Job 31:1-8
De lusten van het vlees en de liefde tot de wereld zijn de twee noodlottige klippen, waarop velen schipbreuk leden. Job betuigt en verzekert dat hij tegen beide altijd op zijn hoede geweest is en ze heeft vermeden.
I. Tegen de lusten van het vlees. Hij heeft zich niet slechts vrijgehouden van overspel, van de vrouw zijns naasten te verontreinigen, vers 9, maar ook van alle ontucht met welke vrouw het ook zij. Hij had geen bijwijf, maar was onkreukbaar trouw aan het huwelijksbed, hoewel zijn vrouw geen van de wijste, beste of vriendelijkste was. Van den beginne is het zo geweest dat een man slechts een vrouw zou hebben en haar alleen zou aankleven, en Job hield zich streng aan deze instelling en verafschuwde de gedachte om er tegen te zondigen, want hoewel zijn grootheid hem ertoe kon verleiden, heeft zijn Godsvrucht er hem voor bewaard. Job was nu ziek van lichaam en leed zeer veel pijn, en in die toestand is het zeer bijzonder troostrijk als ons geweten voor ons getuigen kan dat wij de kuisheid van ons lichaam bewaard en ons vat in heiligmaking en eer hebben bezeten. Merk hier nu op:
1. Welke de besluiten waren, waaraan hij zich ten opzichte van deze zaak gehouden heeft, vers 1. Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen, dat is: "Ik waakte tegen de gelegenheid van de zonde, hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?" dat is: dat was het middel, dat mij door de genade Gods voor de eerste stap daartoe bewaard heeft." Zover was hij van wellustige dartelheid, of van enigerlei daad van onkuisheid dat:
a. Hij zich niet eens een wellustige blik veroorloofde. Hij heeft een verbond gemaakt met zijn ogen, hij sloot de overeenkomst met hen, dat hij hun het genoegen zou toestaan om het zonlicht te aanschouwen en de heerlijkheid Gods, uitblinkende in de zichtbare schepping, mits zij zich nimmer zouden richten op een voorwerp, dat aanleiding zou kunnen geven tot een onreine verbeelding, en nog veel minder op iets, dat onreine begeerten in zijn hart zou kunnen doen opkomen, en dat wel op straffe om, zo zij het wèl deden er voor te moeten boeten met tranen van berouw. Zij, die hun hart rein willen houden, moeten op hun hoede zijn tegen hun ogen, want het zijn de uit- en ingangen van onreinheid. Vandaar dat wij lezen van een "lonken met de ogen," Jesaja 3:16, en van ogen vol overspel, 2 Petrus 2:14. De eerste zonde begon in het oog, Genesis 3:6. Waar wij ons niet mee moeten inlaten, daar moet onze begeerte niet naar uitgaan, en hetgeen, waarna onze begeerte niet moet uitgaan, moeten wij niet aanzien, niet de verboden rijkdom, Spreuken 23:5, niet de verboden wijn, Spreuken 23:31, niet de verboden vrouw, Mattheus 5:28.
b. Hij wilde zelfs geen wellustige gedachte in zijn hart toelaten: "hoe zou ik dan denken aan een maagd, vers 1, met een onreine verbeelding en een onreine begeerte naar haar?" Schaamte en eergevoel kunnen hem weerhouden van de kuisheid van een schone maagd te belagen, maar alleen genade en de vreze Gods kunnen hem weerhouden van er ook maar aan te denken. Diegenen zijn niet kuis, die het niet in de geest zijn zowel als in het lichaam, 1 Corinthiers 7:34. Zie hoe Christus' verklaring van het zevende gebod overeenkomt met de oude opvatting ervan, en hoeveel beter Job het verstond dan de Farizeen, hoewel zij op Mozes' stoel waren gezeten. 2. Door welke redenen hij in deze zaak geleid werd. Het was niet de vrees voor versmaadheid onder de mensen, hoewel ook die in aanmerking moet komen, Spreuken 6:33, maar de vrees voor de toorn en de vloek Gods. Hij wist zeer goed:
A. Dat onkuisheid een zonde is, die alle goed verbeurt en ons buitensluit van de hoop er op, vers 2. Wat is het deel Gods van boven? Welke zegen kunnen zulke onreine zondaren verwachten van de reine en heilige God, of welk teken van Zijn gunst? Naar welke erve van de Almachtige uit de hoogten kunnen zij uitzien? Zij, die zich wentelen in onreinheid maken zich ten enenmale ongeschikt voor gemeenschapsoefening met God, hetzij in genade hier of in heerlijkheid hiernamaals, en worden verwant aan onreine geesten, die voor altijd van Hem zijn afgescheiden, welk deel en erve kunnen zij dan hebben met God? In het nieuwe Jeruzalem, de heilige stad, zal niets binnenkomen, dat onrein is.
