Job 37:14-20
Elihu wendt zich hier bepaaldelijk tot Job en wenst van hem dat hij, hetgeen hij totnutoe gezegd heeft, op zichzelf zal toepassen. Hij verzoekt hem te luisteren naar deze rede vers 14, een wijle stil te staan. Sta en aanmerk de wonderen Gods. Wat wij horen zal ons geen nut doen, tenzij wij er over nadenken en wij zullen niet behoorlijk nadenken over de dingen tenzij wij stilstaan en ons tot dit nadenken begeven. De werken Gods wonderbaar zijnde, verdienen en behoren zij door ons aangemerkt te worden, en dit aanmerken ervan zal ons helpen om vrede te hebben met al Zijn beschikkingen.
Ter verootmoediging van Job toont Elihu hem:
I. Dat hij geen inzicht had in natuurlijke oorzaken, er noch de bronnen van kon zien noch de uitwerkingen ervan kon voorzien, vers 15-17. Weet gij de wonderheden desgenen, die volmaakt is in wetenschappen? Hier wordt ons geleerd:
1. De volmaaktheid van Gods kennis. Het is een van de heerlijkste eigenschappen in God dat Hij volmaakt is in kennis, Hij is alwetend. Zijn kennis is intuïtief, Hij ziet, en weet niet bij geruchte, zij is innerlijk en volkomen: Hij weet de dingen waarlijk en wezenlijk, en niet naar de schijn, geheel en al en niet stuksgewijs. Voor Zijn kennis is niets op een afstand, maar alles is nabij, niets in de toekomst, maar alles in het heden, niets is verborgen, maar alles open. Wij behoren dit te erkennen in al Zijn wondere werken en ten opzichte van de wondere werken waarvan wij de betekenis niet verstaan moet het ons genoeg zijn te weten dat zie de werken zijn van Enen, die weet wat Hij doet.
2. De onvolkomenheid van onze kennis. De grootste natuurkundigen tasten nog in het duister rond ten opzichte van de krachten en werken van de natuur. Wij zijn onszelf een paradox, en wat ons omringt is een verborgenheid. De zwaartekracht van de lichamen, en de cohesie van de verschillende delen ervan zijn volkomen zeker en toch onverklaarbaar. Het is goed voor ons om ons bewust te worden van onze onwetendheid, sommigen hebben haar erkend en zij, die dit niet wilden, hebben haar genoegzaam doen blijken, maar allen moeten wij hieruit afleiden hoe onbevoegd wij zijn om te oordelen over het Goddelijk beleid en bestuur, daar wij zelfs van de Goddelijke werktuigkunde nog zo weinig af weten.
A. Wij weten niet welke orders God gegeven heeft nopens de wolken, noch welke Hij geven zal, vers 15. Dat alles met vaste bepaling en bedoeling geschiedt, daarvan zijn wij zeker, maar wat bepaald en bedoeld is, en wanneer het plan gevormd was, weten wij niet. God laat dikwijls het licht van Zijn wolk schijnen in de regenboog volgens sommigen, in de bliksem volgens anderen, maar hebben wij voorzien of konden wij voorzeggen wanneer Hij het doen zou? Wanneer wij enkele uren van tevoren door gewone waarneming een verandering in het weer voorzien, of als tweede oorzaken door het weerglas zijn begonnen te merken, hoe weinig tonen deze ons dan nog van Gods bedoelingen met deze veranderingen!
B. Wij weten niet hoe de wolken in evenwicht worden gehouden in de lucht, kennen er de opwegingen niet van, die een van de wondere werken Gods zijn. Zij zijn zo opgewogen, zo uitgespreid, dat zij ons nooit van het voordeel van de zon beroven, zelfs de bewolkte dag is dag, zo in evenwicht gehouden dat zij niet plotseling vallen of in watervallen uiteenspatten. De regenboog is een aanduiding van Gods gunst in de opweging van de wolken, zodat zij de wereld niet overstromen. Ja, zij zijn zo in evenwicht gehouden, dat zij haar regenbuien met onpartijdigheid over de aarde verdelen, zodat op de een of andere tijd iedere plaats haar deel ontvangt.
C. Wij weten niet hoe de aangename verandering komt, als de winter voorbij is, vers 17..
a. Hoe het weer warm wordt nadat het koud geweest is. Wij weten hoe onze kleren warm op ons worden, dat is: hoe wij warm worden in onze kleren vanwege de warmte van de lucht, waarin wij ademen. Zonder Gods zegen zouden wij ons kleden en toch niet warm worden, Haggai 1:6. Maar als Hij het zo beschikt, dan zijn de kleren warm op ons, die in zeer strenge koude ons niet warm konden houden.
b. Hoe het kalm en stil wordt na stormachtig geweest te zijn, Hij maakt de aarde stil door de zuidenwind, vers 17, als de lente komt. Gelijk Hij een bulderende, verstijvende noordenwind heeft, zo heeft Hij een verzachtende, kalmerende zuidenwind, de Geest wordt bij beide vergeleken, omdat Hij van zonde overtuigt en vertroost, Hooglied 4:16.
