Job 19:8-22
Bildad had onoprechtelijk Jobs klachten verkeerd voorgesteld door ze tot een beschrijving te maken van de toestand eens goddelozen, en toch herhaalt Job ze hier teneinde hun medelijden op te wekken en op hun goedhartigheid te werken, zo daar nog iets van in hen was overgebleven.
I. Hij klaagt over de tekenen van Gods misnoegen, waaronder hij zich bevindt, en die gal en alsem waren in de beker van zijn ellende. Hoe treurig zijn de tonen van zijn klacht, vers 11, "Hij heeft Zijn toorn tegen mij ontstoken die opvlamt en mij verschrikt, die mij brandt en pijnigt." Wat is het vuur van de hel anders dan de toorn Gods? Toegeschroeide gewetens zullen het hiernamaals gevoelen, maar thans vrezen zij het niet. Verlichte gewetens vrezen het thans, maar zullen het hiernamaals niet gevoelen. Wat Job nu vreesde was dat God hem als een van Zijn vijanden achtte, en toch had God hem lief en roemde Hij in hem als Zijn getrouwe vriend. Het is een grove dwaling, maar die zeer algemeen heerst, om te denken dat God hen, die Hij beproeft, als Zijn vijanden behandelt, daar Hij integendeel hen, die Hij liefheeft, bestraft en kastijdt, het is de tucht van Zijn zonen.
Werwaarts Job ook de blik richtte, overal meende hij de tekenen van Gods misnoegen op hem te zien.
1. Zag hij terug op zijn vorige voorspoed? Hij zag hoe Gods hand daar een einde aan maakte, vers 9. "Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, mijn rijkdom, mijn eer en macht en iedere gelegenheid, die ik had om goed te doen, heeft Hij mij ontnomen, mijn kinderen waren mijn heerlijkheid, maar ik heb ze verloren, en alles wat een kroon voor mijn hoofd was, heeft Hij mij ontrukt, al mijn eer heeft Hij in het stof gelegd." Zie de ijdelheid van wereldse eer en heerlijkheid, het is hetgeen waarvan wij zeer spoedig beroofd kunnen worden, en wie of wat het ook zij dat ons er van berooft, wij moeten er Gods hand in zien en ons onderwerpen aan Zijn wil.
2. Zag hij op zijn tegenwoordige ellende? Hij zag hoe zij van God kwam, dat Hij haar gezonden heeft. Zijn rampen waren Gods benden, die handelden naar Zijn bevel en Zijn aanwijzing, en zij hebben zich rondom zijn tent gelegerd, vers 12. Het heeft hem niet zozeer ontroerd, dat zijn rampen in troepen of benden over hem kwamen, als wel dat zij Gods benden waren, in welke het scheen dat God tegen hem streed en zijn verderf op het oog had. Gods benden legerden zich rondom zijn tent, zoals krijgslieden het beleg slaan voor een sterke stad, alle toevoer van levensmiddelen er heen afsnijdende en haar voortdurend rammeiende, aldus was Jobs tabernakel belegerd. Er was een tijd, toen Gods heirscharen zich rondom hem legerden om hem te beveiligen: Hebt Gij niet een omtuining gemaakt voor hem en voor zijn huis en voor al dat hij heeft rondom? Nu daarentegen omringden zij hem tot zijn verschrikking, en hebben hem rondom afgebroken, vers 10.
3. Zag hij voorwaarts naar uitredding? Hij zag hoe de hand Gods alle hoop daarop heeft afgesneden, vers 8. "Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan. Er is mij nu geen weg, geen middel gelaten om mijzelf te helpen, hetzij door mij te redden uit mijn ellende of er mij verlichting onder te verschaffen. Zou ik een beweging willen maken, enige stappen doen ter mijner bevrijding? Ik vind mijn weg toegemuurd, ik kan niet doen wat ik zou willen doen, het is niet slechts buiten mijn bereik, maar buiten mijn gezicht: over mijn paden heeft God duisternis gesteld en er is niemand bij mij, die weet hoe lang" Psalm 74:9. Hij komt tot het besluit, vers 10 "ik ben weg, geheel verloren voor deze wereld. Hij heeft mijn verwachting als een boom weggerukt, afgesneden of ontworteld, die nooit meer groeien zal." De hoop in dit leven is iets vergankelijks, maar als de hoop van de Godvruchtigen afgesneden is van deze wereld, dan is zij slechts verplaatst, evenals een boom overgeplant van deze kweekplaats naar de hof des Heeren. Wij zullen geen reden hebben tot klagen, indien God aldus onze hoop wegneemt van het zand en overbrengt naar de rots, van hetgeen tijdelijk is naar hetgeen eeuwig is.