B. Het is een zonde, die aan de wraak Gods blootstelt, vers 3. Zij zal gewis de zondaar, zo hij zich niet intijds bekeert, ten verderve brengen. Is het verderf niet een gewis en haastig verderf, ja een vreemde straf voor de werkers van deze ongerechtigheid? Dwazen maken een grapje van deze zonde voor hen is het een "peccadille, een geringe, vergeeflijke misstap," een jeugdige grap, maar zij bedriegen zich met ijdele woorden, want om deze dingen-hoe gering of onbeduidend zij ze ook schatten - komt de toorn Gods, de ondraaglijke toorn des eeuwigen Gods, over de kinderen van de ongehoorzaamheid, Efeziers 5:6. Er zijn sommige zondaren, om welke te ontmoeten God soms uit de gewone weg van de voorzienigheid gaat, zondaren zoals dezen. Het verderf van Sodom was iets vreemds, een vreemde straf. Is er geen vervreemding (zo lezen het sommigen) voor de werkers van de ongerechtigheid? Dat is de zondigheid van de zonde, dat zij de geest, het gemoed, vervreemdt van God, Efeziers 4:18, 19, en dit is de straf van de zondaren, dat zij voor eeuwig op een afstand van Hem geplaatst zijn, Openbaring 22:15.
C. Zij kan voor de alziende God niet verborgen zijn. Een wellustige gedachte kan niet zo in het geheim worden gekoesterd, een wellustige blik niet zo snel daarheen worden geworpen, dat zij aan Zijn kennisneming kunnen ontkomen, veel minder nog kan een daad van ontucht, al wordt zij nog zo in het geheim gepleegd, buiten Zijn gezicht zijn. Als Job te eniger tijd in verzoeking was van deze zonde, dan heeft hij er zich van teruggehouden. en ook van alles wat er toe naderde, door deze gedachte: Ziet Hij niet mijn wegen? vers 4. Zoals Jozef zei: "Hoe zou ik een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God?" Genesis 39:9. Job had het oog op twee dingen:
a. Gods alwetendheid. Het is een grote waarheid, dat "eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des Heeren," Spreuken 20:21, maar Job maakte er hier melding van met toepassing op zichzelf en zijn eigen handelingen. Ziet Hij niet mijn wegen? O God, Gij doorgrondt mij en kent mijn hart. God ziet naar welke regel wij wandelen, in welk gezelschap wij wandelen naar welk doel wij heengaan, en daarom op welke wegen wij wandelen.
b. Zijn waarnemen of opmerken. "Hij ziet niet slechts, maar Hij merkt ook op, Hij telt al mijn treden, al mijn verkeerde stappen op de weg des plichts, al mijn schuine stappen naar de weg van de zonde." Hij ziet niet slechts onze wegen in het algemeen, maar neemt kennis van onze bijzondere treden op die wegen, van iedere handeling en elke beweging. Hij houdt rekening van alles omdat Hij ons ter verantwoording zal roepen ieder werk in het gericht zal brengen. God neemt nauwkeuriger nota van ons dan wij van onszelf nemen, want wie heeft ooit zijn eigen treden geteld? Maar God telt ze, zo laat ons dan voorzichtiglijk wandelen. II. Hij was op zijn hoede tegen de liefde van de wereld, en vermeed zorgvuldig alle zondige, slinkse middelen om rijkdom te verwerven. Hij vreesde elk verboden gewin evenzeer als elk verboden genot. Laat ons zien:
1. Wat hij betuigt in het algemeen: dat hij eerlijk en rechtvaardig is geweest in al zijn handelingen, en, voorzoveel hij wist, nooit iemand onrecht heeft gedaan.
a. Hij heeft nooit met ijdelheid omgegaan, dat is: hij heeft nooit een leugen durven zeggen om een goede koop te kunnen sluiten. Het is nooit zijn wijze van doen geweest om in scherts of met dubbelzinnigheid te spreken, of vele woorden te gebruiken in zijn handelingen. Van sommige mensen is de voortdurende wandel een voortdurend bedrog. Zij maken van hetgeen zij hebben of meer dan het is, opdat men vertrouwen in hen zal stellen, of minder dan het is, opdat er van hen niets verwacht zal worden. Maar Job was een ander man. Zijn rijkdom was door geen ijdelheid verkregen, hoewel hij thans verminderd was, Spreuken 13:11..