II. Dat hij volstrekt geen deel heeft gehad in het maken van de wereld in den beginne, vers 18. "Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen? Gij kunt niet voorwenden, dat gij ze zonder Hem hebt uitgespannen, en ook niet dat gij ze tezamen met Hem hebt uitgespannen, want ver was het van Hem om enigerlei hulp nodig te hebben, hetzij voor het beramen of voor het ten uitvoer brengen." De schepping van het grote uitspansel van de zichtbare hemel, Genesis 1:6 -8, dat wij tot op de huidige dag in wezen zien, is een heerlijk voorbeeld van de Goddelijke macht, in aanmerking genomen:
1. Dat het vloeibaar en toch vast is. Het is sterk en heeft zijn naam naar zijn vastheid of bestendigheid. Het is nu nog wat het geweest is, en lijdt geen verval, ook zullen in de ordeningen des hemels geen veranderingen plaats hebben totdat er geen tijd meer zijn zal.
2. Dat, hoewel het groot is, het toch glansrijk en wonderbaar schoon is, het is als een gegoten spiegel, wij kunnen er de heerlijkheid Gods in aanschouwen en de wijsheid van van Zijner handen werk, Psalm 19:2. Als wij opzien naar de hemel, dan moeten wij gedenken dat hij een spiegel is, niet om er ons eigen gelaat in te tonen, maar om een flauwe voorstelling te zijn van de reinheid, waardigheid en schitterende heerlijkheid van de bovenwereld en haar heerlijke bewoners.
III. Dat noch hij noch zij instaat waren, om van de heerlijkheid Gods te spreken naar evenredigheid van de verdienste van dit onderwerp, vers 19, 20.
1. Hij nodigt Job uit om hun bestuurder te zijn, indien hij die taak aandurft. Hij zegt het ironisch: "Onderricht ons, zo gij kunt, wat wij Hem zeggen zullen. Gij hebt zin om met God te redeneren, en gij zoudt willen dat wij tot uw behoeve met Hem twisten, zo onderricht ons dan wat wij zullen zeggen, kunt gij dieper in die afgrond zien dan wij? Indien gij het kunt, zo verplicht ons met de mededeling van hetgeen gij ontdekt hebt, voorzie ons van instructie."
2. Hij erkent zijn eigen ongenoegzaamheid, beide om tot God en om van God te spreken: Wij zullen niets ordelijk kunnen voorstellen vanwege de duisternis. De besten van de mensen zijn nog zeer in duisternis omtrent de heerlijke volmaaktheden van de Goddelijke natuur en het bestuur van de Goddelijke regering. Zij, die door genade veel van God weten, weten weinig, ja niets, in vergelijking met wat er te weten is, en wat geweten zal worden, wanneer het volmaakte zal gekomen zijn en de voorhang gescheurd zal wezen. Als wij van God zouden willen spreken, spreken wij verward en met grote onzekerheid, en staan spoedig verlegen, zitten vast, niet uit gebrek aan stof maar aan woorden. Gelijk wij altijd moeten beginnen met vreze en beven, ten einde niets verkeerds te zeggen. "De Deo etiam vera dicere periculosum est-zelfs als wij hetgeen waar is zeggen nopens God, lopen wij toch altijd gevaar" -zo moeten wij eindigen, blozende van schaamte omdat wij niet beter gesproken hebben. Wat Elihu betreft, hij had goed van God gesproken, en toch is het zó ver van hem om er beloning voor te verwachten of te denken dat hij God er door aan zich had verplicht, of geschikt is om Zijn raadsman te wezen, dat:
Hij zich zelfs schaamt over hetgeen hij gezegd heeft, niet over de zaak, het onderwerp, maar over de wijze waarop hij het behandeld heeft, zal het Hem verteld worden als ik zou spreken Zal het Hem verhaald worden als een verdienstelijke daad, die Zijn aandacht waardig is? Geenszins, laat er geen melding van worden gemaakt, want hij vreest dat de zaak door zijn wijze van haar te behandelen geleden heeft zoals aan een schoon gelaat onrecht wordt gedaan door een slecht schilder, en wat hij gesproken heeft verdient zo weinig dank, dat het vergeving behoeft. Als wij voor God alles hebben gedaan wat wij kunnen, dan moeten wij nog erkennen onnutte dienstknechten te zijn, en volstrekt niets te hebben om op te roemen. Hij is bevreesd om nog meer te zeggen. Als iemand spreekt, vers 20, als hij het onderneemt om te spreken voor God, veel meer nog indien hij tegen Hem wil spreken, gewis, hij zal verslonden worden. Indien hij hoogmoedig, aanmatigend spreekt, zal Gods toorn hem spoedig verteren, maar al spreekt hij ook nog zo goed, hij zal toch als verbijsterd worden door de verborgenheid, overstelpt worden door de Goddelijke glans en luister. De verbazing zal hem als met blindheid en stomheid slaan.