Job 29:7-17
Wij hebben hier Job op een plaats van eer en macht. Hoewel hij aangenaamheid genoeg had in zijn eigen huis, heeft hij zich daar toch niet toe beperkt, wij zijn niet voor onszelf geboren, maar voor het publiek, de gemeenschap. Als er zaken moesten afgehandeld worden in de poort, de plaats des gerichts, dan begaf hij er zich heen door de stad, vers 7, niet uit begeerte naar pracht en praal, maar uit liefde tot de gerechtigheid.
Merk op: de rechtsbedeling geschiedde in de poort, op de straat, in de plaatsen waar een toeloop van volk was tot welke ieder vrije toegang had, opdat ieder die wilde, getuige kon zijn van alles wat gezegd en gedaan werd, en opdat, wanneer over de schuldigen het oordeel werd uitgesproken, anderen mochten horen en vrezen.
Job was een vorst, een rechter, een overheidspersoon een man van macht en gezag onder de kinderen van het Oosten, en nu wordt ons hier gezegd:
I. Welk een eerbied hem door allerlei lieden werd bewezen, niet alleen vanwege de waardigheid van zijn ambt en betrekking, maar om zijn persoonlijke verdienste, zijn uitnemende wijsheid, oprechtheid en goed bestuur.
1. Het volk eerde hem en had ontzag voor hem, vers 8. De ernst en majesteit van zijn houding en voorkomen en zijn bekende striktheid in het afkeuren van alles wat slecht en onbetamelijk was, geboden welvoeglijkheid bij allen, die om hem heen waren. Jonge lieden die zich in zijn nabijheid niet goed wisten te houden of zich misschien wel van iets verkeerds bewust waren, hielden zich schuil en gingen hem uit de weg, en hoewel de ouden op hun plaats bleven, bleven zij toch niet zitten, zij stonden op om zich voor hem te buigen, zij die eerbiedsbetuigingen verwachtten van anderen, betuigden eerbied aan hem. Deugd en Godsvrucht dwingen ieders achting af, en gewoonlijk wordt die achting hun ook betoond, maar zij, die niet alleen goed zijn maar goed doen, zijn dubbele eer waardig. Bescheidenheid betaamt hun die jong en in afhankelijkheid zijn, evenzeer als majesteit hun betaamt, die oud zijn en macht hebben. Aan magistraten is men eer en vreze verschuldigd, en zij moeten hun bewezen worden, Romeinen 13. 7. Maar indien een groot en goed man aldus geëerd en geëerbiedigd werd, hoe moet dan niet de grote en goede God gevreesd worden!
2. De vorsten en oversten betoonden hem grote achting, vers 9, 10. Sommigen denken dat dit mindere magistraten waren, die onder hem dienden, en dat de eerbied, die zij hem bewezen, verschuldigd was aan zijn hoge betrekking als hun soeverein, maar zij schijnen veeleer zijn gelijken geweest te zijn in hun ambt en betrekking, en met hem zitting te hebben gehad in dezelfde commissie, zodat de buitengewone eer, die zij hem aandeden, zijn buitengewone bekwaamheden en verdiensten gold. Zij waren het allen eens, dat hij hen allen overtrof in doorzicht, juistheid van oordeel volhardende vlijt, duidelijkheid en volledigheid van uitdrukking, en daarom was hij onder zijn medegenoten een orakel van wet en raad en gerechtigheid, en op hetgeen hij zei werd door allen acht gegeven, ieder stemde er mee in. Als hij in het gerechtshof kwam, en inzonderheid als hij opstond om over enigerlei zaak te spreken, dan hielden de oversten de woorden in, de stem van de vorsten verstak zich, dat is: zij zwegen, ten einde zoveel aandachtiger te luisteren naar hetgeen hij zei, en zijn bedoeling goed te kunnen begrijpen. Zij, die gaarne hun eigen gedachten uitspraken en niet heel veel gaven om hetgeen anderen zeiden waren als het Jobs beurt was om te spreken even begerig om zijn gedachten te kennen, als zij ooit begerig waren geweest om hun eigen gedachten te uiten. Zij, die hun eigen oordeel mistrouwden, waren voldaan met het zijne en bewonderden de behendigheid, waarmee hij moeilijke knopen losmaakte, waar anderen verlegen voor stonden. Als de oversten en vorsten onder elkaar twistten, dan kwamen allen overeen om met het geschil tot Job te gaan en zich bij zijn beslissing neer te leggen. Gelukkig de mensen, die met zo uitnemende gaven zijn toegerust, zij hebben ruime gelegenheid om God te eren en goed te doen, maar het is hun zeer nodig om op hun hoede te zijn tegen hoogmoed. Gelukkig het volk, dat gezegend is met zulke uitnemende mannen, het is een teken ten goede.
