Job 33:8-13
I. In deze verzen beschuldigt Elihu Job inzonderheid dat hij zich enige ongepaste uitdrukkingen had laten ontvallen, waarmee hij afkeurende opmerkingen had gemaakt nopens de gerechtigheid en goedheid van God in Zijn handelingen met hem. Hij grondt de beschuldiging niet op losse geruchten, hij zelf heeft gehoord hetgeen, waarvoor hij hem hier bestraft, vers 8. "Gij hebt gezegd voor mijn oren en voor de oren van dit gehele gezelschap." Hij heeft het niet uit de tweede hand, want dan zou hij nog gehoopt hebben dat het niet zo erg was als het werd voorgesteld. Hij heeft het niet van Job gehoord in een gesprek tussen vier ogen, want dan zou hij niet zo ongemanierd zijn om het aldus openlijk bekend te maken, neen, Job had het in het openbaar gezegd, en daarom voegde het dat hij er in het openbaar om bestraft zou worden. Zij, die in tegenwoordigheid van allen zondigen, moeten in tegenwoordigheid van allen worden bestraft. Als wij iets horen zeggen, dat de strekking heeft om God te onteren, dan behoren wij daar openlijk tegen te getuigen. Het is onze plicht om het verkeerde, dat voor onze oren gezegd is, te bestraffen, want gij zijt Mijne getuigen, zegt de Heere.
1. Job had zich voorgesteld als onschuldig te zijn, vers 9. Gij hebt gezegd: Ik ben rein zonder overtreding. Job heeft dit niet gezegd "totidem verbis-in zovele woorden, " neen, hij heeft erkend dat hij gezondigd heeft en voor Gods aangezicht onrein moet wezen, maar wèl heeft hij gezegd: Het is in Uw wetenschap dat ik niet goddeloos ben, ik houd vast aan mijn oprechtheid, en dergelijke uitdrukkingen meer, waarop Elihu zijn beschuldiging kon gronden. Het was waar dat Job een oprecht en vroom man was, en niet zo'n man als hij door zijn vrienden was voorgesteld, maar hij had daar niet zoveel van moeten spreken, alsof God hem dus onrecht gedaan had door hem te beproeven. Toch schijnt Elihu niet geheel billijk te zijn geweest door aan Job ten laste te leggen dat hij gezegd heeft rein te zijn van alle overtreding, daar hij toch alleen maar gezegd heeft oprecht te zijn en onschuldig aan de grote overtreding. Maar zij, die hartstochtelijk en onvoorzichtiglijk spreken, hebben het zichzelf te wijten, als zij verkeerd begrepen worden, zij hadden zorgvuldiger op hun woorden moeten letten.
2. Hij had God voorgesteld als streng lettende op alles wat hij verkeerds deed, en alle voordelen tegen hem aan te wenden, vers 10, 11, alsof Hij naar een gelegenheid zocht om met hem te twisten. Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, hetgeen onderstelt dat Hij ze gezocht heeft. In die zin had Job gesproken, Hoofdst. 14:16, 17. Houdt Gij niet wacht over mijn zonde? Hij houdt mij voor Zijn vijand. Dat heeft hij uitdrukkelijk gezegd, Hoofdst. 13:24, 19:11. Hij legt mijn voeten in de stok opdat, gelijk ik niet met Hem kan strijden, ik ook niet instaat zou zijn om van Hem weg te vluchten. Dat heeft hij gezegd in Hoofdst. 13:27, waar wij ook deze woorden vinden: Gij neemt al mijn paden waar.
II. Hij poogt hem ervan te overtuigen dat hij, door zo te spreken, verkeerd heeft gesproken, en dat hij zich daarover behoort te verootmoedigen voor God en het door berouw er over behoort te herroepen, vers 12. Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig Hierin hebt gij geen gelijk, zoals sommigen die woorden lezen. Zie het verschil tussen hetgeen Elihu Job ten laste legde, en de beschuldiging, die zijn andere vrienden tegen hem inbrachten, zij wilden niet toegeven dat hij in iets rechtvaardig was, in iets gelijk had, Elihu zegt slechts: "Hierin, in dit te zeggen, zijt gij niet rechtvaardig." 1. "Gij handelt niet rechtvaardig met God." Rechtvaardig te zijn is aan ieder te geven wat hem toekomt, nu geven wij aan God niet wat Hem toekomt, en zijn wij dus niet rechtvaardig jegens Hem, als wij Zijn billijkheid en vriendelijkheid niet erkennen in al de leidingen van Zijn voorzienigheid met ons, dat Hij rechtvaardig is in al Zijn wegen, en dat, hoe die ook mogen zijn, Hij toch altijd goed is.
