Johannes 8:48-50
Hier is:
I. De boosaardigheid der hel, die zich openbaart in de lage taal, welke de ongelovige Joden tegenover onzen Heere Jezus gebruikten. Totnutoe hadden zij vittende aanmerkingen gemaakt op Zijne leer, maar nu barstten zij los in smaadredenen, vers 48. Het was niet het gewone volk, maar de schriftgeleerden en Farizeeën, de mannen van aanzien, die, toen zij zich schuldig vonden verklaard aan hardnekkig ongeloof, die schuldigverklaring smadelijk van zich wierpen met dit: Zeggen wij niet wel, dat gij een Samaritaan zijt en den duivel hebt? Zie hier, zie het, en verwonder u, zie het en sidder:
1. Welke Godslasterlijke hoedanigheid gemeenlijk aan onzen Heere Jezus werd toegeschreven, en waarnaar zij verwijzen.
a. Dat Hij een Samaritaan was, dat is: dat Hij een vijand was van hun kerk en natie, een, dien zij haatten en niet konden uitstaan. Aldus stelden zij Hem bloot aan de kwaadwilligheid des volks, bij hetwelk men iemand geen slechter naam kon geven dan Samaritaan. Indien Hij een Samaritaan ware geweest, Hij zou blootgesteld zijn geweest aan de "straf der weerspannigen", zoals zij het noemden, namelijk om stokslagen te ontvangen wegens zijn komen in den tempel. Zij hadden Hem dikwijls Galileër genoemd, hetgeen gelijkluidend was met een gering mens, maar alsof dat nog niet genoeg ware, willen zij Hem nu een Samaritaan, dat is: een slecht mens noemen, ofschoon het een het ander tegensprak. Tot op den huidigen dag noemen de Joden in het Oosten de Christenen Cuteërs Samaritanen. In alle eeuwen heeft men het uiterste beproefd om goede mensen gehaat te maken, door hen voor te stellen als personen van een slecht karakter, hen "zwart te maken", zoals men zegt, en bij den groten hoop des volks vindt dit zeer gemakkelijk ingang. Omdat Christus zeer terecht den hoogmoed en de tirannie van de priesters en ouderlingen zeer streng bestraft heeft, hebben zij wellicht, door Hem een Samaritaan te noemen, willen te kennen geven, dat Hij met Zijne reformatie slechts het verderf, den ondergang der kerk beoogde, een afvallige was, die zich met de Samaritanen had verenigd.
b. Dat Hij een duivel had. Hetzij
A. dat Hij in verbond was met den duivel. Zij hadden Hem verweten, dat Zijne leer de strekking had om tot Samaritanisme te leiden, en nu beweren zij, dat Zijne wonderen in verbond en met medewerking van den duivel geschied zijn. Of liever:
B. Dat Hij door den duivel was bezeten, dat Hij een naargeestig mens was, wiens brein was beneveld, of een waanzinnige, wiens brein was verhit, en dat hetgeen Hij zei niet meer geloof verdiende dan de verwarde praat van een krankzinnige of ijlhoofdige. Zo is de Goddelijke openbaring van de dingen, die boven het bereik van het verstand zijn, dikwijls gebrandmerkt met den naam van dweperij, en de profeet werd een onzinnige genoemd, 2 Koningen 9:11, of een dwaas, Hosea 9:7. De ingeving der heidense orakelen en profeten was wezenlijke krankzinnigheid, en die haar hadden, waren voor een tijd buiten zich zelven, uitzinnig, maar hetgeen wezenlijk Goddelijk was, was dit niet. De wijsheid is gerechtvaardigd geworden van hare kinderen, als inderdaad wijsheid te zijn. 2. Hoe zij trachtten hun zeggen te rechtvaardigen, en het nu van toepassing achtten: Zeggen wij niet wèl, dat gij dit zijt? Men zou zo zeggen, dat Zijn voortreffelijke rede hun mening omtrent Hem had moeten veranderen, zodat zij die dan terugnamen, maar neen, hun hart was nog des te meer verhard, en hun vooroordelen bevestigd en versterkt Zij laten zich voorstaan op hun vijandschap tegen Christus, alsof zij nooit beter gesproken hadden dan toen zij het slechtste van Jezus Christus gezegd hadden. Diegenen zijn wèl op het toppunt van goddeloosheid gekomen, die er zich op beroemen, die herhalen wat zij behoorden te herroepen, en zich rechtvaardigen in hetgeen, waarvoor zij zich moesten veroordelen. Kwaad te zeggen en te doen is slecht, maar nog slechter is het, om er bij te blijven, billijk is mijn toorn ontstoken. Toen Christus met zoveel vrijmoedigheid sprak tegen de zonden der aanzienlijken en hen daardoor in toorn tegen Hem ontstak, hebben zij, die voor geen ander belang hart hadden dan voor hetgeen werelds en zinnelijk is, voor zich zelven beslist, dat Hij uitzinnig moest wezen, want zij dachten, dat niemand dan een krankzinnige bevordering in de wereld zou willen verliezen om den wille van zijn godsdienst en zijn geweten, en daar zijn leven voor in de waagschaal zou willen stellen.