II. Welk goed hij deed in zijn plaats. Met de macht, die hij bezat, was hij zeer nuttig aan zijn land, en hier zullen wij zien waarnaar Job zich in de dagen van zijn voorspoed geschat heeft. Het is natuurlijk voor de mens om enige waardering te hebben van zichzelf en wij kunnen enigszins oordelen over ons karakter door te letten op hetgeen wij in onszelf waarderen. Job schatte zich, niet naar de eer van zijn geslacht, zijn uitgebreide bezitting, zijn groot inkomen, zijn wèlvoorziene tafel, de vele dienaren die onder zijn bevelen stonden, de tekenen van zijn waardigheid, de voorname inrichting van zijn huis, de schitterende feesten en gastmalen, die hij aanrichtte, maar naar de dienst, die hij zijn land en volk bewees. Goedheid is Gods heerlijkheid, en zij zal ook de onze zijn, indien wij barmhartig zijn gelijk als God barmhartig is, indien wij volmaakt zijn gelijk Hij volmaakt is.
1. Hij schatte zich naar het deel, dat hij had in de achting, de genegenheid en de gebeden van sobere lieden, niet naar de bestudeerde lofredenen van vernuftige lieden en dichters, maar naar de natuurlijke lof van hen, die hem omringden. Allen, die hoorden wat hij zei en zagen wat hij deed, hoe hij zich met al het gezag en de tedere liefde van een vader voor zijn land ten koste gaf voor het algemene welzijn, prezen hem gelukzalig en getuigden voor hem, vers 11. Menig goed woord spreken zij tot hem, en menig goed gebed zonden zij voor hem op, hij achtte het geen eer om iedereen bevreesd voor zich te maken-"Oderint dum metuant-(laat hen haten, mits zij ook vrezen)," noch om met willekeur te handelen, in alles zijn eigen zin en wil door te drijven. zonder er zich om te bekommeren wat de mensen van hem zeiden, maar om evenals Mordechai "aangenaam te zijn bij de menigte van zijn broederen," Esther 10:3. Hij stelde niet zoveel prijs op de lof en de toejuiching van hen, die op een afstand waren, als op het getuigenis van hen, die zijn gedrag en wandel van nabij zagen, steeds in zijn nabijheid waren, hem zagen en hoorden, en dus uit eigen weten konden spreken, inzonderheid van hen, die door hem er beter aan toe waren, en dus uit eigen ervaring konden spreken, dat was de zegen desgenen die verloren ging, vers 13, en voor wie Job het middel was dat hij gered werd. Laat voorname mannen en mannen van een groot vermogen aldus goeddoen, en zij zullen die lof ontvangen, en laat hen, aan wie goed gedaan wordt, het beschouwen als een schuld, die zij aan hun weldoeners hebben te voldoen, om hen te zegenen en voor hen te getuigen, hun invloed op aarde te gebruiken voor hun eer en in de hemel voor hun vertroosting, om hen te loven en voor hen te bidden. Diegenen zijn voorwaar wel zeer ondankbaar, die hun deze geringe vergelding onthouden.
