Job 13:13-22
Job houdt hier vast aan zijn oprechtheid, als een die besloten was haar niet los te laten noch haar zich te laten ontwringen. Zijn standvastigheid in deze zaak is loffelijk en zijn warmte verschoonlijk.
I. Hij smeekt zijn vrienden en het gehele gezelschap stil van hem te zijn, hem niet in de rede te vallen in hetgeen hij ging zeggen, vers 13, maar er naarstig naar te horen, vers 17. Hij wilde dat zijn eigen betuiging beslissend zou zijn, want niemand dan God en hijzelf kende zijn hart. "Zwijgt dus, en laat mij niets meer van u horen, maar luistert naarstiglijk naar hetgeen ik te zeggen heb, en laat mijn eed ter bevestiging een einde zijn van de strijd."
II. Hij besluit vast te houden aan het getuigenis, dat zijn eigen geweten hem gaf van zijn oprechtheid, en hoewel zijn vrienden dit halsstarrigheid noemden, kon dat zijn standvastigheid niet aan het wankelen brengen. "Ik zal spreken ter mijner verdediging en daar ga over mij wat het zij, vers 13. Laat mijn vrienden er de uitlegging aan geven, die hun behaagt, en het ergste van mij daarom denken, ik hoop, dat God mijn noodzakelijke verdediging niet, zoals gij, als mijn misdaad zal beschouwen, Hij zal mij rechtvaardigen, vers 18, en dan kan mij niets verkeerds overkomen." Zij, die oprecht zijn en de verzekerdheid hebben hunner oprechtheid, kunnen iedere gebeurtenis blijmoedig welkom heten. Er kome wat wil, "bene praeparatum pectus-zij zijn er voor gereed." Hij besluit, vers 15, zijn wegen te verdedigen, hij zal de voldoening niet opgeven, die hij gesmaakt heeft door in oprechtheid voor God te wandelen, maar hoewel hij niet elk woord kon rechtvaardigen, dat hij heeft gesproken, waren zijn wegen in het algemeen goed, en daar wil hij bij blijven. Waarom zou hij ook niet, daar dit toch zijn grote steun was onder zijn tegenwoordige kwelling, zoals het die van Hizkia was. Och Heere, gedenk toch dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld heb! Ja hij wilde niet slechts zijn eigen zaak niet verraden of ontrouw worden, of haar opgeven, maar openlijk zijn oprechtheid betuigen, want, vers 19, "wanneer ik nu zweeg, niet voor mijzelf zou spreken, mijn zwijgen nu zou mij voor altijd doen zwijgen, want gewis ik zou de geest geven." "Indien ik al niet gezuiverd kan worden, zo laat mij tenminste lucht krijgen door hetgeen ik zeg", zoals Elihu Hoofdst. 32:17, 20.
III. Hij klaagt dat hij in het uiterste is van pijn en ellende, vers 14. Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen? Dat is:
1. "Waarom lijd ik zulke smarten? Ik kan niet anders dan mij er over verwonderen, dat God mij zoveel leed oplegt, als Hij toch weet dat ik niet goddeloos ben." Hij was gereed niet alleen zijn kleren, maar ook zijn vlees te scheuren vanwege de zwaarte zijner beproeving. Hij zag zich aan de rand van het graf, zijn leven was in zijn hand, en toch konden zijn vrienden hem geen grote misdaad ten laste leggen, hijzelf kon er ook geen ontdekken, geen wonder dus dat hij zich in zulk een verbijstering bevond.
2. "Waarom smoor ik de betuigingen mijner onschuld?" Als iemand met grote moeite inhoudt wat hij zou willen zeggen, dan bijt hij zich op de lippen. "Waarom", zegt hij, "mag ik de vrijheid niet nemen om te spreken, daar ik mij door mij ervan te weerhouden slechts kwel, mijn smart vermeerder en mijn leven in gevaar breng?" Het zou ook voor de geduldigste mens een kwelling en een ergernis zijn, wanneer hem, als hij alle andere dingen verloren heeft, de troost (inden hij hem verdient) ontzegd wordt van een goed geweten en een goede naam. IV. Hij vertroost zich in God en blijft nog aan zijn vertrouwen op Hem vasthouden. Let hier op:
1. Wat het is waarvoor hij op God vertrouwt: Rechtvaardigmaking en zaligheid, de twee grote zaken waarop wij hopen door Christus.
a. Rechtvaardigmaking, vers 18. Ik heb het recht ordelijk gesteld, het recht mijner zaak, en ten opzichte van geheel deze zaak weet ik dat ik gerechtvaardigd zal worden. Dit wist hij, omdat hij wist dat zijn Verlosser leeft Hoofdst. 19:25. Zij, die voor God oprecht wandelen, niet naar het vlees maar naar de Geest, kunnen er zeker van zijn dat er, door Christus, geen verdoemenis is voor hen, maar dat zij, wie ook enigerlei beschuldiging tegen hen moge inbrengen, gerechtvaardigd zullen worden.
b. Zaligheid, vers 16. Ook zal Hijmij tot zaligheid zijn. Hij bedoelt het niet van tijdelijke zaligheid of verlossing, daarop had hij weinig hoop, maar van zijn eeuwige zaligheid. Hij vertrouwde volkomen dat God niet slechts zijn Zaligmaker zal zijn om hem gelukkig te maken, maar dat Hij zijn zaligheid zal wezen in wiens gezicht en genot hij gelukkig zal zijn. En de reden, waarom hij op God steunde en bouwde voor zijn zaligheid, is: omdat een huichelaar voor Zijn aangezicht niet zal komen. Hij wist dat hij geen huichelaar was, en dat niemand dan huichelaars door God verworpen worden. Oprechtheid is onze Evangelische volmaaktheid, niets anders dan het gebrek daaraan zal ons ten verderve zijn.
