over de benauwdheid van geest en de zielsangst, waarin hij verkeerde, als het ergste van al zijn lijden, vers 4. Hierin was hij een type van Christus, die in Zijn lijden het meest klaagde over het lijden van Zijn ziel. "Nu is Mijn ziel ontroerd," Johannes 12:27. "Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe," Mattheus 26:37-38. "Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten!" Mattheus 27:46. De ongelukkige Job klaagt hier: 1. Over wat hij gevoelde. De pijlen van de Almachtige zijn in mij. Het waren niet zozeer de rampen, die over hem gekomen waren: zijn armoede, zijn versmaadheid en zijn lichaamspijnen, die hem in deze verwarring brachten, wat hem het smartelijkst trof en hem in deze beroering bracht, was de gedachte dat God die hij liefhad en diende, dit alles over hem had gebracht, hem aldus onder de tekenen van Zijn misnoegen had gesteld. Zielsangst is het zwaarste leed: een verslagen geest, wie zal die opheffen? Welke last van beproeving in lichaam of in bezitting het Gode ook moge behagen ons op te leggen, wij kunnen hem getroost dragen, zolang Hij ons nog ons verstand laat en de vrede van ons gemoed, maar zo die verstoord worden, dan voorwaar, zijn wij in een zeer beklagenswaardige toestand gekomen. Het middel om te voorkomen dat Gods vurige pijlen van leed en benauwdheid ons treffen is met het schild des geloofs Satans vurige pijlen van verzoeking uit te blussen.
Merk op: Hij noemt ze de pijlen van de Almachtige, want het is een voorbeeld van Gods macht boven die van enige mens, dat Hij met Zijn pijlen de ziel kan bereiken. Hij, die haar gemaakt heeft, kan Zijn zwaard tot haar doen naderen. Het gif of de hitte van deze pijlen wordt gezegd zijn geest uit te drinken, omdat het zijn verstand beroerde, zijn vastberadenheid aan het wankelen bracht, zijn kracht uitputte en zijn leven bedreigde, weshalve zijn hartstochtelijke uitdrukkingen wel niet gerechtvaardigd, maar toch wel verontschuldigd konden worden.
2. Over wat hij vreesde. Hij zag zich aangevallen door de verschrikkingen Gods, als door een in slagorde gesteld leger, en er geheel van omsingeld. God streed met hem door Zijn verschrikkingen, gelijk hij geen troost had als hij tot zichzelf inkeerde, zo had hij ook geen troost als hij opzag naar de hemel. Hij, die bemoedigd placht te wezen door de vertroostingen van God, moest deze niet slechts ontberen, maar werd nog verbaasd en aangegrepen door de verschrikkingen Gods.
III. Hij keurt het af in zijn vrienden, dat zij zijn klagen zo streng veroordeeld hebben en verwijt hun hun onkunde en onbekwaamheid in de behandeling van zijn zaak.
1. Er was geen grond of oorzaak voor hun bestraffingen. Het is waar: nu hij in deze beproeving gekomen is, klaagt hij, maar toen hij in zijn staat van voorspoed was, heeft hij nooit geklaagd zoals degenen, die van een rusteloze, ontevreden gemoedsaard zijn, hij heeft niet gerucheld als hij gras had, noch geloeid bij zijn voeder, vers 5. Maar thans, nu hij beroofd is van alle gerieflijkheden, van ieder genot van alle vertroosting, moest hij wel een stok of een steen wezen, niet eens het gevoel of besef hebben van een os of een woudezel, zo hij geen lucht gaf aan zijn smart. Hij was genoodzaakt onsmakelijke spijzen te nuttigen, en was zo arm, dat hij geen korreltje zout had om ze smakelijk te maken, of een weinigje geur te geven aan het wit van een ei, dat thans het kostelijkste is, dat hij op zijn tafel heeft, vers 6. Het voedsel, dat hij vroeger versmaad zou hebben om aan te zien, daar was hij nu nog blij mede, en het was toch een laffe spijs, vers 7. Het is verstandig om onszelf en onze kinderen niet te gewennen om kieskeurig te zijn op spijs en drank, want wij weten niet waar wij of zij nog toe gebracht kunnen worden, zodat hetgeen wij nu versmaden, nog begeerlijk kan gemaakt worden door de nood.
2. Hun vertroostingen waren smakeloos en laf, -zo verstaan sommigen het, vers 6,7. Hij klaagt dat hem niets aangeboden werd tot zijn verlichting en dat geschikt voor hem was, geen hartsterking, niets om zijn geest op te wekken of zijn moed te verlevendigen, wat zij te berde brachten, was op zichzelf zo smakeloos als het wit van een ei, en als het toegepast werd op hem, dan was het zo walglijk als de lafste spijze. Het doet mij leed dat hij dit zei van hetgeen Elifaz zo uitnemend gesproken heeft, Hoofdst. 5:8 en verv. Maar iemand van een gemelijk gemoed komt er licht toe zijn vertroosters aldus te miskennen.