Jakobus 3:1-12
Het vorige hoofdstuk heeft aangetoond hoe onprofijtelijk en dood het geloof zonder de werken is. Dit wordt duidelijk gestaafd door hetgeen in dit hoofdstuk gezegd wordt van hetgeen zulk een geloof is, wel dood, maar toch instaat om de mensen waanwijs en heerszuchtig te maken in gedrag en omgang. Zij, die het meest geneigd zijn tot een geloof als dat, hetwelk in het vorige hoofdstuk veroordeeld wordt, zijn het meest blootgesteld aan de verleiding tot de zonden met de tong, die in dit hoofdstuk worden veroordeeld. En inderdaad, ook de besten hebben behoefte aan waarschuwingen tegen heerszuchtig, vitachtig en verkeerd gebruik van de tong. Ons wordt dus geleerd:
I. Onze tong niet gebruiken om anderen te overheersen. Zijt niet vele meesters, mijne broeders, enz., vers 1. Deze woorden verbieden ons niet om te doen wat in ons vermogen is om anderen te leiden en te besturen in den weg van hun plicht, of op Christelijke wijze te bestraffen over hetgeen in hen verkeerd is, maar wij moeten niet spreken en handelen als dezulken, die voortdurend anderen de les lezen. Wij moeten anderen geen voorschriften geven alsof onze inzichten de enige zijn, waarnaar alle andere mensen zich te regelen hebben, want God geeft verscheidene gaven aan de mensen en verwacht van ieder hunner overeenkomstig het licht, dat Hij geeft. Weest daarom niet vele meesters, (of, volgens anderen onderwijzers), geeft uzelven niet het voorkomen van onderwijzers, lastgevers en rechters, maar spreekt liever met de nederigheid en in den geest van leerlingen, bestraft niet iedereen alsof allen naar uw maatstaf moeten handelen en beoordeeld worden. Daarop wordt met twee redenen aangedrongen.
1. Zij, die zich zelven opwerpen tot rechters en tuchtmeesters, zullen te meerder oordeel ontvangen. Ons oordelen van anderen zal slechts ons eigen oordeel des te nauwkeuriger en gestrenger maken, Mattheus 7:1, 2. Zij, die begerig zijn om de verkeerdheden van anderen te ontdekken, en aanmatigend om een oordeel over hen uit te spreken, moeten verwachten dat God even ver zal gaan in het opmerken van hetgeen zij verkeerds zeggen en doen.
2. Een andere reden om zulk meesterachtig gedrag jegens anderen na te laten, is dat wij allen zondaren zijn. Wij struikelen allen in vele, vers 2. Dachten wij meer aan onze eigen vergissingen en overtredingen, dan zouden wij minder geneigd zijn om anderen te oordelen. Terwijl wij zeer gestreng zijn tegen hetgeen wij in anderen afkeurenswaard achten, letten wij niet op het vele in ons, dat anderen zeer verkeerd noemen. Zelfrechtvaardigers zijn gewoonlijk zelfbedriegers. Wij staan allen schuldig voor God, en zij, die vallen over zwakheden en gebreken van anderen, denken meestal weinig over hetgeen in hen zelven verkeerd is. Zelfs kunnen hun meesterachtige houding en vittende tongen blijken erger te zijn dan de gebreken, die zij in anderen veroordelen. Laat ons dus leren gestreng te zijn in het oordeel over ons zelven, maar mild in onze beoordelingen van anderen.
II. Ons wordt geleerd onze tongen te betomen, ten einde ons daardoor volmaakte en oprechte mensen te betonen, die volkomen zelfbeheersing hebben. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in toom te houden. Hier ligt in opgesloten dat hij, wiens geweten verontrust wordt door de zonden der tong en die er daarom tegen waakt, een oprecht man is en blijk geeft van ware genade. Maar aan den anderen kant, indien iemand den schijn heeft van godsdienstig te zijn (gelijk in het eerste hoofdstuk is uiteengezet) en zijn tong niet in toom houdt, hoe schoon zijn belijdenis ook zijn moge, diens godsdienst is ijdel. Voorts, hij die niet in woorden struikelt, zal daardoor niet slechts bewijs geven van een oprecht Christen te zijn, maar een zeer gevorderd Christen. Want de wijsheid en de genade, die hem in staat stellen zijn tong te beheersen, zullen hem bekwamen om al zijn daden te regeren. Dit wordt ons door twee vergelijkingen toegelicht.
