Job 1:4-5
Wij hebben hier een nader bericht van Jobs voorspoed en Godsvrucht.
I. Er wordt nota genomen van het grote genot, dat hij smaakte in zijn kinderen, als een blijk van zijn voorspoed. Want onze tijdelijke genietingen hangen af van anderen, en zijn zoals degenen zijn, die ons omringen. Job zelf spreekt er van als van het grootste genot dat hij smaakte in zijn staat van voorspoed, dat zijn kinderen rondom waren, Hoofdst. 29:5. Zij hielden beurtelings op zekere tijden een maaltijd, vers 4. Zij gingen en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag. Het was voor deze Godvruchtigen man lieflijk om:
1. Zijn kinderen volwassen te zien en gevestigd in de wereld. Al zijn zonen woonden in hun eigen huis, waarschijnlijk waren zij gehuwd, en aan ieder van hun had hij een genoegzaam goed gegeven, om zelf een huisgezin te kunnen onderhouden. Zij, die olijfplanten waren geweest rondom zijn tafel, waren nu er toe gekomen om zelf een tafel te hebben.
2. Hen voorspoedig te zien in hun zaken instaat om elkaar aan een feestmaal te onthalen, zowel als om zichzelf te voeden. Goede ouders wensen en bevorderen de welvaart en de voorspoed van hun kinderen, en verheugen er zich in als in hun eigen.
3. Hen gezond te zien, er was geen ziekte in hun huis, want dat zou hun feesten bedorven hebben en ze in rouwbedrijf hebben verkeerd.
4. Maar inzonderheid, om hen in liefde en eensgezindheid te zien leven, in wederzijdse genegenheid voor elkaar, er was geen twist geen onenigheid onder hen, geen vervreemding van elkaar, geen karigheid onder hen, maar hoewel ieder het zijne kende leefden zij zo vrij met elkaar, alsof zij alle goederen gemeenschappelijk hadden. Het is troostrijk voor het hart van ouders, en lieflijk om aan te zien voor allen, broeders aldus saamverbonden te zien, "ziet, hoe goed en hoe lieflijk het is!" Psalm 133:1.
5. Het vermeerderde de lieflijkheid ervan, om hen zo vriendelijk te zien voor hun zusters dat zij haar uitnodigden tot deze maaltijden, die zó bescheiden waren dat zij niet gegaan zouden zijn om er deel aan te nemen, indien zij er niet toe uitgenodigd waren. Broeders, die hun zusters veronachtzamen, haar gezelschap niet begeren en zich nooit aan haar gemak of genoegen gelegen laten liggen, zijn ruw en boosaardig van gemoed, en gelijken volstrekt niet op Jobs zonen. Hun feestmaaltijden waren zo sober, en het schijnt er zo ordelijk en betamelijk bij toegegaan te zijn, dat hun zusters ze gerust konden bijwonen.
6:Zij hielden die maaltijden in hun eigen huizen, in geen huizen, die voor ieder toegankelijk waren, en waar zij dus meer aan verzoeking blootgesteld zouden zijn.
Wij bevinden niet dat Job zelf aan deze maaltijden deel heeft genomen. Zij hebben hem ongetwijfeld wèl er toe genodigd, en hij zou van allen de meest welkome gast aan hun tafel geweest zijn, en het was ook niet uit gemelijkheid van aard of uit gebrek aan natuurlijke liefde, dat hij er van wegbleef, maar bij was oud en, zoals Barzillai, 2 Samuël 19:35 S van deze dingen afgestorven, en hij achtte dat de jonge lieden onder elkaar alleen meer vrolijk en vrij zouden zijn. Hij wilde zijn kinderen ook niet terughouden van het vermaak, dat hij zichzelf ontzegde. Aan jonge lieden kan een jeugdige vrijheid worden toegestaan, mits zij de lusten van de jeugd vlieden.
II. Van zijn grote zorg over zijn kinderen wordt nota genomen als van een blijk van zijn Godsvrucht. Want wij zijn in werkelijkheid wat wij ons met betrekking tot anderen tonen te zijn. Zij, die goed zijn, zullen goed wezen voor hun kinderen, inzonderheid zullen zij doen wat zij kunnen tot welzijn van hun ziel.
Merk op Jobs vrome zorg voor het geestelijk welzijn van zijn kinderen, vers 5.