2. Hij schatte zich naar de zorg, welke hij heeft gehad voor hen, die het minst instaat waren om zichzelf te helpen, de armen en nooddruftigen, de weduwen en wezen, de blinden en kreupelen, van wie men niet kon onderstellen dat zij zijn gunst verdienden of ooit instaat zouden zijn hem ervoor te belonen. A. Als de armen benadeeld of verdrukt werden, dan konden zij tot Job roepen, en als hij bevond dat hun klachten gegrond waren, dan hadden zij niet slechts zijn oor en zijn medelijden, maar ook zijn hand, hij bevrijdde de ellendige die riep, vers 12, en wilde niet toelaten dat hij verdrukt en vertreden werd. Hij was de nooddruftigen een vader, vers 16, niet slechts een rechter om hen te beschermen en toe te zien dat hun geen onrecht zou geschieden, maar een vader, om te voorzien in hun behoeften en te zorgen dat zij geen gebrek leden, om hen te leiden en te besturen en bij alle gelegenheden voor hen op te treden en voor hen in de bres te springen. Het is voor de zoon van een vorst geen verkleining om een vader te zijn voor de armen.
B. De wezen, die geen helper hadden, vonden Job bereid om hun een helper te zijn, en als zij in benauwdheid waren, hen te verlossen. Hij hielp hen om hun voordeel te doen met hetgeen zij hadden, hielp hen om te betalen wat zij schuldig waren, en voor hen te innen wat aan hen verschuldigd was, hielp hen om hun weg te maken in de wereld, hielp hen in hun zaken, om ze te beginnen en om ze voort te zetten, aldus behoren wezen geholpen te worden.
C. Zij, die verloren gingen, werden door hem van het verderf gered, die op het punt stonden om van honger en gebrek om te komen, werden door hem ondersteund. Voor kranken, voor verschoppelingen, voor hen die vals beschuldigd waren, of in gevaar om onrechtmatig uit hun bezitting te worden gestoten, of om een andere reden op het punt waren van om te komen, droeg hij zorg. Gelijk het uiterste van het gevaar Job aandreef om zoveel krachtiger voor hen op te treden, zo was zijn tijdige vriendelijke hulp er te meer weldadig door, en hebben zij er hem des te meer om gezegend.
D. De weduwen die zuchtten van droefheid en sidderden van vlees, deed hij vrolijk zingen zo zorgvuldig heeft hij haar beschermd en in haar nood voorzien, en zo van harte haar zaak omhelsd. Het is een genot voor een goed man, en behoort dit te wezen voor een groot, aanzienlijk man, om aan diegenen oorzaak te geven om zich te verblijden, die het meest bekend zijn met smart.
E. Zij, die om enigerlei reden ten einde raad waren, ontvingen van Job tijdige hulp en raad, vers 15. De blinde was ik tot ogen, hen, die niet wisten wat te doen, ten beste radende, en de kreupele was ik tot voeten, diegenen bijstaande met geld en vrienden, die wel wisten wat zij moesten doen, maar niet wisten hoe zij het konden doen. Diegenen worden het best door ons geholpen, die wij helpen juist in hetgeen waarin zij gebrekkig zijn en het meest hulp behoeven. Wij kunnen zelf blind of kreupel worden, en daarom moeten wij hen, die het reeds zijn, helpen en hun medelijden betonen Jesaja 35:3, 4, Hebreeën 12:13.