II. Hij klaagt over de onvriendelijkheid van zijn betrekkingen en van al zijn vroegere bekenden. Ook hierin erkent hij de hand Gods vers 13, Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan, dat is: "Hij heeft deze beproevingen over mij gebracht, die hen van mij wegschrikken en hen op een afstand houden van mijn wonden." Daar het hun zonde was, was God er de werker niet van, het is Satan, die des mensen hart vervreemdt van hun broederen, die in benauwdheid zijn, maar inzover het Jobs leed en ellende was, heeft God het aldus beschikt ter volmaking van zijn beproeving. Gelijk wij Gods hand moeten zien in al de beledigingen die wij ontvangen van onze vijanden (de Heere heeft aan Simeï gezegd: vloek David) zo moeten wij haar ook zien in al de veronachtzaming en onvriendelijkheid, die wij ondervinden van onze vrienden, hetgeen ons helpen zal om ze met te meer geduld te dragen. Ieder schepsel is datgene voor ons, wat God het voor ons doet zijn, maar dit neemt van Jobs bloedverwanten en vrienden de schuld niet weg van gruwelijke ondankbaarheid en onrechtvaardigheid jegens hem, waarover hij reden had te klagen, weinigen zouden het zo voorbeeldig hebben kunnen dragen als hij het gedragen heeft. Hij neemt nota van de onvriendelijkheid:
1. Van zijn bloedverwanten en bekenden, van zijn naburen en van degenen, met wie hij vroeger gemeenzaam heeft omgegaan en die door alle wetten van vriendschap en burgerlijke beleefdheid gehouden en verplicht waren hem belangstelling te tonen en bereid te zijn hem alle goede diensten te betonen, die zij konden, maar deze waren van hem vervreemd, vers 13 zij bekommerden zich even weinig om hem als wanneer hij een vreemdeling voor hen was, die zij nooit gekend hebben. Die van zijn maagschap waren en op bloedverwantschap met hem aanspraak maakten, toen hij in voorspoed was faalden hem thans, bleven achter bij hun vroegere betuigingen van vriendschap voor hem en zijn tegenwoordige verwachting van vriendelijkheid van hen. Zelfs zijn gemeenzame, vertrouwde vrienden, hadden hem nu vergeten, hadden zowel zijn vroegere vriendelijkheid voor hen als zijn tegenwoordige ellende vergeten, zij hadden gehoord van zijn rampen en waren voornemens hem een bezoek te brengen, maar waarlijk, zij hadden het vergeten, zo weinig zijn zij er door aangedaan geworden.
Ja meer, zijn innigste vrienden, de mensen van zijn heimelijke raad, met wie hij het vertrouwelijkst omging, hadden hem niet slechts vergeten, maar zij hadden een gruwel aan hem, bleven zo ver van hem weg als zij slechts konden, omdat hij arm was, hen niet gastvrij kon onthalen zoals hij vroeger placht te doen en omdat hij pijnlijk was, en walglijk en afzichtelijk om aan te zien. Zij, die hij liefhad en die dus erger waren dan tollenaren, indien zij hem niet liefhadden nu hij in benauwdheid verkeerde, hebben zich niet alleen van hem afgewend, maar zich tegen hem gekeerd en alles gedaan wat zij konden om hem hatelijk te maken, teneinde hun zo vreemde houding tegenover hem te rechtvaardigen, vers 19. Zo onzeker is de vriendschap van mensen, maar als God onze vriend is, dan zal Hij ons niet falen in de tijd van nood. Maar laat niemand, die aanspraak maakt op menselijkheid of Christendom, ooit zijn vrienden behandelen zoals Jobs vrienden hem behandeld hebben. Tegenspoed is een toetssteen voor vriendschap.
