Hebreeën 8:1-5
Hier hebben wij:
I. Een samenvatting van hetgeen tevoren gezegd is omtrent de voortreffelijkheid van Christus' priesterschap, aantonende wat wij in Christus hebben, waar Hij nu verblijf houdt en van welk heiligdom Hij nu de bedienaar is, vers 1-2.
1. Wat wij in Christus hebben. Wij hebben een hogepriester, en wel zulk een hogepriester als nooit enig ander volk had, als geen eeuw en geen tijdvak van de kerk heeft voortgebracht, alle anderen waren slechts schaduwen en typen van dezen hogepriester. Hij is volkomen geschikt en volstrekt voldoende voor al de vereisten en bedoelingen van een hogepriesterschap, zowel ten aanzien van de ere Gods, als van de gelukzaligheid der mensen en van Hem zelven, de grote eer van allen, die aan Hem deelhebben.
2. Waar Hij nu verblijf houdt. Hij is gezeten aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen, dat is: van den heerlijken God in den hemel. Daar is de Middelaar geplaatst en is Hem gegeven alle macht in hemel en op aarde. Dat is Zijne beloning voor Zijn vernedering. Dit gezag oefent Hij uit ter heerlijkheid van Zijnen Vader, tot Zijn eigen eer en tot gelukzaligheid van allen, die Hem toebehoren, en door Zijn almachtige kracht zal Hij ieder hunner aan de rechterhand Gods in den hemel op de hem toekomende plaats brengen, als leden van Zijn mystiek lichaam, opdat ook zij mogen zijn waar Hij is.
3. Van welken tabernakel, welk heiligdom, Hij nu de bedienaar geworden is, vers 2. Een bedienaar des heiligdoms en des waren tabernakels, welken de Heere heeft opgericht en geen mens. De tabernakel was opgericht door mensen, overeenkomstig de aanwijzing van God. Er was een buitengedeelte, waarin het altaar stond, waarop zij hun slachtoffers brachten, die het sterven van Christus afschaduwden, en er was een inwendig gedeelte achter het voorhangsel, hetwelk afschaduwde Christus' tussenkomst voor Zijn volk in den hemel. In dezen tabernakel is Christus nooit ingegaan, maar na het werk der voldoening volbracht te hebben in den waren tabernakel van Zijn eigen lichaam, is Hij nu de bedienaar van het heiligdom, het heilige der heiligen, den waren tabernakel in den hemel. Daar draagt Hij zorg voor al de belangen van Zijn volk, treedt voor hen tussen bij God, opdat hun zonden vergeven en hun personen en diensten aangenomen mogen worden, door de verdienste van Zijn zelfsofferande. Hij geniet in den hemel niet alleen grote macht en waardigheid, maar als hogepriester van Zijne gemeente volbrengt Hij Zijn dienst voor haar in het algemeen en voor ieder harer leden in het bijzonder.
II. De apostel stelt den Hebreeën de noodzakelijke delen van het priesterschap van Christus voor, en noemt op wat tot die bediening behoorde in overeenstemming met hetgeen, waartoe iedere hogepriester geordend was, vers 3, 4.
1. Iedere hogepriester wordt gesteld om gaven en slachtofferen te offeren. Wat ook door het volk gebracht werd om Gode aangeboden te worden, hetzij zoenoffers, of vredeoffers, of dankoffers, alles moest geofferd worden door den priester, die hun schuld verzoenen moest door het bloed van het offer, en hun gaven en diensten door zijn heilig reukwerk moest aanbieden, om in type hun personen en daden aannemelijk te maken. Het behoorde dus noodzakelijk tot het priesterschap van Christus, dat ook Hij iets te offeren had. En Hij, als het antitype, had zich zelven te offeren, zijn menselijke natuur op het altaar van zijn goddelijke natuur, als de grote verzoenende offerande, die alle overtreding wegnam en eens voor goed aan de zonde een einde maakte. En daarbij had Hij het reukwerk van Zijn eigen gerechtigheid en verdiensten te offeren, met al wat Zijn volk door Hem Gode aanbiedt en dat hen aannemelijk maakt door Hem. Wij mogen het niet wagen tot God te naderen of Hem iets aan te bieden, anders dan in en door Christus, en steunende op Zijne verdiensten en Zijn middelaarschap, want wij zijn aangenomen alleen in den Geliefde.
2. Christus moet nu Zijn priesterschap in den hemel uitoefenen, in het heilige der heiligen, den waren tabernakel, dien de Heere heeft opgericht. Het type moet volkomen vervuld worden, na Zijn werk van offerande hier volbracht te hebben, moest Hij in den hemel ingaan, om Zijne gerechtigheid aan te bieden en daar voor ons tussen te treden. Want:
A. Indien Hij op aarde ware, zo zou Hij zelfs geen priester zijn, vers 4, dat is: niet volgens de Levitische wet, aangezien Hij niet tot dat priesterschap behoorde, en zolang dat priesterschap bestond, moest er in alle opzichten strenge eerbied betoond worden voor die goddelijke instelling.
B. Alle diensten van den priester onder de wet, zowel als elk ding in dien tabernakel, was ingericht overeenkomstig het voorbeeld, dat op den berg getoond was. Het was alles slechts voorbeeld en schaduw van hemelse dingen, vers 5. Christus is de inhoud en de vervulling der wet, ter rechtvaardigheid. Er, moet dus in het priesterschap van Christus iets zijn, dat overeenkomt met het ingaan van den hogepriester achter het voorhangsel om verzoening aan te brengen, want zonder dat kon Hij geen volmaakte priester zijn. En wat is dat anders dan de hemelvaart van Christus en Zijne verschijning daar voor het aangezicht van God voor Zijn volk om hun gebeden aan te bieden en hun voorspraak te zijn? Derhalve, indien Hij op aarde gebleven ware, zou Hij geen volkomen priester geweest zijn, en een onvolmaakte priester kon Hij niet zijn.