Job 3:1-10
Reeds lang was Jobs hart brandende in zijn binnenste, terwijl hij peinsde brandde het vuur, en zoveel feller naarmate het gesmoord en onderdrukt was. Eindelijk sprak hij met zijn tong, maar niet zo'n goed woord als David na een langdurig stilzwijgen gesproken heeft: "Heere!" "maak mij bekend mijn einde," Psalm 39:4, 5. Zeven dagen lang zat de profeet Ezechiël verbaasd neer in het midden van de gevangenen, en toen (waarschijnlijk op een sabbatdag) "geschiedde" "het woord des Heeren tot hem," Ezechiël 3:15, 16. Zo lang zaten Job en zijn vrienden te denken, maar zeiden niets, zij weren bevreesd om te zeggen wat zij dachten, teneinde hem niet te grieven, en hij durfde zijn gedachten niet uiten, uit vrees van hen te ergeren. Zij kwamen om hem te vertroosten maar bevindende dat zijn beproevingen zeer buitengewoon waren, begonnen zij te denken dat hem geen troost toekwam, zij hielden hem verdacht van huichelarij, en daarom zeiden zij niets. Maar zij, die lijden en verliezen, menen recht te hebben tot spreken, en daarom geeft Job het eerst uiting aan zijn gedachten. Tenzij die gedachten beter waren, zou het goed geweest zijn als hij ze maar voor zich had gehouden.
Kortom, hij vervloekte zijn dag, de dag van zijn geboorte, hij wenste nooit te zijn geboren, kon zonder spijt en ergernis aan zijn geboorte niet denken, noch er van spreken. Terwijl de mensen gewoonlijk het jaarlijkse weerkeren van de dag van hun geboorte vieren met verheuging, beschouwde hij hem als de ongelukkigste dag van het jaar, omdat hij de ongelukkigste was van zijn leven, het begin van al zijn ellende. Nu was dit:
I. Erg genoeg. Het ontzettende van zijn leed en de wanorde van zijn geest kunnen het ten dele verontschuldigen, maar hij kan er toch volstrekt niet in gerechtvaardigd worden. Nu heeft hij het goede vergeten, waartoe hij geboren was, de magere koeien hebben de vette verslonden, en hij is alleen vervuld van de gedachten aan het kwaad, en wenst nooit te zijn geboren. De profeet Jeremia zelf drukt de smart over zijn rampen uit in een taal, niet ongelijk aan deze. "Wee mij, mijne" "moeder, dat gij mij gebaard hebt!" Jeremia 15:10. "Vervloekt zij de dag, op welke ik geboren ben," Jeremia 20:14 en verv. Wij kunnen veronderstellen dat Job in zijn voorspoed menigmaal God geloofd heeft voor de dag van zijn geboorte en hem een gelukkige dag heeft geacht, maar nu drukt hij er alle mogelijke schandmerken op. Als wij denken aan de ongerechtigheid, waarin wij ontvangen en geboren zijn, dan hebben wij reden genoeg om met smart en schaamte op de dag van onze geboorte te zien, en te zeggen dat "de dag van onze dood," door welke wij "bevrijd worden van" "zonde," Romeinen 6:7, veel "beter is," Prediker 7:1. Maar de dag van onze geboorte te vloeken, omdat wij toen op het rampspoedige toneel van het leven zijn verschenen, dat is met de God van de natuur te twisten, de waardigheid van ons zijn te verachten en toe te geven aan een hartstocht, waarover wij ons bij kalm en sober nadenken zullen schamen. Er is voorzeker geen levenstoestand, waarin een mens in deze wereld zijn kan, of hij kan er (zo het door zijn eigen schuld niet belet wordt), God op zo'n wijze in eren, zijns zelfs zaligheid werken, en zich van geluk verzekeren in een betere wereld, dat hij volstrekt geen reden zal hebben om te wensen, dat hij nooit ware geboren, maar wel zeer veel reden om te zeggen dat hij tot zo goed een doeleinde zijn bestaan ontvangen heeft. Maar het moet erkend worden dat wij, indien er geen leven was na dit leven en er geen Goddelijke vertroostingen waren om ons te ondersteunen in het vooruitzicht ervan, bij de vele smarten en rampen van dit leven, soms in verzoeking zouden kunnen zijn om te zeggen, dat wij "tevergeefs" "geschapen zijn," Psalm 89:48, en te wensen dat wij maar nooit hadden bestaan. Er zijn de zodanigen in de hel, die met goede reden wensen dat zij nooit waren geboren, zoals Judas, Mattheus 26:24. Maar aan deze zijde van de hel kan er geen reden zijn voor zo ijdel en ondankbaar een wens. Het was Jobs dwaasheid en zwakheid zijn dag te vloeken, wij moeten er van zeggen: Dit was zijn zwakheid, maar Godvruchtige mensen hebben soms gefaald in het beoefenen van de genadegaven, waarin zij het meest uitgemunt hebben, opdat wij zullen begrijpen dat, als zij volmaakt genoemd worden, bedoeld is dat zij oprecht waren, niet dat zij zondeloos waren.