2. Van zijn dienstboden en familiebetrekkingen. Soms voorzeker gebeurt het dat er, boven hetgeen wij verwacht hebben, een vriend is, die meer aankleeft dan een broeder, maar het hoofd van een huis, van een gezin, verwacht tenminste dat hij gediend zal worden, dat er zorg voor hem gedragen zal worden door hen, die tot zijn gezin behoren, zelfs dan wanneer hij door zwakheid van lichaam of geest voor anderen verachtelijk is geworden. Maar Job werd zelfs door zijn eigen gezin veronachtzaamd, en sommigen van zijn ergste vijanden waren die van zijn eigen huis. Van zijn kinderen maakt hij geen melding, zij waren allen dood, en wij kunnen onderstellen dat de onvriendelijkheid van zijn nog levende bloedverwanten hem de dood van zijn kinderen nog zoveel te meer deed betreuren. "Indien zij nog leefden", zal hij gedacht hebben, "ik zou vertroosting hebben gesmaakt in hen." En wat nu hen betreft, die nog om hem heen waren:
A. Zijn eigen dienstboden betoonden hem geringachting, zijn dienstmaagden verzorgden hem niet in zijn ziekte, maar achtten hem voor een vreemde, een uitlander, vers 15. Zijn andere dienaren sloegen geen acht op hem, op zijn roepen kwamen zij niet, voorgevende dat zij hem niet hoorden. Als hij hun iets vroeg, verwaardigden zij zich niet hem te antwoorden, vers 16. Job is een goed meester voor hen geweest hij heeft hun recht niet versmaad als zij geschil met hem hadden, Hoofdst. 31:13, en toch waren zij nu ruw en lomp voor hem, en versmaadden zij zijn recht nu hij geschil met hen had. Wij moeten het niet vreemd vinden als wij kwaad ontvangen van hen, jegens wie wij ons verdienstelijk hebben gemaakt. Hoewel hij nu ziek was, was hij toch niet knorrig tegen zijn dienstboden, zoals maar al te dikwijls het geval is met kranken, hij heeft hun niet kort en uit de hoogte bevelen gegeven, maar smeekte tot hen met zijn mond, toen hij het recht had te gebieden, en toch wilden zij hem geen beleefdheid betonen, of vriendelijk en rechtvaardig voor hem zijn. Zij, die ziek zijn en smart hebben, zijn licht geneigd de dingen euvel op te nemen, gevoelig te zijn voor de minste veronachtzaming, in het hart gegriefd te zijn wegens de minste onvriendelijkheid. Toen Job zo zwaar beproefd was, heeft zelfs de onachtzaamheid van zijn dienstboden hem ontroerd.
B. Maar nu zou men denken dat, toen allen hem verlieten, zijn huisvrouw hem tenminste tederheid zou betonen. Maar neen, omdat hij God niet wilde vloeken en sterven, zoals zij hem had voorgesteld, was zijn adem ook haar vreemd, kwam zij liever niet in zijn nabijheid, en nam zij niet de minste notitie van hetgeen hij zei, vers 17. Hoewel hij tot haar sprak, niet met het gezag, maar met de tederheid van een echtgenoot, haar niet gebood, maar smeekte bij de echtelijke liefde. waarvan hun kinderen het onderpand waren, sloeg zij toch geen acht op hem. Sommigen lezen dit: "Hoewel ik treurde om de kinderen", dat is: om de dood van de kinderen, die ik bij haar gewonnen heb, welke beproeving haar toch evenzeer trof als hem. Nu bleek het dat de duivel haar gespaard had, niet alleen om zijn verleidster maar ook om zijn pijnigster te wezen. Uit hetgeen zij in het eerst tot hem zei: Vloek God en sterf, bleek dat er weinig Godsdienst in haar was, en wat voor goeds en vriendelijks kan men verwachten van hen, die geen vreze Gods voor ogen hebben en zich niet door hun geweten laten regeren?
