Job 26:1-4
Men zou niet gedacht hebben dat Job, nu hij zoveel pijn en smart leed, zo de draak kon steken met zijn vriend als hij hier doet, en zich vrolijk kon maken over de nietigheid van diens rede, daar zij met de zaak, die tussen hen aanhangig was, niets van doen had. Bildad dacht dat hij een zeer fraaie rede had uitgesproken, dat het onderwerp, dat hij behandelde, zo gewichtig en de taal, die hij had gebruikt zo schoon was, dat hij er de roem mee had verworven beide van een orakel en van een redenaar, maar met tamelijk veel gemelijkheid toont Job hem aan, dat zijn rede van niet zoveel gewicht was als hij wel meende, en hij bespot er hem om. Hij toont aan:
1. Dat het niet veel zaaks was, vers 3. Hoe hebt gij de zaak zoals zij is, ten volle bekend gemaakt. Dit is ironisch gesproken, waarin een verwijt aan Bildad ligt opgesloten wegens zijn ingenomenheid met hetgeen hij gezegd had.
a. Hij dacht zeer helder en duidelijk te hebben gesproken, dat hij de zaak had bekendgemaakt zoals zij is. Hij was zeer ingenomen met zijn eigen denkbeelden (waartoe wij allen maar al te zeer geneigd zijn) en hij dacht dat zij alleen juist waren, waar en begrijpelijk, en dat alle andere denkbeelden nopens de zaak onjuist ongegrond en verward waren, terwijl wij toch, als wij van de heerlijkheid Gods spreken, de zaak niet kunnen bekend maken zoals zij is, want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, of slechts door weerkaatsing, en wij zullen God niet zien zoals Hij is, voor wij in de hemel komen. Hier kunnen wij niets betreffende Hem ordelijk voorstellen, Hoofdst. 37:19.
b. Hij dacht zeer volledig te hebben gesproken al was het dan ook in weinig woorden, dat hij de zaak ten volle bekend had gemaakt, en helaas, het was slechts op bekrompen, armzalige wijze, dat hij er over gesproken had, in vergelijking met de uitgebreidheid en de rijken inhoud van het onderwerp.
2. Dat in die rede geen groot nut stak: "Qui bono-Welk goed hebt gij gedaan met alles wat gij hebt gezegd?" vers 2. Hoe hebt gij met die fraaie rede geholpen dien, die zonder kracht is? Hoe hebt gij met uw wijze voorschriften hem geraden, die geen wijsheid heeft? Job wil hem ervan overtuigen:
a. Dat hij er Gode geen dienst mee gedaan heeft, Hem er niet in het minst door aan hem verplicht heeft. Het is voorzeker onze plicht, en het zal ons tot eer zijn, om voor God te spreken, maar wij moeten niet denken dat Hij onze dienst nodig heeft, of ons er iets voor schuldig is, en Hij zal hem ook niet aannemen, indien hij voortkomt uit een geest van twist en tegenspraak en niet uit oprechte liefde voor Gods heerlijkheid.
b. Dat hij er zijn eigen zaak niet mee gediend had. Hij dacht dat zijn vrienden hem grote dank verschuldigd waren, wijl hij hen hielp toen zij in nood en verlegenheid waren om zich tegen Job te handhaven, waartoe hun de kracht en de wijsheid ontbrak. Zelfs zwakke twistredenaars denken als zij in vuur zijn dat de waarheid hun meer verplicht is dan het geval is.
c. Dat hij er hem geen dienst mee gedaan had. Hij gaf voor Job te willen overtuigen, onderrichten en vertroosten, maar helaas, wat hij gezegd had was zo weinig ter zake, dat het van geen nut was om enigerlei fout of vergissing te herstellen, noch om hem te helpen zijn beproevingen te dragen of er goeds aan te ontlenen, vers 4. "Aan wie hebt gij die woorden verhaald? Was het tot mij, dat gij uw rede gericht hebt? En houdt gij mij voor zo'n kind, dat ik deze onderrichtingen nodig heb? Of acht gij ze geschikt voor iemand in mijn toestand?" Alles wat waar en goed is, is niet altijd gepast en op de gelegen tijd gezegd. Voor iemand, die zoals Job vernederd en verbroken en bedroefd van hart was, had hij over de genade en barmhartigheid van God moeten prediken, veeleer dan over Zijn grootheid en majesteit, hem de vertroostingen Gods moeten voorhouden veeleer dan de verschrikkingen des Almachtigen. Christus weet met de moeden een woord ter rechter tijd te spreken, Jesaja 50:4 en Zijn dienaren moeten leren het woord van de waarheid recht te snijden, moeten diegenen niet treurig maken, die God niet treurig gemaakt wil hebben, zoals Bildad gedaan heeft, en daarom vraagt Job hem: Wiens geest is van u uitgegaan? dat is: "Welke ontroerde ziel zou ooit door redenen als deze verkwikt en geholpen en tot zichzelve worden gebracht?" Zo worden wij dikwijls teleurgesteld in onze verwachtingen van onze vrienden, die ons behoorden te vertroosten, maar de Trooster, die de Heilige Geest is, vergist zich nooit in Zijn werkingen, en mist nooit Zijn doel.