Job 32:15-22
Drie dingen verontschuldigen hier Elihu's optreden in deze twistzaak, die reeds door zulke scherpzinnige en geleerde twistredenaars besproken is.
1. Dat het toneel, of liever de spreekplaats, vrij was, en hij dus geen van de redenaars hinderde vers 15. Zij zijn ontzet, vers 16, zij staan stil, zij antwoorden niet meer. Zij hielden niet slechts zelf op met spreken, maar zij stonden stil om te horen of iemand uit het gezelschap zijn gevoelen ook zou willen zeggen, zodat hem nu ruimte gelaten was. Zij schenen zelf niet geheel voldaan te zijn met hetgeen zij gezegd hadden, anders zouden zij de zitting verdaagd hebben en niet stil hebben gestaan in de verwachting van hetgeen nu verder geschieden zou. Daarom zei ik, vers 17, "Ik zal mijn deel ook antwoorden. Ik kan niet zeggen dat ik nu een beslissende uitspraak zal doen, neen, het oordeel is des Heeren, en door Hem moet beslist worden wie gelijk en wie ongelijk heeft, maar dewijl gij allen uw mening gezegd hebt, zal ik ook de mijne zeggen. Als hetgeen gezegd wordt, op zo bescheiden wijze gezegd wordt dan behoort er behoorlijk acht op te worden geslagen.
Ik zie er geen bezwaar in om te onderstellen dat Elihu zich hier als de schrijver van dit boek kenbaar maakte, en dat hij hier de pen voert als een geschiedschrijver, het feit verhalende dat, nadat hij in de vorige verzen om hun aandacht had verzocht, zij ontzet waren, zij hielden op van onder elkaar te fluisteren, hadden niets in te brengen tegen de vrijheid om te spreken, die hij verzocht, maar stonden stil om te horen wat hij zou zeggen, zeer getroffen zijnde over de bewonderenswaardige vermenging van vrijmoedigheid en bescheidenheid, die hij in zijn voorrede of inleiding aan de dag legde.
2. Dat hij zich onbehaaglijk en zelfs pijnlijk gevoelde door zijn sterke begeerte om zijn gedachten over deze zaak uit te spreken. Zij moeten hem verlof geven om te spreken, want hij kan het niet nalaten, terwijl hij peinsde "werd zijn hart heet in zijn binnenste," Psalm 39:4, "het werd een brandend vuur, besloten in zijn beenderen," zoals de profeet spreekt, Jeremia 20:9. Indien een van de twistredenaars getroffen had, wat naar zijn mening de rechte voege was, hij zou tevreden stilgezwegen hebben, maar toen zij, naar hij dacht, haar allen gemist hadden, verlangde hij er naar om zelf te beproeven wat hij vermocht. Hij voert aan:
a. Dat hij zeer veel te zeggen heeft, "ik ben van woorden vol, opmerkingen hebbende over alles wat totnutoe gezegd is. Als oude lieden uitgeput raken als zij over de voorzienigheid Gods spreken, dan kan God anderen verwekken, zelfs jonge mannen en hen vervullen met woorden tot stichting van Zijn kerk, want het is een onderwerp dat nooit uitgeput kan worden, hoewel zij, die er over spreken, dit wel kunnen.
b. Dat hij onder de drang was om ze te spreken. "De geest in mijn binnenste onderricht mij niet slechts omtrent hetgeen ik zeggen moet, maar dringt mij om het te zeggen, zodat ik, indien ik geen lucht krijg door mij te uiten (in zo'n gisting zijn mijn gedachten) zou barsten als een lederzak met nieuwe wijn, als die in gisting is," vers 19. Zie welk een grote smart het is voor een Godvruchtig leraar, om tot zwijgen te worden gebracht, in een hoek te worden gedrongen, hij is vol van woorden, woorden Gods, vol van Christus, vol van de hemel, en zou ten goede van anderen over deze dingen willen spreken maar hij mag niet. c. Dat het hem een verlichting en voldoening zou zijn, om te zeggen wat hij op het hart heeft, vers 20. Ik zal spreken opdat ik voor mij lucht krijge, niet slechts om ontheven te worden van de pijn om het te smoren, maar om het genoegen te hebben om naar mijn positie en mijn gaven goed te doen. Het is voor een Godvruchtig man een grote verkwikking om de vrijheid te hebben om te spreken tot eer van God en tot stichting van anderen.
3. Dat hij besloten was om met alle vrijmoedigheid en oprechtheid te spreken wat hij dacht waar te zijn, niet wat hij dacht te zullen behagen, vers 21, 22. "Och dat ik niemands aangezicht aanneme, zoals partijdige rechters doen aan wie het te doen is om rijk te worden, niet om gerechtigheid te doen. Ik ben besloten niemand te vleien." Hij wilde niet anders spreken dan hij dacht, hetzij:
a. Uit medelijden met Job, omdat hij arm en zwaar beproefd was, hij wilde zijn zaak niet beter voorstellen dan hij haar geloofde te zijn, uit vrees van zijn smart te vermeerderen. "Maar, laat hem het dragen zoals hij kan, de waarheid zal hem gezegd worden." Zij, die onder zware beproeving zijn, moeten niet gevleid worden, men moet getrouwelijk met hen omgaan. Als iemand onder lijden is, dan is het een dwaas medelijden om ook nog zonde in hem toe te laten, Leviticus 19:17, want dat is de allerergste toevoeging aan zijn smart. "Gij zult de geringe niet voortrekken in zijn twistige zaak," evenmin als gij hem zult achterstellen of tegenwerken, Exodus 23:3, evenmin achtgeven op een treurige blik als op een trotse blik, om terwille daarvan het recht te verkeren, want dat is iemands aangezicht aannemen. Of:
b. Uit beleefdheid voor Jobs vrienden, omdat zij welvarend en in eer waren. "Laat hem niet denken, dat ik zal zeggen zoals zij zeiden, dan voorzoveel ik overtuigd ben dat wat zij zeiden waar en recht was, noch dat ik hun zeggen zal toejuichen om der wille van hun aanzien en waardigheid." Neen, hoewel Elihu een jonge man is en zijn weg in de wereld nog maken moet, wil hij toch de waarheid niet verhelen om de gunst van de groten te verkrijgen. Het is een goed besluit dat hij genomen heeft: Ik weet geen vleiende titels te geven aan de mensen, vers 22 ik heb er mij nooit aan gewend om die taai te gebruiken, en het is een goede reden, die hij geeft voor dat besluit: "In kort zou mijn Meester mij wegnemen, indien ik dit deed." Het is goed om onszelf in ontzag te houden meteen heilige vrees voor Gods oordelen: Hij, die ons gemaakt heeft, zal ons wegnemen in Zijn toorn als wij ons niet naar behoren gedragen. Hij haat alle ontveinzing en vleierij, en zal "alle vleiende lippen en de grootsprekende tong afsnijden," Psalm 12:4. Hoe meer wij het oog hebben op de majesteit van God als onze Maker, en hoe meer wij Zijn toorn en gerechtigheid vrezen, hoe minder wij in gevaar zijn van een zondig vrezen of vleien van mensen.