Job 31:33-40
Wij hebben hier Jobs betuiging tegen nog drie andere zonden met zijn algemeen beroep op Gods rechterstoel en zijn bede om aldaar gehoord te worden, die waarschijnlijk bedoeld was als besluit van zijn rede, (weshalve wij haar het laatst zullen beschouwen), indien hij niet aan nog een speciale zonde gedacht had, waarvan hij het nodig achtte zich vrij te pleiten. Zo wijst hij dan de beschuldiging af van:
I. Ontveinzing of huichelarij, de misdaad waarvan zijn vrienden hem in het algemeen beschuldigd hebben. Dat hij onder de dekmantel van een Godsdienstige belijdenis, in het geheim de zonde heeft aangehouden, en in werkelijkheid even slecht was als andere mensen, maar de kunst bezat om zijn slechtheid verborgen te houden. Zofar had bedektelijk te kennen gegeven, dat hij het kwaad onder zijn tong verborgen heeft, Hoofdst. 20:12. "Neen," zegt Job, "dat heb ik nooit gedaan, vers 33, ik heb nooit zoals Adam mijn overtredingen bedekt, ik heb nooit een zonde bewimpeld of met beuzelachtige verontschuldigingen vergoelijkt, geen vijgebladeren gevlochten om mijn schande te bedekken, noch mijn misdaad in mijn schoot verborgen, vers 33, als iets dierbaars, waar ik niet van kon scheiden, of als gestolen goed, waarvan ik de ontdekking vreesde." Het is natuurlijk voor ons om onze zonden te bedekken, dat hebben wij van onze eerste ouders, wij zijn er afkerig van om onze fouten te bekennen, willen ze verschonen en ons zo goed mogelijk voordoen, teneinde de schuld op anderen te werpen zoals Adam op zijn vrouw, niet zonder zijdelings ook God zelf er in te betrekken. Maar hij, "die aldus zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn" Spreuken 28:13. In deze betuiging geeft Job twee dingen te kennen, die stellige bewijzen waren van zijn oprechtheid.
1. Dat hij niet schuldig was aan een grote overtreding of ongerechtigheid, onbestaanbaar met zijn oprechtheid, die hij zorgvuldig verborgen had gehouden. In deze betuiging heeft hij oprecht gehandeld, en terwijl hij sommige zonden ontkent, was hij zich niet bewust dat hij zich in andere heeft toegegeven.
2. Dat hij aan welke overtreding of ongerechtigheid hij ook schuldig moge zijn geweest (want geen mens is er die niet zondigt), altijd bereid is geweest haar te erkennen, en als hij bemerkte dat hij iets verkeerds gezegd of gedaan had, dan was hij bereid het te herroepen of ongedaan te maken voorzoveel dit in zijn macht was door berouw, het te belijden voor God en de mensen, en er van af te laten. Dit is eerlijk handelen.
II. Lafhartigheid en lage vrees. Hij wijst op zijn kloekmoedigheid in het goede als een bewijs van zijn oprechtheid erin, vers 34. Heb ik gevreesd voor een grote menigte, dat ik stil gezwegen heb? Neen, allen die Job kenden, wisten dat hij een man was van onversaagde moed voor een goede zaak, die stoutmoedig optrad, sprak en handelde ter verdediging van Godsdienst en recht, en het aangezicht des mensen niet vreesde, noch ooit door bedreiging van de weg des plichts is afgeweken maar altijd zijn aangezicht gesteld heeft als een keisteen.
Merk op:
1. Welk een gewetenszaak Job heeft gemaakt van zijn plichtsbetrachting als magistraat en als man van naam in de plaats, waar hij woonde. Als hij voor een eerlijke zaak moest spreken dan zweeg hij niet, durfde hij niet zwijgen of tehuis blijven, als hij moest uitgaan om goed te doen. Het geval kan van zodanige aard zijn, dat het zonde in ons is om te zwijgen en ons terug te trekken, zoals wanneer wij geroepen worden om zonde te bestraffen, er tegen te getuigen, de waarheid en Gods wegen te handhaven, recht te doen aan hen, die benadeeld en verdrukt worden, of op enigerlei wijze het publiek te dienen of onze Godsdienst te eren.