Eindelijk. Laat ons opmerken tot eer van het geestelijk leven boven het natuurlijke leven, dat, hoewel velen de dag van hun geboorte vervloekt hebben, er nooit iemand geweest is die de dag van zijn nieuwe geboorte heeft vervloekt, noch gewenst heeft dat hij maar nooit genade had ontvangen, dat hem nooit de geest van de genade gegeven was, dat zijn de uitnemendste gaven, voortreffelijk boven het leven zelf, en die nooit tot een last zijn.
II. Toch was het niet zo erg als Satan zich gevleid had, dat het zijn zou. Job vervloekte zijn dag, maar hij heeft zijn God niet gevloekt, hij was zijn leven moede en zou er gaarne van gescheiden zijn, maar zijn Godsdienst was hij niet moede, vastberaden houdt hij daaraan vast, en wil hem nooit loslaten. De twist tussen God en Satan liep niet over de vraag, of Job al of niet zijn zwakheden had, of hij van gelijke bewegingen was als wij (dat werd toegegeven), maar of hij een geveinsde was, of hij in het verborgen God haatte, en dit zou tonen als hij er toe geprikkeld werd, toen de proef genomen was, bleek het, dat hij zulk een man niet was. Ja meer: bij dit alles kan hij nog een voorbeeld zijn van geduld, want ofschoon hij aldus onbedachtelijk met zijn lippen heeft gesproken, heeft hij zich zowel tevoren als daarna met grote onderworpenheid aan de heilige wil van God uitgelaten en gedragen, en berouw getoond van zijn ongeduld, hij heeft er zichzelf om veroordeeld, en daarom heeft God hem niet veroordeeld, en dat moeten ook wij niet, maar wel moeten wij zoveel zorgvuldiger over onszelf waken, opdat wij in de gelijkheid van zijn overtreding niet zondigen.
De bijzondere uitdrukkingen door Job gebruikt in het vervloeken van zijn dag, zijn vol van dichterlijke verbeelding, vuur en vervoering, en geven de taalgeleerden evenveel werk als de zaak zelf aan de Godgeleerden, wij zullen in onze beschouwingen niet uitvoerig zijn.
Als hij zijn hartstochtelijke wens wil uitdrukken, om nooit het aanzijn te hebben ontvangen, vaart hij uit tegen de dag van zijn geboorte, en
1. Wenst dat de aarde hem vergete: de dag verga, vers 3, dat hij niet gevoegd worde bij de dagen van het jaar, vers 6. "Hij worde niet slechts niet met rode letters in de kalender aangeduid, zoals de geboortedag van de koning er in aangeduid placht te zijn, (en Job was een koning, Hoofdst. 29:25), "maar hij zij er uit weggeschrapt, in vergetelheid begraven. Laat de wereld niet weten dat er ooit zo'n man in geboren was, en er in geleefd heeft, en zulk een toonbeeld van ellende is geworden."
2. Laat de hemel hem met bestraffenden blik aanzien. Dat God hem niet aanzie van boven vers 4. "Alles is in werkelijkheid zoals het voor God is, de dag is een eredag, waarop Hij eer gelegd heeft, en die Hij onderscheidt en kroont met Zijn gunst en zegen, zoals Hij de zevende dag van de week heeft geëerd, laat mijn geboortedag nooit aldus geëerd worden. Hij zij door Hem, die de tijden tevoren verordineerd heeft, als een kwade dag, nigro carbone nofandus- met een zwarte kool getekend. De Vader en Fontein van licht stelde het grote licht tot heerschappij van de dag en de kleinere lichten tot heerschappij van de nacht, maar die dag misse het voordeel van beide." Die dag zij duisternis, vers 4, en als het licht van de dag duisternis is, hoe groot is dan niet die duisternis! zij is verschrikkelijk, omdat wij dan uitzien naar licht. Laat de somberheid van de dag Jobs toestand voorstellen, wiens zon des middags onderging. En wat die nacht betreft, hij ontbere het nut en voordeel van de maan en de sterren, donkerheid neme hem in, dikke, tastbare duisternis, die de rust van de nacht niet door zijn stilte begunstigt, maar haar veeleer beroert door zijn verschrikkingen.