1. Hij koesterde een Godvruchtige bezorgdheid over hen, en die moeten wij ook koesteren over onszelf en over hen, die wij liefhebben, in zoverre het nodig is voor onze zorg en voor ons streven naar hun welzijn. Job had aan zijn kinderen een goede opvoeding gegeven, hij had genoegen van hen en goede hoop omtrent hen, en toch zei hij: "Misschien hebben mijn0 kinderen gezondigd toen zij hun maaltijd hielden, meer dan op andere tijden, misschien waren zij al te vrolijk, hebben zij al te grote vrijheid gebruikt in hun eten en, drinken en hebben zij God in hen hart gezegend," dat is: "misschien hebben zij atheïstische, onheilige gedachten in hun hart toegelaten onwaardige denkbeelden omtrent God en Zijn voorzienigheid en de beoefening van de Godsdienst." Toen zij zat waren, waren zij misschien bereid de Heere te verloochenen, zeggende: "Wie is de Heere?" Spreuken 30:9, bereid om God te vergeten, zeggende: "Onze kracht, en" "de sterkte van onze hand, heeft ons dit vermogen verkregen," Deuteronomium 8:12 en verv. Niets vervreemdt meer het hart van God dan een toegeven aan het vlees.
2. Zodra de dagen van hun maaltijden voorbij waren, riep hij hen samen voor plechtige verrichtingen van de Godsdienst, niet zolang hun maaltijden duurden-laat hen daar hun tijd voor nemen, er is een tijd voor alles-maar als zij voorbij waren, dan heeft hun vrome vader hen er aan herinnerd dat zij moeten weten op te houden, niet moeten denken alle dagen vrolijk en prachtig te leven, al hebben zij nu de gehele week maaltijd gehouden moeten zij niet denken dit ook het gehele jaar te doen, zij hebben ook nog wel wat anders te doen. Zij, die vrolijk zijn, moeten ook een tijd vinden om ernstig te wezen.
3. Hij nodigde hen om zich te bereiden voor plechtige inzettingen, hij zond heen en heiligde hen, gebood hun om hun eigen hart te onderzoeken, berouw te hebben van hetgeen zij bij hun maaltijden verkeerd hadden gedaan, hun ijdelheid af te leggen, en zich voor Godsdienstige handelingen te bereiden. Zo behield hij zijn gezag over hen tot hun welzijn, en zij onderwierpen er zich aan, al woonden zij nu in hun eigen huizen. Nog was hij de priester van het geslacht, en aan zijn altaar verschenen zij allen, hun deel in zijn gebeden op hoger prijs stellende dan hun deel in zijn bezittingen. Ouders kunnen aan hun kinderen geen genade geven (het is God, die heiligt), maar zij behoren door gepaste vermaningen en raadgevingen hun heiligmaking te bevorderen. In hun doop werden zij Gode geheiligd, aan Hem gewijd, Iaat het onze begeerte en ons streven zijn dat zij voor Hem geheiligd zullen worden.
4. Hij offerde brandofferen voor hen, beide om verzoening te doen voor de zonden, waaraan zij zich, vreesde hij, schuldig hadden gemaakt in de dagen van hun feestviering, en goedertierenheid voor hen te smeken om te vergeven, en genade om het bederf te voorkomen van hun hart, van hun zeden en manieren door de vrijheid, die zij zich veroorloofd hadden, en om hen bij hun reinheid en Godsvrucht te bewaren.
Job had, evenals Abraham, een huisaltaar voor zijn gezin, waarop hij waarschijnlijk dagelijks geofferd heeft, maar bij deze buitengewone gelegenheid offerde hij meer brandoffers dan gewoonlijk, en met meer plechtigheid, naar hun aller getal, één voor ieder kind. Ouders moeten in hun gebed tot God de onderscheidene leden van hun gezin gedenken, "Voor dit kind bad ik naar zijn bijzondere aard en aanleg en toestand", waarnaar het gebed, zowel als het streven in de opvoeding, zich richten moet.
Als deze offeranden geofferd moesten worden:
a. Stond hij vroeg op, als iemand die in zorg is dat zijn kinderen te lang onder schuld zouden blijven, en als één, wiens hart in zijn werk is en wiens begeerte er naar uitgaat.
b. Verlangde hij van zijn kinderen, dat zij bij de plechtigheid van het offeren tegenwoordig zouden zijn en zich met hem zouden verenigen in de gebeden, die hij met de offeranden tot God opzond, opdat het gezicht van het slachten van het offer hen zou verootmoedigen wegens hun zonden, voor welke zij verdienden te sterven, en het gezicht van het offeren hen zou leiden tot een Middelaar. Dit ernstige werk zal er toe bijdragen om hen na de dagen van hun vrolijkheid weer ernstig te maken.
Eindelijk. Dat deed Job al die dagen, niet alleen wanneer er iets van die aard voorviel, want "die gewassen is, heeft nog van node de voeten" "te wassen," Johannes 13:10, de daden van berouw en geloof moeten dikwijls vernieuwd worden, omdat wij dikwijls opnieuw overtreden, maar alle dagen, iedere dag offerde hij zijn brandofferen, hij was standvastig in de oefeningen van de Godsvrucht, en verzuimde ze geen enkele dag. De oefeningen van de Godsvrucht bij buitengewone gelegenheden stellen ons niet vrij van die, welke op vastgestelde tijden moeten plaatshebben. Hij, die God dient in oprechtheid, zal Hem voortdurend dienen.