b. Hij snelde nooit heen tot bedriegerij. Zij, die bedriegen, moeten vlug en bij de hand zijn, maar Jobs vlugheid en schranderheid zijn nooit die weg opgegaan. Hij heeft zich nooit gehaast om rijk te worden door bedrog, maar handelde steeds met omzichtigheid, opdat hij niet door onbezonnenheid iets zou doen, dat onrecht is. Wat wij in de wereld hebben kan met genot en vertroosting worden gebruikt, of ook met vertroosting worden verloren, zo wij er eerlijk aan gekomen zijn.
c. Zijn gang is niet uit de weg geweken, uit de weg van de gerechtigheid en van de billijkheid, daarvan heeft hij zich nooit afgekeerd, vers 7. Hij heeft niet alleen zorg gedragen om niet voortdurend op een weg van bedrog te wandelen, maar hij is van de weg van de eerlijkheid zelfs geen enkele stap afgeweken. In iedere handeling, in elke zaak moeten wij ons sterk gebonden achten aan de regelen van de gerechtigheid.
d. Zijn hart is zijn ogen niet nagevolgd, dat is: hij begeerde niet wat hij zag dat van iemand anders was, noch wenste dat het het zijne was. Begeerlijkheid wordt "de begeerlijkheid van de ogen" genoemd, 1 Johannes 2:16. Achan zag, en toen nam hij het verbannene. Het hart moet wel afdwalen dat de ogen navolgt, want dan ziet het niet verder dan op hetgeen gezien wordt, terwijl het in de hemel moest zijn waar de ogen niet kunnen reiken, het behoort de voorschriften te volgen van de Godsdienst en van de gezonde rede, indien het het oog volgt, dan zal dit het heenvoeren naar hetgeen waarvoor "God de mensen in het gericht zal doen komen," Prediker 11:9..
e. Dat geen vlek zijn handen aankleeft, vers 7. Dat is: er kon hem niet ten laste gelegd worden iets op oneerlijke wijze verkregen te hebben, of te hebben behouden wat eens anderen was zodra het bleek dat het eens anderen was. Ongerechtigheid is een vlek of smet, een smet op de bezitting, een smet op de eigenaar, zij bederft de schoonheid van beide, en is derhalve te vrezen. Zij, die veel met de wereld te doen hebben, kunnen misschien een smet op hun handen hebben, maar zij moeten haar afwassen door berouw en vergoeding te doen, en haar niet aan hun handen laten kleven. Zie Jesaja 33:15.
2. Hoe hij zijn betuiging bekrachtigt. Hij is zo overtuigd van zijn eigen eerlijkheid dat hij: a. Bereid is om zijn goederen te laten onderzoeken, vers 6. Hij wege mij in een rechte weegschaal, dat is: "Laat er een onderzoek ingesteld worden naar hetgeen ik verkregen heb, en het zal bevonden worden dat het zijn gewicht houdt, een teken dat het niet door ijdelheid is verkregen, want dan zou er Tekel op zijn geschreven -"gewogen en te licht bevonden." Een eerlijk man vreest geen onderzoek, integendeel, hij begeert het, wèl verzekerd zijnde dat God zijn oprechtheid kent, en dat het onderzoek er naar zal uitlopen tot Zijn lof en eer.
b. Hij is bereid om de gehele cargo te verbeuren, indien er enigerlei contrabande in gevonden wordt, iets waar hij niet eerlijk aan gekomen is, vers 8. "Zo laat mij zaaien en een ander eten," men was het al eens er over geworden dat dit het lot is van verdrukkers Hoofdst. 5:5, "en laat mijn spruiten, al de bomen, die ik geplant heb, ontworteld worden." Hierdoor wordt aangeduid dat hij geloofde dat de zonde die straf verdiende, en dat zij gewoonlijk aldus gestraft wordt, maar dat, hoewel zijn bezitting thans te gronde was gegaan (en indien ooit, dan is het op zo'n tijd dat zijn geweten hem aan zijn zonde herinnerd zou hebben), wist hij zich toch onschuldig en durfde hij het armzalige overschot van wat hij bezeten heeft gerust aan dit onderzoek blootstellen, bereid zijnde om het te verbeuren, indien bevonden werd dat hij er niet eerlijk aan gekomen is.