C. Zelfs de kleine kinderen die in zijn huis geboren waren, de kinderen van zijn dienstknechten, die door geboorte zijn dienstknechten waren, versmaadden hem en spraken hem tegen, vers 19, hoewel hij opstond om vriendelijk tot hen te spreken of met gezag tot hen te spreken teneinde hen te beteugelen, lieten zij hem bespeuren dat zij hem noch vreesden noch liefhadden. III. Hij klaagt over het verval van zijn lichaam, al de kracht en schoonheid daarvan waren verdwenen. Toen degenen, die hem omringden, hem veronachtzaamden, zou hij zich hebben kunnen verheugen indien hij gezond en welvarend ware geweest. Maar hij kan even weinig behagen in zichzelf vinden als anderen in hem vonden, vers 20. Mijn gebeente kleeft nu aan mijn huid, zoals het vroeger aan mijn vlees kleefde, dit was het, dat hem rimpelig maakte, Hoofdst, 16:8. Hij was een volkomen geraamte, niets dan vel en beenderen. Ja ook zijn huid was bijna weg, weinig er van was gaaf gebleven behalve de huid van zijn tanden, zijn tandvlees en misschien zijn lippen, al het overige was weggeteerd door zijn zweren. Zie hoe weinig reden wij hebben om het lichaam te vertroetelen, dat in weerwil van alle zorg, die wij er voor hebben, aldus verteerd kan worden door de krankheden, waarvan het de zaden in zich draagt.
Eindelijk. Vanwege dit alles beveelt hij zich aan de ontferming van zijn vrienden, en keurt terecht hun hardheid tegen hem af. Uit de voorstelling van zijn beklagenswaardige toestand was gemakkelijk af te leiden:
1. Dat zij medelijden met hem behoorden te hebben, vers 21. Hierom smeekt hij hun in de aandoenlijkste taal, waardoor, naar men zou denken, een stenen hart vermurwd zou worden. "Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij mijne vrienden! Indien gij niets anders voor mij wilt doen, zo draagt leed om mij, en toont mij enige liefdevolle belangstelling, ontfermt u mijner, -want de hand Gods heeft mij aangeraakt, mijn toestand is voorwaar zeer treurig, want ik ben in de handen gevallen van de levende God, mijn geest is getroffen door het gevoel, de bewustheid van zijn toorn, een ramp, die vreeslijker is dan alle de anderen." Het betaamt vrienden om medelijden met elkaar te hebben als zij in smart en benauwdheid zijn, en de ingewanden van de barmhartigheid niet toe te sluiten.
2. Dat zij hem echter niet behoren te vervolgen, indien zij zijn smart niet wilden verzachten door hun medelijden moeten zij toch niet zo wreed zijn om er door hun afkeuring en hun verwijtingen nog aan toe te voegen vers 22. Waarom vervolgt gij mij als God ? Zijn bestraffingen zijn waarlijk wel genoeg om te dragen voor een mens, gij behoeft uw gal en alsem niet te mengen in de beker van de beproeving, die Hij in mijn hand geeft, die is al bitter genoeg. God heeft een soevereine macht over mij en kan met mij doen wat Hem behaagt, maar denkt gij dat gij dit ook moogt?" Neen, wij moeten er naar streven om gelijk de Heilige en Albarmhartige te zijn, maar niet om gelijk de Allerhoogste en Almachtige te zijn. God geeft geen rekenschap van Zijn daden, maar wij moeten rekenschap geven van de onze. Indien zij zich verlustigen in zijn rampen, zo laat hen tevreden zijn met zijn vlees, dat verteerd was, maar laat hen niet, alsof dit hun te weinig was, zijn geest woeden en zijn goede naam bezwalken. Grote tederheid moet bewezen worden aan hen, die in smart en beproeving zijn, en inzonderheid aan hen, wier geest verslagen is.