2. "Gij spreekt de taal niet van een rechtvaardig man, ik ontken niet dat gij zodanig een zijt, maar hierin laat gij het niet blijken." Er zijn velen, die rechtvaardig zijn maar die toch in sommige bijzondere gevallen niet spreken en handelen naar zij zijn, en gelijk wij eensdeels niet moeten nalaten om zelfs aan een Godvruchtige te zeggen waarin hij faalt en verkeerd doet, noch hem mogen vleien in zijn dwalingen en hartstochten want dan zouden wij niet vriendelijk handelen, zo moeten wij anderdeels het karakter van de mensen niet afmeten naar een enkel geval, een enkele handeling of naar sommige misplaatste woorden, want daarin zouden wij dan niet rechtvaardig zijn. Want wij struikelen allen in vele, en daarom moeten wij ook billijk zijn in onze bestraffing van anderen.
Twee dingen stelt Elihu aan Job voor ter overweging, om hem ervan te overtuigen dat hij verkeerd gesproken heeft.
A. Dat God oneindig ver boven ons is, en het daarom waanzin is om met Hem te strijden. Want indien Hij naar de grootheid van Zijn macht met ons zou twisten, wij zouden niet voor Hem kunnen bestaan. Ik zal u antwoorden, zegt Elihu, met een enkel woord dat zijn bewijs in zich draagt: God is meerder dan een mens, ongetwijfeld, oneindig meerder. Er is tussen God en de mens geen evenredigheid. Job had zelf veel, en uitnemend goed, gezegd betreffende de grootheid van God, Zijn onweerstaanbare macht en onbetwistbare vrijmacht, Zijn ontzaglijke majesteit en onbegrijpelijke grootheid. "Welnu," zegt Elihu, "denk slechts aan hetgeen gijzelf van Gods grootheid gezegd hebt, en pas het toe op uzelf. Indien Hij groter is dan de mens, dan is Hij groter dan gij, en dan zult gij reden genoeg zien om berouw te hebben van deze gemelijke, lelijke gedachten en gezegden nopens Hem, en u te schamen over uw dwaasheid, en te beven bij de gedachte aan uw vermetelheid." Er is in die een eenvoudige onbetwistbare waarheid dat God meerder is dan de mens, indien men er slechts het rechte besef van heeft, genoeg om al onze klachten tot zwijgen te brengen over Zijn voorzienigheid en ons bedillen van Zijn handelingen met ons. Hij is niet alleen wijzer en machtiger dan wij zijn, zodat het doelloos is om te twisten met Hem, die ons te sterk zal zijn, maar Hij is ook heiliger, rechtvaardiger en beter, want dat zijn de alles overtreffende heerlijke eigenschappen van Zijn Goddelijke natuur, in deze is God meerder dan de mens, en daarom is het ongerijmd en onredelijk om aanmerkingen op Hem te maken, want Hij heeft voorzeker gelijk.
B. Dat God ons geen rekenschap is verschuldigd, vers 13. Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Zij, die klagen over Gods twisten met Hem, vorderen Hem voor het gericht, beschuldigen Hem, brengen een aanklacht tegen Hem in. En waarom doen zij dit? Om welke oorzaak? Met welk doel? Het is voor ons, zwakke, dwaze, zondige schepselen iets onredelijks om te twisten met een God van oneindige wijsheid macht en goedheid. Wee het leem, dat met de pottenbakker twist, want Hij antwoordt niet van al Zijn daden. Hij is onder generlei verplichting om ons een reden te geven voor hetgeen Hij doet, of om ons mee te delen wat Hij voornemens is te doen, op welke wijze of op welke tijd, door welke werktuigen, of om ons te zeggen waarom Hij aldus met ons handelt. Hij is niet gehouden, hetzij om Zijn eigen handelingen te rechtvaardigen of om aan onze eisen te voldoen. Zijn oordelen zullen gewis zichzelf rechtvaardigen, indien zij ons niet bevredigen dan is dit onze eigen schuld. Het is dus vermetele goddeloosheid in ons om God voor onze rechterstoel te dagen of Hem op te eisen om ons de redenen te tonen van hetgeen Hij doet, tot Hem te zeggen: Wat doet Gij? of: Waarom doet Gij dit? Hij antwoordt niet van al Zijn daden. Hij openbaart zoveel als geschikt voor ons is om te weten, zoals het hier volgt in vers 14. Maar er zijn verborgen dingen, die niet voor ons zijn en die wij niet mogen onderzoeken, waarnaar wij niet mogen gissen.