Job 17:10-16
Jobs vrienden hadden voorgegeven hem te troosten met de hoop op zijn terugkeer tot een staat van voorspoed, nu toont hij hier:
I. Dat het hun dwaasheid was om aldus te spreken, vers 10. "Keert weer, en komt nu, weest er van overtuigd dat gij dwaalt, en laat u door mij bewegen om van mijn gevoelen te zijn, want ik vind onder u geen wijze, die de moeilijkheden van Gods beschikkingen weet te verklaren, of de vertroostingen van Zijn beloften weet toe te passen." Diegenen gaan niet wijselijk te werk in het vertroosten van de beproefden, die hun vertroostingen ontlenen aan de mogelijkheid van hun herstel en hun vergroting in de wereld, hoewel daar niet aan gewanhoopt moet worden, is het, op zijn best genomen, toch onzeker, en mocht het falen, dat geschieden kan, dan zal ook de hoop falen, die erop gebouwd was. Daarom is het onze wijsheid om onszelf en anderen in benauwdheid te vertroosten met hetgeen niet zal falen, de belofte van God, Zijn liefde en genade, en een welgegronde hoop op het eeuwige leven.
II. Dat het nog veel meer zijn dwaasheid zou zijn om acht op hen te slaan, want,
1. Al zijn maatregelen waren reeds vernietigd, en hij was vol van verwarring, vers 11,12. Hij erkent dat hij in zijn voorspoed zich dikwijls vermeid heeft, zowel met plannen van hetgeen hij zou doen, als in het vooruitzicht van hetgeen hij zou genieten, maar nu hij op zijn dagen zag als voorbijgegaan en tot een einde naderen, zijn al die plannen teniet gedaan, al die verwachtingen verijdeld. Hij heeft gedacht aan het uitbreiden van zijn landpale, aan het vermeerderen van zijn vee, aan het vestigen van zijn kinderen, en waarschijnlijk had hij ook vele vrome gedachten gekoesterd omtrent het bevorderen van de Godsdienst in zijn land, het herstellen van grieven, het bekeren van goddelozen, het verlichten van de armen, en het bijeenbrengen van fondsen misschien voor liefdadige doeleinden, maar al die gedachten van zijn hart waren nu teneinde, en nooit zal hij de voldoening smaken van zijn plannen verwezenlijkt te zien. Het einde van onze dagen zal ook het einde wezen van al onze bedenkselen en al onze hoop in deze wereld, maar als wij met een vast voornemen des harten de Heere aankleven, dan zal de dood dat voornemen niet verijdelen of teniet doen.
Onder nieuwe raadslagen gekomen zijnde, was Job in voortdurende onrust, vers 12. Zijn gedachten uitgerukt zijnde, werd de nacht tot een dag gesteld en het licht verkort. In hun ijdelheid en lichtmisserij verkeren sommigen de nacht in dag en de dag in nacht, maar Job deed dit door onrust en benauwdheid van geest, hetgeen een belemmering was:
a. Voor de rust van de nacht, zijn ogen wakker houdende, zodat de nacht even moeizaam voor hem was als de dag, en het heen en weer wentelen in de nacht even vermoedend was als het werken en zwoegen van de dag.
b. Voor het vermaak van de dag. Het morgenlicht is welkom, maar wegens deze innerlijke duisternis is er het aangename en lieflijke spoedig van weg, en zo is mij de dag even somber en treurig als de donkere, zwarte nacht, Deuteronomium 28:67. Zie welke reden wij hebben om dankbaar te zijn voor de gezondheid en het welzijn, waardoor wij de schaduwen van de avond even welkom kunnen heten als het licht van de morgen. 2. Al zijn hoop en verwachting van deze wereld zullen weldra met hem in het graf zijn begraven, zodat hij het voor beuzelachtig hield om te denken aan de grote dingen, met de hoop waarop zij hem gevleid hadden, Hoofdst. 5:19, 8:21, 11:17. "Helaas, gij wilt slechts met mij schertsen."
A. Hij zag zich nederdalen in het graf. Een gerieflijk huis, een gemakkelijk bed en aangename betrekkingen zijn sommige van de dingen, waarin wij voldoening smaken in deze wereld. Job verwachtte er geen van boven de grond, alles wat hij gevoelde en alles wat hij in het oog had, was onbehaaglijk en onaangenaam, maar onder de grond verwachtte hij ze.