2. Hoe weinig Job de ontmoedigingen telde die hij op de weg van zijn plicht ontmoette. Hij bekommerde zich niet om het geschreeuw van het gemeen, vreesde niet voor de grote menigte, bekreunde zich niet om de dreigementen van de machtigen, de minachting van de huisgezinnen heeft hem niet verschrikt, vers 34. Hij werd noch door het aantal, noch door de hoedanigheid, de minachting en belediging van hen die benadeelden, teruggehouden om recht te doen aan de benadeelden, neen, hij versmaadde het om zich door zulke bedenkingen te laten leiden, en nooit liet hij toe dat een rechtvaardige zaak door het geweld van de machtigen onderdrukt werd. Hij vreesde de grote God, niet de grote menigte, Zijn vloek, niet de verachting van de huisgezinnen.
III. Verdrukking en geweld, en onrecht te doen aan zijn arme naburen.
Merk hier op:
1. Hetgeen hij betuigt, namelijk dat hij aan zijn bezitting eerlijk is gekomen, en haar eerlijk heeft gebruikt, zodat zijn land niet tegen hem kon roepen, noch zijn voren konden klagen, vers 38, zoals zij roepen en klagen tegen hen. die er door bedrog en afpersing bezit van hebben gekregen, Habakuk 2:9-11. De gehele schepping wordt gezegd te zuchten onder de zonde van de mens, maar hetgeen onrechtvaardiglijk verkregen en gehouden wordt, roept tegen een mens en beschuldigt hem, veroordeelt hem, en eist gerechtigheid tegen hem voor de toegebrachte schade. De grond en de voren ervan zullen tegen hem getuigen en zijn vervolgers zijn veeleer, dan dat zijn verdrukking ongestraft zal blijven. Er waren twee dingen, die hij veilig zeggen kon betreffende zijn bezitting:
a. Dat hij zijn vermogen nooit gegeten heeft zonder geld. Wat hij kocht betaalde hij, zoals Abraham betaald heeft voor het land dat hij kocht, Genesis 23:16, en David, 2 Samuël 24:24 S. Aan de arbeiders, die hij in dienst had, werd behoorlijk hun loon uitbetaald, en als hij de vruchten gebruikte van het land dat hij verpacht had, dan betaalde hij er zijn pachters voor of bracht het in mindering van hun pacht.
b. Dat hij de eigenaars erven nooit het leven deed verliezen, nooit een bezitting verkreeg zoals Achab Naboths wijngaard in bezit kreeg, de erfgenaam dodende om zich van de erfenis meester te maken. Nooit heeft hij hen, die land van hem in pacht hadden, uitgehongerd, hen niet ten verderve gebracht door hard contract, en een harde behandeling. Geen pachter, geen werkman, geen dienaar had over hem te klagen.
2. Hoe hij zijn betuiging bevestigt. Hij doet het evenals tevoren, met een gepaste verwensing, vers 40. "Zo ik mijn bezitting onrechtvaardig verkregen heb, dat voor tarwe distelen voortkomen, het schadelijkste onkruid voor het beste van de granen." Als de mensen op onrechtmatige wijze bezittingen verkrijgen, dan worden zij rechtvaardiglijk van het genot ervan beroofd en teleurgesteld in hun verwachtingen ervan, zij bezaaien hun land, maar zij zaaien het voor het lichaam niet dat worden zal, God zal het een lichaam geven, het was tarwe dat gezaaid werd, maar er zullen distelen van opkomen. Hetgeen waar de mensen niet eerlijk aan gekomen zijn, zal hun nooit enigerlei goed doen.
Aan het einde van zijn betuiging beroept Job zich op de rechterstoel van God betreffende de waarheid ervan, vers 35-37. Och of ik een had, die mij hoorde, zie mijn oogmerk is dat de Almachtige mij antwoorde! Dat heeft hij dikwijls begeerd, en dikwijls heeft hij er over geklaagd dat hij het niet kon verkrijgen, en nu hij zo uitvoerig zijn verdediging heeft voorgedragen, kan hij het gerust aan zijn tegenpartij overlaten om haar te boek te stellen en wachten, totdat er over zijn zaak recht gedaan zal worden.