1. Het regeren en leiden van al de bewegingen van een paard, door het gebit dat hem in den mond gelegd is. Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmee hun gehele lichaam om, vers 3. Er is veel beestachtige wildheid en moedwil in ons. Deze openbaren zich dikwijls door de tong, die daarom moet gebreideld worden. Ik zei: ik zal mijne wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijne tong, ik zal mijn tong met een breidel bewaren terwijl de goddeloze nog tegenover mij is, Psalm 39:2. Hoe vlugger en levendiger de tong is, des te meer moeten wij dus zorg dragen haar te beheersen. Anders zal een onbekeerde tong hen, die haar niet in bedwang kunnen houden, meesleuren, zoals een ongetemd en onhandelbaar paard met zijn rijder wegholt of hem afwerpt. Daarom moeten beslistheid en waakzaamheid, onder den invloed van Gods genade, de tong breidelen, dan zullen alle bewegingen en daden van het lichaam gemakkelijk geleid en beheerd worden.
2. Het besturen van een schip door de rechte behandeling van het roer. Ziet ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarheen ook de begeerte des stuurders wil. Alzo is ook de tong een klein lid en roemt nochtans grote dingen, vers 4, 5. Gelijk het roer een zeer klein onderdeel van het schip is, zo is de tong een zeer klein lid van het lichaam, maar het rechte bestuur van het roer leidt en keert het schip zoals het den schipper behaagt, en het rechte gebruik van de tong is in grote mate het beheren van den gehelen mens. Deze vergelijkingen zijn zeer schoon, zij tonen hoe dingen van kleinen omvang groot nut kunnen hebben. En hieruit moeten wij leren, dat wij het rechte gebruik van onze tongen goed moeten bestuderen, want, al zijn ze kleine dingen, zij kunnen ontzaglijk veel goeds en veel kwaads doen.
III. Daarom wordt ons geleerd een ongebreidelde tong als een van de grootste en gevaarlijkste kwaden te vrezen. Zij wordt vergeleken bij den klein vuur, geplaatst in de nabijheid van een groten hoop brandstof, dat spoedig alles in vlam zet en verteert. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt. De tong is ook een vuur, een wereld van ongerechtigheid enz., vers 5, 6. Er is zulk een overvloed van zonde in de tong, dat zij een wereld van ongerechtigheid genoemd wordt. Hoeveel besmetting veroorzaakt zij! Hoe vele en vreeslijke branden worden door haar gesticht! Alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet. In de zonden der tong schuilt veel bezoedeling en besmetting. Daarom zegt Salomo: Laat uw mond niet toe, dat hij uw vlees zou doen zondigen, Prediker 5:5. Vuile hartstochten worden gestreeld, gekoesterd en geliefkoosd door dit ongebreidelde lid. Soms wordt het gehele lichaam door de tong in zonde en schuld getrokken. De strikken, waarin de mensen dikwijls door de tong verward raken, zijn ondraaglijk voor hen zelven en verwoestend voor anderen.
Zij ontsteekt het rad onzer geboorte. De zaken der mensheid en van de gehele maatschappij worden dikwijls in verwarring gebracht en in vlam gezet door de tongen der mensen. Sommigen lezen hier: al onze geslachten worden door de tong in brand gestoken. Er is geen eeuw in de wereld, geen levenstoestand, bijzonder of openbaar, die daarvan geen voorbeelden oplevert. En wordt ontstoken van de hel. De hel is meer bezig in het brandend-houden van het vuur der tong dan de meeste mensen vermoeden. De tongen der mensen worden soms ontvlamd door duivelse verzoekingen en dienen dan tot duivelse doeleinden. De duivel wordt uitdrukkelijk genoemd een leugenaar, een moordenaar, een beschuldiger der broederen, en indien de mensentongen op een van die manieren gebruikt worden, dan zijn zij ontstoken door de hel. De Heilige Geest daalde eens neer in de gedaante van verdeelde tongen als van vuur, Handelingen 2.. En waar de tong zo wordt geleid en bezield door vuur van den hemel, daar bewerkt zij goede gedachten, heilige aandoeningen en brandende godsvrucht. Maar wanneer zij door vuur uit de hel wordt ontstoken, dan is er, als in alle ongewettigde hitte, misdadige woede en haat, dingen die de voornemens van den duivel zeer begunstigen. Zijt ge dus bevreesd voor vlammen en brand, wees dan bevreesd voor twist, verwijten, lasteringen, leugens en al wat het vuur van den toorn kan ontsteken in de zielen van anderen en in uw eigen ziel.