a. Hij rekende op geen ander huis dan het graf, vers 13. "Indien ik wacht, indien er een plaats is, waar ik ooit weer rust zal hebben, dan moet het in het graf wezen. Ik zou mijzelf bedriegen, indien ik op een ander einde van mijn lijden zou rekenen dan de dood mij geven kan. Niets is zo zeker als dat." In al onze voorspoed is het goed om de dood in het oog te houden. Wat wij overigens ook verwachten, die moeten wij zeker en vast verwachten, want hij kan andere dingen, die wij verwachten, voorkomen, maar niets kan hem voorkomen of weerhouden. Maar zie hoe hij poogt niet alleen om zich met het graf te verzoenen, maar het graf zich aan te bevelen. "Het is mijn huis." Het graf is een huis, voor de goddelozen is het een gevangenhuis, Hoofdst. 24:19, 20, voor de Godvruchtigen is het een "Bethabara," een doorgangshuis op hun weg naar huis. "Het is mijn huis, het mijne door afkomst, ik ben er voor geboren, het is mijns vaders huis, het mijne door aankoop, ik heb er mij onderhevig aan gemaakt." Wij moeten, een ieder van ons, weldra heengaan naar dat huis, en het is onze wijsheid dienovereenkomstig toebereidselen te maken.
b. Hij rekende op geen rustig bed dan in de duisternis. "Daar", zegt hij, "heb ik mijn bed gespreid. Het is gespreid, want het is gereed, en ik ga er heen om er mij op neer te leggen." Het graf is een bed, want in de avond van onze dag op aarde zullen wij er op rusten, en aan de morgen van onze eeuwige dag zullen wij ervan opstaan, Jesaja 57:2. Laat dit de Godvruchtigen gewillig maken om te sterven, het is slechts een naar bed gaan, zij zijn vermoeid en slaperig, en het is tijd voor hen om in bed te wezen, waarom zouden zij niet gewillig gaan, als hun Vader hen roept? "Ja, ik heb mijn bed gespreid in toebereiding ervan, ik heb getracht het gemakkelijk te maken, door mijn geweten rein te houden, door Christus op dit bed te zien liggen, en het aldus in een bed van specerijen te verkeren, en door er over heen te zien naar de opstanding."
c. Hij rekende op geen aangename betrekkingen dan die hij in het graf zal vinden, vers 14. Tot de groeve, waar het lichaam overgaat tot bederf, roep ik: gij zijt mijn vader, want ons lichaam was geformeerd uit de aarde en tot het gewormte aldaar: mijn moeder en mijn zuster, aan wie ik verwant ben, want de mens is een worm, en waarmee ik gemeenzaam moet zijn, want het gewormte zal ons overdekken, Hoofdst. 21:26. Job klaagde dat zijn bloedverwanten van hem vervreemd waren, Hoofdst. 19:13, 14, daarom maakt hij hier aanspraak op bekendheid met andere betrekkingen, die hem zullen aankleven, als deze hem verstoten zullen hebben. Wij allen zijn na verwant aan het bederf en de wormen. Daarom is het goed om er ons gemeenzaam mee te maken, door er in onze gedachten en overpeinzingen veel mee te verkeren, dit zou er zeer toe bijdragen om ons te verheffen boven een overmatige liefde tot het leven en vrees voor de dood.
B. Hij zag al zijn hoop en verwachting van deze wereld met zich in het graf gaan, vers 15,16. "Daar ik weldra de wereld moet verlaten, waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Hoe kan ik verwachten voorspoedig te zijn, die niet verwacht te zullen leven? Hij is niet hopeloos, maar zijn hoop is niet daar, waar zij haar willen hebben. Indien hij alleenlijk in dit leven hoop had, hij ware de ellendigste van de mensen. "Neen, mijn hoop, mijn verwachting, die mij vertroost en ondersteunt, wie zal ze aanschouwen? Hetgeen waarop ik hoop is iets dat buiten het gezicht is, het zijn geen dingen die gezien worden en tijdelijk zijn, maar die niet gezien worden en eeuwig zijn." Wat is zijn hoop, zijn verwachting? Hij zal het ons zeggen in Hoofdst. 19:25. "Non est mortale quod opto, immortale peto-ik zoek niet hetgeen vergaat, maar hetgeen blijft tot in het eeuwige leven. "Maar wat betreft de verwachtingen, waarmee gij mij moed in wilt spreken, zij zullen met mij nedervaren in het graf. Gij zijt sterflijke mensen en kunt uw beloften niet vervullen, ik ben een stervend man en kan het goede, dat gij belooft, niet genieten. Daar wij dus tezamen zullen rusten in het stof, zo laat ons de gedachten aan deze wereld op zijde zetten, en ons hart stellen op een andere wereld." Wij moeten weldra nederliggen in het stof, want wij zijn stof, stof en as in de kuil des grafs, aldaar vastgehouden door de banden des doods, die nooit losgemaakt zullen worden voordat de algemene opstanding zal plaatshebben. Maar wij zullen er rusten, zullen er tezamen rusten. Job en zijn vrienden konden het nu niet eens worden met elkaar, maar zij zullen beide hij en zij, rustig zijn in het graf, het stof daarvan zal hun weldra de mond sluiten, en een einde maken aan hun twist. Laat het vooruitzicht hiervan alle vurige twistredenaars tot kalmte brengen, en hen stemmen tot liefde en eensgezindheid.