II. De zachtmoedigheid en barmhartigheid des hemels, uitblinkende in Christus' antwoord op dien snoden laster, vers 49, 50.
1. Hij ontkent hun beschuldiging: Ik heb den duivel niet, zoals Paulus, Handelingen 26:25:Ik raas niet. De aantijging is onrechtvaardig: "Ik word noch door den duivel bewogen, of aangedreven, noch ben met hem in verbond", en dit bewees Hij door hetgeen Hij deed tegen het rijk des duivels. Hij neemt er geen notitie van, dat zij Hem een Samaritaan noemen, want dat was een laster, die zichzelf tegensprak. Het was een persoonlijke beschimping, niet der moeite waard om er op te letten. Maar het zeggen, dat Hij den duivel had, was een smaden van Zijne zending, en daarom heeft Hij hierop geantwoord. Augustinus verklaart Zijn niet antwoorden op hun zeggen, dat Hij een Samaritaan was, door er op te wijzen, dat Hij in werkelijkheid die goede Samaritaan was, van wie gesproken wordt in Lukas 10:33.
2. Hij handhaaft de oprechtheid Zijner bedoelingen: Maar Ik eer Mijn Vader. Zij opperden het denkbeeld, dat Hij onrechtmatige eer zocht voor zich zelven, en afdeed van de eer, die alleen aan God toekomt. Beide beschuldigingen ontkent Hij, zeggende, dat Hij zich beijvert Zijn Vader te eren, en Hem alleen. Dat bewijst tevens, dat Hij geen duivel had, want, indien Hij er een had, dan zou Hij God niet eren. Zij, die in waarheid kunnen zeggen, dat het hun voortdurende zorg is God te eren, zijn voldoende gewapend tegen alle blaam en smaad van mensen.
3. Hij klaagt over het onrecht, dat zij Hem deden door hun laster: Gij onteert Mij. Hieruit blijkt, dat Hij als mens zeer teergevoelig was onder de schande en den smaad, die Hem werden aangedaan. Schande en smaad waren als een zwaard in Zijn gebeente, en toch heeft Hij ze ter onzer verlossing willen ondergaan. Het is de wil van God, dat alle mensen den Zoon eren, maar er zijn velen, die Hem onteren, zozeer is het vleselijk hart in strijd met den wil van God. Christus heeft Zijn Vader geëerd, zoals een mens Hem nooit geëerd heeft, en toch werd Hij zelf onteerd, zoals nooit een mens onteerd was, want, hoewel God beloofd heeft hen te eren, die Hem eren, heeft Hij niet beloofd dat de mensen hen zullen eren.
4. Hij zuivert zich van de aantijging van roemzucht, door dit van zich zelven te zeggen, vers 50. Zie hier: a. Zijne minachting van wereldse eer. Ik zoek Mijne eer niet. Die had Hij niet op het oog in hetgeen Hij van zich zelven zei tegen Zijne vervolgers. Hij dong niet naar de toejuiching der mensen, Hij begeerde gene bevordering of aanzien in de wereld, maar heeft zeer zorgvuldig beiden afgewezen. Hij zocht Zijne eer niet onderscheidenlijk van die Zijns Vaders, en had ook gene belangen buiten die Zijns Vaders. Eigen eer te zoeken is voor den mens niet waarlijk eer, Spreuken 25:27 1), veeleer is het hun ene schande zich zo te vergissen in hun bedoelen. Dit staat hier als ene reden, waarom Christus hun smaadredenen zo weinig telde. Gij onteert Mij, maar gij kunt Mij noch ontroeren, noch ontrusten, want Ik zoek Mijne eer niet. Zij, die dood zijn voor der mensen lof, kunnen veilig hun minachting dragen.
b. Zijne vertroosting onder de ontering, die de wereld Hem aandeed: "Er is een, die ze zoekt en oordeelt." In tweeërlei opzicht heeft Christus getoond, dat Hij Zijn eigen eer niet zocht, en hier zegt Hij ons wat Hem ten opzichte van die beiden voldoening gaf. Hij dong niet naar der mensen achting, maar was er onverschillig voor, en hieromtrent zegt Hij: "Er is Een, die ze zoekt, Een die Mijn deel in de achting en genegenheid des volks zal verzekeren en bevorderen, terwijl Ik er in gene zorg over ben. God zal de ere zoeken van hen, die hun eigen eer niet zoeken, want de nederigheid gaat voor de eer. Hij wreekte de beledigingen der mensen niet, Hij trok ze zich niet aan, en hieromtrent zei Hij: "Er is Een, die oordeelt, die Mijne eer zal handhaven, en strenge rekenschap zal eisen van hen, die haar met voeten treden." Waarschijnlijk zinspeelt Hij hier op de oordelen, die over de Joodse natie komen zouden wegens den smaad, dien zij den Heere Jezus hebben aangedaan. Zie Psalm 38:13-15. Ik hoor niet -Gij zult verhoren. Als wij het op ons nemen om voor ons zelven te oordelen, dan zal de schade, die wij belopen, aan ons zelven te wijten zijn, maar indien wij ons ootmoedig beroepen op God, gelijk wij behoren te doen, en Zijn oordeel geduldig afwachten, dan zullen wij ter onzer vertroosting bevinden, dat er "Een is, die oordeelt".