Job 22:5-14
Elifaz en zijn metgezellen hadden Job in het algemeen veroordeeld als een goddeloos man en een geveinsde, maar geen hunner was nog in bijzonderheden getreden of had artikelen van beschuldiging tegen hem opgesteld, totdat Elifaz het hier deed, daar hij hem stellig en uitdrukkelijk beschuldigt van vele zware misdaden en wandaden, die, zo hij er werkelijk schuldig aan ware geweest, hen wel in hun hard oordeel over hem en hun harde bestraffingen van hem hadden kunnen rechtvaardigen. "Kom", zegt Elifaz, "wij zijn te zacht geweest met Job, wij hebben te veel gevreesd hem te grieven, hetgeen hem slechts bevestigd heeft in zijn rechtvaardiging van zichzelf. Het is hoog tijd om duidelijk en klaar met hem te zijn, wij hebben hem veroordeeld door gelijkenissen, maar dat beantwoordt niet aan het doel, wij moeten hem dus rond en duidelijk zeggen: "Gij zijt de man, de tiran, de verdrukker, de atheïst, van wie wij al die tijd gesproken hebben." "Is niet uw boosheid groot? Voorzeker wèl, anders zouden uw rampen zo groot niet zijn. Ik beroep mij op uzelf, op uw eigen geweten, zijn uw ongerechtigheden niet zonder getal, zowel in aantal als in snoodheid is uwer ongerechtigheid geen einde." Strikt genomen is niets oneindig dan God, maar hij bedoelt dat zijn zonden meer in aantal zijn dan hij kan tellen, en snoder dan hij zich kan voorstellen. In zonde, bedreven tegen de oneindige Majesteit, is een soort van oneindige boosheid of kwaadaardigheid. Maar als Elifaz Job aldus zwaar beschuldigt, en hieromtrent nog wel in bijzonderheden treedt, hem ten laste leggende hetgeen hij niet wist, dan kunnen wij hier aanleiding uit nemen:
1. Om te toornen tegen hen, die hun broederen onrechtvaardiglijk laken en veroordelen. Voor zoveel ik weet was Elifaz, door Job valselijk te beschuldigen, zoals hij hier doet, schuldig aan een even grote zonde, en een even groot onrecht tegen Job, als de Sabeërs en Chaldeen, die hem hadden beroofd, want iemands goede naam is kostelijker en van meer waardij dan zijn rijkdom. Het druist in tegen al de wetten van gerechtigheid, barmhartigheid en vriendschap om, hetzij zelf laster te bedenken en te verspreiden, hetzij boze vermoedens op te wekken of van anderen aan te horen en voor waar aan te nemen, en dit is temeer laag en onvriendelijk, als wij er diegenen mee grieven en kwellen, die reeds in grote droefheid zijn en dus nog toedoen aan hun smart. Elifaz kon geen bewijzen overleggen van Jobs schuld in welke van de zaken ook, die hij hier noemt, maar hij schijnt besloten om maar stoutmoedig te lasteren en alle mogelijke smaad op Job te werpen, niet twijfelende of er zal hem wel iets van blijven aankleven.
2. Medelijden te hebben met hen, die aldus geblameerd en veroordeeld worden. De onschuld zelf biedt geen waarborg tegen lastertongen. Job, die God zelf geprezen had als de beste mens ter wereld, wordt hierdoor een van zijn vrienden-die zelf een wijs en Godvruchtig man is-voorgesteld als een van de grootste schelmen van de aarde. Laat ons het niet vreemd achten indien wij te eniger tijd aldus zwart gemaakt worden, maar leren om door kwaad gerucht heen te gaan, zowel als door goed gerucht, en, zoals Job gedaan heeft, onze zaak over te geven aan Hem, die rechtvaardig oordeelt.
Beschouwen wij de artikelen van deze beschuldiging.