2. Met wat standvastigheid hij op Hem vertrouwt: Al zou Hij mij doden, zou ik toch op Hem betrouwen, vers 15. Dit is een verheven uitdrukking van geloof, een hoogte van geloof, die wij allen moeten trachten te bereiken: op God te vertrouwen, al zou Hij ons ook doden. Dat is: wij moeten tevreden zijn met God als onze vriend al zou het schijnen dat Hij tegen ons optrad ais onze vijand, Hoofdst. 23:8- 10. Wij moeten geloven dat alles ons zal medewerken ten goede, zelfs als alles tegen ons schijnt te zijn, Jeremia 24:5. Wij moeten voortgaan en volharden in de weg van onze plicht, al kost ons dit ook alles wat ons dierbaar is in deze wereld, ook zelfs het leven, Hebreeën 11:35. Wij moeten vertrouwen op de vervulling van de belofte, ook als alle wegen, die er toe leiden, afgesloten zijn, Romeinen 4:18. Wij moeten ons verblijden in God, als wij niets anders hebben om ons in te verblijden, en Hem aankleven, al kunnen wij ook voor het tegenwoordige geen troost in Hem vinden. In de stervensure moeten wij levende vertroostingen aan Hem ontlenen en dit is op Hem te vertrouwen al zou Hij ons ook doden.
V. Hij wenst de zaak met God zelf te bespreken, indien hij slechts verlof mocht hebben de preliminarien van het verdrag vast te stellen, vers 20-22. Hij heeft begeerd met God te redeneren, zich voor Hem te verdedigen, en hij is nog in diezelfde gezindheid, hij wil zich niet verbergen, dat is, zich niet aan het onderzoek onttrekken, noch er de uitslag van vrezen, maar onder tweeërlei beding:
1. Dat zijn lichaam niet gefolterd worde door deze hevige pijn. "Doe Uw hand ver van op mij, want zolang ik in die uiterste ellende ben, ben ik nergens toe instaat. Ik kan mij inspannen om enigermate met mijn vrienden te spreken, maar ik weet mij niet tot U te wenden. Als wij met God gaan spreken, dan is het ons nodig kalm te zijn, zo vrij als maar mogelijk is van alles, dat ons kan ontrusten. 2. Dat zijn geest niet verschrikt mocht worden door de ontzaglijke majesteit Gods: Uwe verschrikking make mij niet verbaasd, laat of de openbaring Uwer tegenwoordigheid gemeenzaam zijn, of laat mij instaat zijn haar zonder ontsteltenis en ontroering te dragen. Mozes zelf sidderde voor God, evenzo Jesaja en Habakuk, "o God, Gij zijt vreeslijk uit Uwe heiligdommen. Heere," zegt Job, "laat mij niet in zo'n ontsteltenis van gemoed gebracht worden tegelijk met deze lichamelijke smarten, want dan zou ik mijn zaak als verloren moeten beschouwen." Zie hoe dwaas het is van de mensen om hun bekering uit te stellen tot zij op een ziekbed zijn uitgestrekt of op hun sterfbed liggen! Hoe kan zelfs een Godvruchtige, en nog veel minder een goddeloze, met God twisten of redeneren om door Hem gerechtvaardigd te worden, als hij gefolterd wordt door pijn en angst voor de dood? Op zo'n tijd valt het zeer zwaar en moeilijk om dat grote werk te doen, maar zeer troostrijk is het om het gedaan te hebben, zoals het voor Job was, die, zo hij slechts even tot verademing kon komen, gereed was hetzij:
a. Om God tot hem te horen spreken door Zijn woord en Hem te antwoorden: Roep dan, en ik zal antwoorden, of:
b. Om tot Hem te spreken door het gebed, en een antwoord van Hem te verwachten: ik zal spreken, en geef Gij antwoord, vers 22. Vergelijk hiermede Hoofdst. 9:34,35 waar hij op gelijke wijze spreekt. Kortom, zijn treurige toestand maakte hem voor het ogenblik neerslachtig, en die neerslachtigheid kon hij niet van zich afschudden, maar anders was hij er wel van verzekerd dat zijn zaak goed was, en twijfelde hij niet, of hij zou er ten laatste de vertroosting van hebben, als de zwarte wolk, waaronder hij nu was, verdwenen zou zijn. Met zodanige heilige vrijmoedigheid kunnen de oprechten komen tot de troon van de genade, niet twijfelende er genade te zullen vinden.