IV. Nu wordt ons aangetoond hoe buitengewoon moeilijk het is de tong te beheersen.
Alle natuur, beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur, maar de tong kan geen mens temmen, vers 7, 8. Alsof de apostel zei: "Leeuwen en de wildste beesten, paarden, kamelen, en de dieren van de geweldigste kracht, worden getemd en beheerst door de mensen, evenzo vogels, niettegenstaande hun wildheid en vlugheid, en ofschoon hun vleugels hen voortdurend buiten ons bereik kunnen brengen, zelfs slangen, ongeacht haar venijn en haar listigheid, kunnen gewend en schadeloos gemaakt worden, de zeedieren zijn door de mensen genomen en hun dienstbaar gemaakt. En deze schepselen werden niet alleen door wonderkracht getemd of onderworpen, zoals de leeuwen voor Daniël kropen in plaats van hem te verscheuren, en zoals de raven Elia brood brachten, of de walvis Jona door de diepten der zee naar het droge voerde, maar hier wordt gesproken van iets zeer gewoons, zij zijn door de menselijke natuur getemd en worden nog getemd. Maar de tong is erger dan die alle, zij kan niet getemd worden door de macht en de kunst, waardoor die dieren te temmen zijn. Niemand kan de tong temmen zonder bovennatuurlijke genade en hulp. De bedoeling van den apostel is niet het als iets onmogelijks voor te stellen, maar als iets buitengewoon moeilijks, waartoe grote waakzaamheid, inspanning en gebed vereist worden om het goed te doen. En soms is dat alles vergeefs: Zij is een onbedwinglijk kwaad, vol van dodelijk venijn. Woeste beesten kunnen binnen zekere grenzen gehouden worden, zij kunnen bestuurd worden naar zekere regelen, zelfs slangen kunnen zo gewend worden dat ze met al haar vergif geen schade doen, maar de tong is instaat alle banden en regelen te verbreken, en bij alle gelegenheden haar vergif uit te spuwen, niettegenstaande alle mogelijke voorzorg. Men moet haar dus niet alleen bewaken, en oppassen en beheersen als een ongetemd beest van schadelijken en vergiftigen aard, maar met nog veel meer zorg en moeite, ten einde de boosaardige losbarstingen en uitwerkselen van de tong te voorkomen.
V. De apostel vermaant ons om te denken aan het gebruik, dat wij van de tong maken in den godsdienst en in het vereren van God, en door die overweging teruggehouden te worden van vloeken, veroordelen en alle andere kwaad, dat met de tong bedreven wordt. Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn. Uit dezelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijne broeders, alzo niet geschieden, vers 9, 10. Hoe ongerijmd is het dat zij, die hun tongen gebruiken om God te verheerlijken en aan te roepen, haar ook gebruiken zouden om te vervloeken en te lasteren! Indien wij God als onzen Vader aanroepen, moet dat ons leren allen, die Zijne gelijkenis dragen, vriendelijk te behandelen en te verdragen. De tong, die zich met eerbied tot het goddelijk Wezen wendt, kan niet, zonder de grootste onstandvastigheid, zich tegen Zijn medeschepselen richten met beledigende taal. Van de seraphim, die God prijzen, wordt gezegd dat zij geen oordeel van lastering durven voortbrengen. En de mensen smaden hen, die niet alleen Gods gelijkenis dragen in hun natuurlijke hoedanigheden, maar door de genade Gods in het Evangelie naar Zijn beeld vernieuwd zijn. Dat is de schandelijkste tegenspraak van al onze voorgewende verering van het hoogste Wezen. Dit moet alzo niet geschieden, en het zou zeker niet geschieden, indien men steeds aan die tegenspraak dacht. De godsvrucht is in al haar openbaringen veroordeeld, indien er geen liefde is. Die tong veroordeelt zich zelve, die voorgeeft de volmaaktheden Gods te aanbidden en alle dingen aan Hem toe te vertrouwen, en onderwijl zelfs godvrezende mensen vervloekt, die niet juist dezelfde woorden en uitdrukkingen gebruiken als zij. Ten einde deze gedachte goed in te scherpen, toont de apostel aan hoe monsterachtig het zou zijn wanneer op ander gebied dezelfde oorzaak tegenstrijdige uitwerkingen zou hebben. Zo iets wordt niet in de natuur gevonden, en kan ook niet in de genade bestaan. Welt ook een fontein uit eenzelfde ader het zoet en het bitter? Kan ook, mijne broeders, een vijgenboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Alzo kan geen fontein zout en zoet water voortbrengen, vers 11, 12. Oprechte godsvrucht laat geen tegenstrijdigheden toe, en een waarlijk godvrezend man kan ze niet gedogen in zijn woorden of daden. Hoeveel zonden zouden voorkomen worden, voor hoeveel boosheid zouden de mensen bewaard blijven, indien zij dit gedachten en zich zelven altijd gelijk bleven!