3. Dat alle blijdschap hem verlate. "Laat hem een treurige, eenzame nacht zijn, geen vrolijke nacht door muziek en dans, dat geen vrolijk gezang daarin kome, vers 7, "dat het een lange nacht zij, hij zie niet de oogleden des dageraads," vers 9, "die vreugde met zich brengen."
4. Dat alle vervloekingen hem volgen, vers 8. "Laat nooit iemand wensen hem te zien of hem welkom heten als hij komt, integendeel dat hem vervloeken de vervloekers van de dag. Welke dag het zij, die iemand zou wensen te vloeken, laat hem tegelijkertijd een vervloeking uitspreken over mijn geboortedag, inzonderheid degenen, die met hun klaagzangen rouw en treurigheid opwekken bij begrafenissen. Laat de vervloekers van de dag des doods van anderen, in een adem de dag mijner geboorte vervloeken." Of wel: zij, die zo vermetel zijn dat zij de leviathan-dat is het woord hier-durven tergen, de walvis of krokodil neerslaan, hem met hun bitterste vervloeking vloeken, hopende hem hierdoor te verzwakken, om zich aldus meester van hem te maken. Waarschijnlijk werd dergelijke gewoonte toen gevolgd, waarop de gewijde dichter zinspeelt. Laat hem even hatelijk zijn als de dag, waarop de mensen de grootste ongelukken betreuren of als de tijd, waarin zij de verschrikkelijkste gezichten zien, aldus bisschop Patrick, de leviathan hier, naar ik veronderstel, nemende voor de duivel, zoals anderen, die het verstaan van de verwensingen van de bezweerders en tovenaars, als zij de duivel oproepen of een duivel opgeroepen hebbende, hem niet weer kunnen verdrijven.
Maar wat is de grond van Jobs toorn op de dag en de nacht van zijn geboorte? Het is omdat hij de deuren van de schoot van zijn moeder niet heeft toegesloten, vers 10. Zie de ongerijmdheid, de waanzin van hartstochtelijke ontevredenheid, welke dwaze, buitensporige taal zij spreekt, als men haar niet in toom houdt. Is dit Job, die zo bewonderd werd om zijn wijsheid, dat zij naar hem hoorden en wachtten, en zwegen op zijn raad, en na zijn woord niet weer spraken? Hoofdst. 29:21,22. Gewis! zijn wijsheid faalde hem,
a. Toen hij zich zoveel moeite gaf om zijn begeerte uit te drukken dat hij niet ware geboren, die, op zijn best genomen, toch slechts een ijdele begeerte is, want het is onmogelijk om hetgeen geweest is, te maken alsof het niet geweest is.
b. Toen hij zo mild was met zijn vervloekingen over een dag en nacht, die toch niet geschaad kunnen worden, of waaraan het om zijn vervloekingen toch nooit te slechter kan gaan.
c. Toen hij iets zo wrede wenste voor zijn eigen moeder, dat zij niet bij machte zou geweest zijn hem voort te brengen, toen de tijd er voor gekomen was hetgeen onvermijdelijk haar dood, en wel een zeer smartelijken dood, tengevolge zou gehad hebben.
d. Toen hij de goedheid van God jegens hem minachtte (in hem het aanzijn te geven, zo'n aanzijn, zo'n voortreffelijk leven een leven, zover verheven boven ieder ander schepsel van deze lagere wereld), en de gave onderschatte, als het aannemen niet waardig alleen omdat het transit cum onere-het bezwaard was met enige moeilijkheden, die nu eindelijk tot hem kwamen, nadat hij er gedurende zovele jaren de genoegens van had gesmaakt. Hoe dwaas was het van hem, te wensen dat zijn ogen nooit het licht hadden aanschouwd, opdat zij dan ook geen leed zouden zien, terwijl hij toch kon hopen daarover heen te zien om daarna weer blijdschap te zien! Heeft Job geloofd en gehoopt, dat hij ten laatsten dage uit zijn vlees God zal aanschouwen Hoofdst. 19:26, en toch kunnen wensen nooit tot zo'n geluk instaat te zijn, alleen maar omdat hij voor het ogenblik smart heeft in zijn vlees? Moge God in Zijn genade ons wapenen tegen zo'n dwazen en schadelijker hartstocht van ongeduld!