I. Hij beschuldigt hem van verdrukking en onrechtvaardigheid dat hij in zijn staat van voorspoed niet alleen met zijn rijkdom en macht geen goed gedaan heeft, maar er zeer veel kwaad mee heeft gedaan. Dit was ten enenmale onwaar, zoals blijkt uit het bericht dat Job van zichzelf geeft, Hoofdst. 29:12 en verv. en uit het karakter, dat hem door God werd toegeschreven, Hoofdst. 1 En toch:
1. Brengt Elifaz een beschuldiging tegen hem in omtrent verscheidene zaken, en wel met evenveel zekerheid en gerustheid alsof hij getuigen kon bijbrengen, die ieder artikel van zijn beschuldiging onder ede konden bewijzen. Hij zegt hem:
a. Dat hij wreed en onbarmhartig is geweest voor de armen. Als magistraat had hij hen moeten beschermen, moeten zorgen dat in hun noden voorzien werd, maar Elifaz vermoedt dat hij hun nooit enigerlei vriendelijkheid heeft bewezen, maar hun wel al het kwaad heeft gedaan, waartoe zijn macht hem instaat stelde, dat hij voor een onbeduidende schuld een pand van grote waarde eiste en met geweld nam, zelfs van zijn broeder van wiens eerlijkheid en goede trouw hij overtuigd kon zijn, vers 6. Gij hebt uw broeder zonder oorzaak pand afgenomen, of zoals de LXX het hebben, gij hebt uw broederen als panden genomen, en dat wel zonder oorzaak, hen gevangen gezet, tot slaven gemaakt, omdat zij niet bij machte waren om te betalen dat hij zijn insolvente huurders en schuldenaars zelfs hun kleren had ontnomen, zodat hij hen naakt uitkleedde en hen aldus naakt liet blijven. De wet van Mozes verbood dit, Exodus 22:26, Deuteronomium 24:13. Dat hij niet liefdadig is geweest voor de armen, neen, zelfs niet voor arme reizigers en arme weduwen. "Gij hebt de moede, die er u om vroeg, niet eens een beker koud water gegeven (dat u niets gekost zou hebben) vers 7, al zou hij uit gebrek er aan ook omgekomen zijn, ja meer, gij hebt de hongerigen in hun uiterste nood brood onthouden, het hem niet alleen niet gegeven, maar verboden het hem te geven, en dat is het goed onthouden aan hem, aan wie het toekomt Spreuken 3:27. Arme weduwen die, toen haar echtgenoten nog leefden, niemand lastig vielen, maar nu genoodzaakt waren hulp en steun te zoeken, hebt gij ledig met een bedroefd hart van uw deur weggezonden, vers 9. Zij, die tot u kwamen om recht, hebt gij weggezonden zonder hen te horen, zonder hen te helpen, ja, hoewel zij vol tot u kwamen, hebt gij hen beroofd en ledig weggezonden. En het ergste van alles: de armen van de wezen zijn verbrijzeld, hen, die slechts weinig zichzelf konden helpen, hebt gij geheel onmachtig gemaakt om zichzelf te helpen." Dit, hetwelk het zwaarste is van de beschuldiging, wordt thans te kennen gegeven, de armen van de wezen zijn verbrijzeld, hij zegt niet: "Gij hebt ze verbrijzeld," maar hij wil het zo opgevat zien, en indien zij verbrijzeld zijn, en degenen, die er de macht toe hebben hen niet helpen, dan moet dit hun ten laste gelegd worden. "Zij zijn verbrijzeld door uw onderhorigen, en gij hebt dit oogluikend toegelaten, waardoor gij deelt in hun schuld."
b. Dat hij partijdig is geweest voor de rijken en groten, vers 8. Maar was er een man van geweld, indien hij schuldig was aan een misdaad, werd hij er niet om ter verantwoording geroepen, hij had het land en woonde daarin, als hij een nog zo onrechtvaardige rechtszaak inbracht of indien een nog zo rechtvaardige rechtszaak tegen hem werd ingebracht-hij was er zeker van zijn zaak voor uw gerechtshoven te zien zegevieren. De armen werden aan uw deur niet gespijzigd, terwijl de rijken aan uw tafel op een gastmaal werden onthaald." Hiertegenover staat Christus' regel voor gastvrijheid, Lukas 14:12-14, en Salomo zegt: "die de rijke geeft komt zeker tot gebrek."
2. Aan deze veronderstelde zonden schrijft hij al zijn tegenwoordige rampen toe, vers 10-11. "Zij, die zich aan zulke praktijken schuldig maken, brengen zich gewoonlijk in juist zo'n toestand als waarin gij u nu bevindt, en daarom komen wij tot de gevolgtrekking dat gij u aldus schuldig gemaakt hebt." a. Het is Gods wijze van doen, om de zodanigen te dwarsbomen en te belemmeren, in de engte te brengen, en daarom zijn strikken rondom u, zodat gij, waar gij u ook henenwendt, overal in moeilijkheid zijt, en nu zijn anderen even hard voor u als gij voor de armen geweest zijt."
b. Men kan verwachten dat hun eigen geweten hen zal beschuldigen en verschrikken, van geen zonde gaat er een luider geroep op dan van onbarmhartigheid, en dienovereenkomstig wordt gij haastiglijk door vervaardheid beroerd, en-ofschoon gij het niet wilt bekennen het is schuld, waardoor u al deze verschrikking veroorzaakt wordt." Zofar had dit ook reeds bedektelijk te kennen gegeven, Hoofdst. 20:19, 20.
c. "Zij worden teneinde raad, zij zijn zo verbaasd en verbijsterd, dat zij niet weten wat te doen, en ook dit is uw toestand, want gij zijt zo in duisternis, dat gij niet kunt zien waarom God met u twist noch wat voor u het beste is om te doen, want des waters overvloed bedekt u," dat is: "gij bevindt u in een dikke mist, temidden van donkere wateren, de zware wolken van de lucht." Aan hen, die geen barmhartigheid getoond hebben, kan rechtvaardiglijk de troostrijke hoop ontzegd worden dat hun barmhartigheid zal geschieden, en wat kunnen zij dan anders verwachten dan strikken en duisternis en voortdurende verschrikking?
