Job 33:29-33
Wij hebben hier het slot van het eerste deel van Elihu's rede, waarin:
1. Hij kortelijk samenvat wat hij gezegd heeft, om aan te tonen dat Gods groot en genadig doeleinde in de beschikkingen van Zijn voorzienigheid met de kinderen der mensen is: hen ervan te redden om voor eeuwig rampzalig te zijn, en hen er toe te brengen om voor eeuwig gelukkig te wezen, vers 29, 30. Al deze dingen werkt God voor de kinderen van de mensen, Hij werkt op hen door hun geweten, door beschikkingen van Zijn voorzienigheid, door leraren, door zegeningen, door beproevingen. Hij maakt hen ziek, en maakt hen weer gezond, al deze zijn Zijn werkingen, Hij stelt het een tegenover het ander, Prediker 7:14 maar Zijn hand is in alles, Hij is het, die alles voor ons voleindigt. Alle beschikkingen van de voorzienigheid moeten beschouwd worden als Gods werkingen voor de mens, Zijn twisten met hem. Hij gebruikt allerlei methoden om de mensen goed te doen, indien de ene beproeving het werk niet doet, dan zal Hij een andere zenden, indien geen van beide het doet, dan zal Hij zien wat een zegen zal uitwerken, en een bode zenden om van beide de uitlegging te geven. Dikwijls werkt God twee of drie maal met zulke dingen. Hij spreekt eens ja tweemaal, vers 14, en indien dat de zaak niet tot stand brengt, dan werkt Hij twee of driemaal. Hij verandert van methode-"Wij hebben u op de fluit gespeeld, wij hebben u klaagliederen gezongen- "keert weer terug tot dezelfde methode, herhaalt dezelfde toepassingen. Waarom geeft Hij zich al deze moeite voor de mens? Het is opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, vers 30. Indien God niet beter voor ons zorgde dan wij voor onszelf zorgen, wij zouden rampzalig wezen, wij zouden onszelf te gronde richten, maar Hij wil ons behouden en beraamt middelen om door Zijn genade ongedaan te maken hetgeen wij doen om ons in het verderf te storten. De vorige methode door droom of visioen was, opdat hij zijn ziel van het verderf zou afhouden, vers 18, dat is: om zonde te voorkomen, opdat wij er niet in vallen zouden. Deze-door ziekte en het woord-is om de ziel terug te brengen, hen te redden, die in zonde gevallen zijn, opdat zij er niet stil in blijven liggen en omkomen. Ten opzichte van allen, die door berouw en bekering teruggebracht zijn van de afgrond- van het verderf -het is opdat zij verlicht zullen worden met het licht van de levenden, opdat zij dadelijke vertroosting en eeuwige gelukzaligheid deelachtig zullen worden. Hen, die God redt van de zonde en de hel, die duisternis zien, zal Hij naar de hemel brengen, de erve van de heiligen in het licht, en dit is het wat Hij in al Zijn inzettingen en al Zijn beschikkingen op het oog heeft. "Heere! wat is de mens, dat Gij van zijn gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem aldus bezoekt?" Dit moet ons er toe brengen om in te stemmen met Gods bedoelingen, met Hem mee te werken voor ons welzijn, en Hem niet tegen te werken. Het zal hen die omkomen voor eeuwig zonder verontschuldiging laten, dat zoveel voor hen gedaan was om hen te redden, en zij niet genezen wilden worden.
2. Hij verzoekt Job om aan te nemen wat hij gezegd heeft en het wel op te merken, vers 31. Wat bedoeld is voor ons welzijn eist onze aandacht. Indien Job wil letten op hetgeen gezegd is:
a. Dan staat het hem vrij om er bedenkingen tegen in te brengen, vers 32. "Zo er redenen zijn, indien gij iets ter uwer verdediging hebt aan te voeren, antwoord mij. Hoewel ik fris en krachtig ben, en gij afgemat en uitgeput zijt, zal ik u toch niet ter nederwerpen met woorden, spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen, en ben niet zoals uw andere vrienden, die wensten u te veroordelen." Elihu strijdt voor waarheid, niet, zoals zij, om de overwinning te behalen. Hen, die wij bestraffen, behoren wij te willen rechtvaardigen, wij moeten blijde zijn te zien, dat zij zich zuiveren van de beschuldigingen, die tegen hen zijn ingebracht, en hun dus alle gelegenheid en iedere aanmoediging geven om dit te doen.
b. Indien hij niets in te brengen heeft tegen hetgeen gezegd is, dan laat Elihu hem weten dat hij nog iets te zeggen heeft, en verzoekt hem er geduldig naar te luisteren, vers 33. Zwijg, en ik zal u wijsheid leren. Zij, die zowel wijsheid willen tonen als wijsheid willen leren, moeten horen en zwijgen, ras zijn om te horen en traag om te spreken. Job was wijs en goed, maar zij die dit zijn, kunnen nog wijzer en beter wezen, en moeten er zich dus op toeleggen om de middelen van de wijsheid en genade daartoe aan te wenden.