A. Dringend verzoekt hij dat een gerechtelijk onderzoek ingesteld zal worden. "Och dat een-wie dan ook-mij wilde horen, mijn zaak is zo deugdelijk, mijn bewijzen zijn zo duidelijk dat ik bereid ben haar door ieder, wie het ook zij, te laten onderzoeken, maar mijn begeerte is dat de Almachtige zelf er uitspraak in zal doen." Een oprecht hart vreest het strengste onderzoek niet, hij, wiens bedoelingen eerlijk zien, wenst een venster in zijn borst te hebben, waardoor iedereen de voornemens en bedoelingen van zijn hart zien kan. Maar een oprecht man begeert inzonderheid dat in alles wat hem betreft door het oordeel Gods beslist zal worden, want hij is er zeker van dat dit naar waarheid zijn zal. Het was Davids gebed: doorgrond mij, o God! en ken mijn hart, en het was Paulus' vertroosting: die mij oordeelt is de Heere.
B. De aanklager wordt voorgeroepen om zijn aanklacht te doen, te zeggen wat hij tegen de aangeklaagde heeft, dat mijn tegenpartij een boek schrijve-dat mijn vrienden, die mij van huichelarij beschuldigen, hun beschuldiging in geschrift brengen, opdat er nauwkeurigheid en zekerheid zij en wij het zoveel beter eens kunnen worden. Job zou zeer gaarne het geschrift zien, een kopie willen hebben van de rechterlijke aanklacht tegen hem, hij zou het niet verbergen onder zijn arm, maar het op zijn schouder nemen, opdat het door alle mensen gezien en gelezen zou kunnen worden, ja hij zou het op zich binden als een kroon, hij zou er behagen in scheppen, en het als een sieraad beschouwen, want:
a. Indien het hem een zonde ontdekte, waaraan hij schuldig was maar die hij nog niet zag, hij zou blijde zijn haar te kennen, ten einde er berouw van te hebben, er zich van te bekeren en er vergeving voor te ontvangen. Een Godvruchtig mens wil gaarne het ergste omtrent zichzelf weten, en zal dankbaar zijn aan hen, die hem met getrouwheid zijn fouten onder het oog brengen.
b. Indien het hem beschuldigde van hetgeen niet waar is, hij twijfelde niet of hij zou die beweringen kunnen wederleggen en zijn onschuld kunnen doen voortkomen als het licht, zodat hij met eer uit dat gerechtelijk onderzoek zou tevoorschijn komen. Maar:
c. Hij geloofde dat, wanneer zijn tegenstanders de zaak zo nauwkeurig zouden bezien als zij wel moesten, indien de beschuldiging in geschrift gebracht was, die beschuldiging onbeduidend en kleingeestig zou blijken te zijn, zodat ieder die haar zag, zou zeggen: "indien dit alles is wat zij tegen hem hebben in te brengen, dan is het een schande, dat zij hem zoveel leed en moeite berokkend hebben.
C. De gedaagde is gereed om te verschijnen en aan zijn beschuldigers alle inlichtingen te geven, die zij slechts kunnen begeren. Hij zal hun het getal van zijn treden aanwijzen, vers 37. Hij zal hen bekendmaken met de geschiedenis van zijn leven, zal er hun al de voorvallen van mededelen, hij zal hun zeggen hoe zijn wandel was, wat daarin tegen hem was zowel als hetgeen er voor hem in was, en laat hen er dan het gebruik van maken dat zij willen. Hij is zo overtuigd van zijn oprechtheid dat hij veeleer als een vorst, die gekroond moet worden, tot hen zou naderen, dan als een gevangene, een aangeklaagde. die veroordeeld moet worden. Aldus was het getuigenis van zijn geweten zijn roem. Zij, die evenals Job hun handen onbevlekt hebben gehouden van de wereld, kunnen hun aangezicht zonder vlek opheffen tot God en troost smaken in het vooruitzicht van Zijn oordeel, als zij onder het onrechtvaardig oordeel liggen van de mensen. Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God.
Zo hebben de woorden van Job een einde, dat is: hij heeft nu alles gezegd wat hij wilde zeggen in antwoord aan zijn vrienden, later zei hij iets bij wijze van zelfverwijt en veroordeling, Hoofdst. 39:37, 38 en Hoofdst. 42:2 en verv, maar hier eindigt wat hij had te zeggen bij wijze van zelfverdediging. Indien dit niet volstaat, zal hij niets meer zeggen, hij weet wanneer hij genoeg gezegd heeft en zal zich nu onderwerpen aan het oordeel van het hof. Sommigen denken dat die wijze van uitdrukking te kennen geeft dat hij eindigde met een voorkomen van gerustheid en triomf. Hij heeft het veld behouden, en twijfelt niet of hij zal de overwinning behalen. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig maakt.