II. Hij beschuldigt hem van atheïsme, ongeloof en grove goddeloosheid, en hij dacht dat dit op de bodem was van zijn onrechtvaardigheid en zijn verdrukking, hij, die God niet vreesde, ontzag geen mens. Hij wilde Job voor een Epicurist doen doorgaan, die wel het bestaan van God erkende, maar Zijn voorzienigheid loochende, en zich verbeeldde dat Hij zich beperkte tot het bestuur van de bovenwereld, maar zich om de bewoners en de zaken van deze wereld niet bekommerde.
1. Elifaz duidt hier op een goede waarheid, en hij dacht dat, zo Job die waarheid slechts ter harte nam, hij niet zo hartstochtelijk zou zijn in zijn klachten, noch zo stoutmoedig in zijn rechtvaardiging van zichzelf, vers 12. Is niet God in de hoogte van de hemelen? ja, ongetwijfeld is Hij daar, geen hemel zo hoog of God is er, en in de hoogste hemelen, de hemelen van de gelukzaligen, de woning van Zijn heerlijkheid, is Hij op een bijzondere wijze, daar behaagt het Hem om zich te openbaren op een wijze, die aan de bovenwereld bijzonder eigen is, en vandaar behaagt het Hem om zich te openbaren op een wijze, die voor deze lagere wereld geschikt is. Daar is Zijn troon, daar is Zijn hof, Hij zelf wordt de Hemel genoemd, Daniël 4:26. Aldus bewijst Elifaz dat een mens niet nuttig of voordelig kan zijn aan God, vers 2, dat hij niet met God behoort te twisten-het is zijn dwaasheid indien hij dit wèl doet, -en dat wij ons altijd tot God moeten wenden met zeer grote eerbied, want als wij het opperste van de sterren aanschouwen, en zien dat zij verheven zijn, dan kunnen wij terzelfder tijd de alles-overtreffende majesteit Gods overwegen, die boven de sterren is, en bespeuren hoe verheven Hij is.
2. Hij legt Job ten laste een slecht gebruik te hebben gemaakt van deze leer, waarvan hij een zo goed gebruik had kunnen maken, vers 13. Dit is de waarheid in ongerechtigheid tenonder houden, de Godsdienst bestrijdende met zijn eigen wapenen. Gij zijt bereid te erkennen dat God in de hoogte van de hemelen is, maar hieruit leidt gij af: Hoe zal God dan weten? Slechte mensen verbannen de vreze Gods uit hun hart door het oog van God uit de wereld te bannen, Ezechiël 8:12, en bekommeren zich niet om hetgeen zij doen, zo zij slechts zichzelf kunnen overreden om te geloven dat God het niet weet. Elifaz verdenkt Job van zodanige denkbeelden te koesteren omtrent God dat, wijl Hij in de hoogte van de hemelen is: a. Het voor Hem onmogelijk is om op zo grote afstand te zien en te horen wat op aarde gedaan of gezegd wordt, inzonderheid wijl er een donkere wolk, vers 13, is, ja vele wolken, vers 14, zijn tussen Hem en ons, die Hem een verberging zijn, zodat Hij de zaken van deze lagere wereld niet zien kan, en nog veel minder er over kan oordelen, alsof God vleselijke ogen had, Hoofdst. 10:4. Het tussenliggende uitspansel is voor Hem als doorschijnend kristal, Ezechiël 1:22. Afstand van plaats brengt geen moeilijkheid teweeg voor Hem, die oneindig is, evenmin als afstand van tijd voor Hem, die eeuwig is. Of,
b. Dat het daarom beneden Hem is en een verkleining van Zijn heerlijkheid, om kennis te nemen van dit geringere deel van de schepping. Hij bewandelt de omgang van de hemelen, en heeft genoeg te doen om zich in die schitterende, kalme wereld te verlustigen in Zichzelf en in Zijn volmaaktheden, waarom zou Hij zich dan om ons bekommeren? Dit is grove ongerijmdheid, zowel als grove goddeloosheid, welke Elifaz hier aan Job toeschrijft, want het onderstelt dat het bestuur van de wereld een last en een verkleining is voor de Opperbestuurder, en de handelingen van gerechtigheid en barmhartigheid een zwaar werk opleveren voor Hem, die oneindig wijs, heilig en goed is. Indien de zon, een onbezield schepsel, met haar licht en haar invloed deze aarde en ieder deel ervan kan bereiken, Psalm 19:7, zelfs van die ontzaglijke hoogte van de zichtbare hemel waar zij zich bevindt en de omgang, die zij doorwandelt, en door menige dikke en donkere wolk heen, zullen wij dit dan ten opzichte van de Schepper betwijfelen?