3. Hij schatte zich naar de nauwgezetheid, waarmee hij in al zijn handelingen gerechtigheid en billijkheid betrachtte. Zijn vrienden hadden hem ten onrechte gelaakt als een verdrukker. "Het is er zoverre vandaan", zegt hij, "dat ik er mij juist op heb toegelegd om ten allen tijde het recht te handhaven en te ondersteunen."
a. Hij wijdde zich aan de bedeling des rechts, vers 14. Ik bekleedde mij met gerechtigheid en zij bekleedde mij, dat is: hij was steeds geneigd en bereid om gerechtigheid te oefenen. Gerechtigheid was "de gordel van zijn lenden," Jesaja 11:5, bleef hem gestadig bij in alles wat hij deed. Gerechtigheid zal hen, die haar aandoen, bekleden, zij zal hen warm houden en hen lieflijk en behaaglijk zijn, zij zal hen veilig bewaren, hen beschutten tegen de ongunst van de tijden, hen versieren en hen aanbevelen in de gunst van God en de mensen.
b. Hij schepte er behagen in, en het gaf hem oorzaak tot een heilige fierheid, hij beschouwde het als zijn grootste eer om recht te doen aan allen, en aan niemand schade of onrecht te doen. Mijn oordeel was een mantel en vorstelijke hoed. Misschien heeft hij niet zelf een mantel en vorstelijke hoed gedragen, hij was zeer onverschillig voor deze tekenen van eer en gezag, diegenen waren er het meest op gesteld, die zich het minst door innerlijke waardij konden aanbevelen, maar de vaste beginselen van gerechtigheid, door welke hijzelf zich liet regeren en naar welke hij regeerde, waren hem in de plaats van al deze versierselen. Als een magistraat de plicht betracht van zijn ambt, dan is dit een eer voor hem, ver boven zijn goud en zijn purper, en behoort daarom zijn verlustiging te zijn, en gewis, indien hij geen gewetenszaak maakt van zijn plicht, niet enigermate beantwoordt aan het doel van zijn verheffing, dan zijn zijn mantel en vorstenhoed, zijn toga en baret, zijn zwaard en staf slechts een smaad voor hem, zoals het purperen kleed en de doornenkroon. waarmee de Joden onze Heiland zochten te bespotten, want gelijk kleren een dode nooit zullen verwarmen, zo zal een purperen gewaad een slecht man nooit tot een achtbaar man maken.
c. Hij gaf zich moeite voor het werk van zijn ambt vers 16. Het geschil dat ik niet wist, dat onderzocht ik. Hij stelde een naarstig onderzoek in naar de feiten, hoorde met geduld en onpartijdigheid beide partijen, stelde alles in het ware licht, en ontdeed het van alle valse schijn. Hij vergeleek al de omstandigheden, teneinde de waarheid te ontdekken, overwoog het voor en tegen van iedere zaak, en dan, maar niet eerder, sprak hij zijn oordeel er over uit, nooit hield hij iemand voor rechtvaardig, hoezeer hij dit ook scheen te zijn, wijl hij "de eerste was in zijn twistzaak," Spreuken 18:17.
4. Hij schatte zich naar zijn tegenstaan van de geweldenaren van hoogmoedige en slechte mensen, vers 17. Ik verbrak de baktanden des verkeerden. Hij zegt niet dat hij hun de nek brak, hij beroofde hen niet van het leven maar hij verbrak hun baktanden, dat is: hij ontnam hun de macht om kwaad te doen, hij vernederde hen, beteugelde hun onbeschaamdheid, en aldus wierp hij de roof uit hun tanden, behoedde de mensen en de bezittingen van eerlijke lieden ervoor om tot hun prooi te worden gemaakt. Als zij de roof reeds tussen hun tanden hadden en hem gulzig wilden inslokken, dan heeft hij hun die kloekmoedig ontrukt, zoals David het lam uit de mond des leeuws gered heeft, niet vrezende, hoewel zij brulden als een leeuw, die geen prooi heeft. Goede magistraten moeten aldus een schrik zijn voor boosdoeners en hen in bedwang houden en een bescherming zijn voor de onschuldigen, en daarvoor hebben zij het nodig om zich te wapenen met ijver en vastberadenheid en een onversaagde moed. Een rechter op de stoel des gerichts heeft het even nodig om dapper en kloekmoedig te zijn, als een legerbevelhebber op het oorlogsveld.