Galaten 5:13-26
In het tweede gedeelte van dit hoofdstuk gaat de apostel er toe over om deze Christenen op te wekken tot ernstige praktische godsvrucht als het beste verweermiddel tegen de strikken der valse predikers. Op twee dingen vooral legt hij nadruk:
I. Dat zij niet met elkaar moeten twisten, maar elkaar liefhebben. Hij zegt hun, vers 13, dat zij zijn tot vrijheid geroepen, en begeert dat zij zullen vaststaan in de vrijheid, waarmee Christus hen vrijgemaakt heeft. Maar nu verlangt hij dat zij zeer zorgvuldig zullen zijn om die vrijheid niet te gebruiken tot een oorzaak voor het vlees, dat zij daaruit geen gelegenheid nemen zullen om zich te begeven in verkeerde genegenheden en praktijken, en vooral niet in zulke, die leiden zouden tot het verwekken van verwijdering en afkeer, en de wortel zijn voor twisten en oorlogen tussen hen. Integendeel, hij verlangt dat ze door liefde elkaar zullen dienen, de wederzijdse liefde en genegenheid handhaven niettegenstaande er verschillen van ondergeschikten aard onder hen zijn mochten, dat zij elkaar alle diensten van eerbieding en genegenheid zullen bewijzen, waartoe de Christelijke godsdienst verplicht.
1. De vrijheid, waarin wij Christenen ons verheugen, is een beperkte vrijheid, ofschoon Christus ons verlost heeft van den vloek der wet, heeft Hij ons niet vrijgesteld van haar onderhouding, het Evangelie is een leer, die naar de godzaligheid is, 1 Timotheus 6:3, en is er zover van af om ons de geringste vrijheid tot zondigen te geven, dat het ons de strengste verplichting oplegt om de zonde te vlieden en te doden.
2. Ofschoon wij behoren vast te staan in de Christelijke vrijheid, moeten wij nooit op haar blijven staan ten nadele van de Christelijke liefde, wij moeten haar niet gebruiken als een aanleiding tot twist en strijd met onze mede-Christenen, die in enig opzicht van ons verschillen, maar moeten altijd zulk een gemoedsgesteldheid jegens hen bewaren, als ons bekwaam maakt om hen door de liefde te dienen. Hiertoe tracht de apostel deze Christenen aan te sporen, en er zijn twee beschouwingen, die hij met dit doel hun voorhoudt.
A. De gehele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uwen naasten liefhebben als uzelven, vers 14. Liefde is de hoofdsom van de gehele wet, de liefde tot God is de inhoud van de eerste tafel, die tot den naasten de inhoud van de tweede. De apostel spreekt hier van de laatste omdat hij spreekt van ons gedrag jegens elkaar, en wanneer hij hiervan gebruik maakt als een beweegreden om hen aan te sporen tot wederzijdse liefde, is zijn bedoeling dat dit een goed bewijs zal zijn van hun oprechtheid in den godsdienst en tevens het meest eigenaardige middel om verdeeldheden en twisten, die onder hen waren, uit den weg te ruimen. Het zal blijken, dat wij waarlijk discipelen van Christus zijn, zo wij liefde hebben onder elkaar, Johannes 13:35, en wanneer die gesteldheid des harten heersende is, zullen de onzalige geschillen tussen de Christenen, indien ze al niet geheel verdwijnen, ten minste zover verzacht worden, dat hun noodlottige gevolgen voorkomen worden.
B. De jammerlijke en gevaarlijke strekking van een tegenovergesteld gedrag, vers 15.
Maar, zegt hij, indien gij elkaar bijt en vereet, ziet toe dat gij van elkaar niet verteerd wordt. Indien zij zich, in plaats van als mensen en Christenen, zouden gedragen als wilde beesten, en elkaar bijten en vereten, dan konden ze als noodzakelijk gevolg daarvan verwachten dat zij elkaar verteerden, en daarom hadden zij de grootste reden om niet toe te laten, dat zulke twisten en afgunstigheden opkwamen. Onderlinge strijd tussen broederen zal, indien men er in volhardt, eindelijk blijken op volslagen verwoesting uit te lopen, zij die elkaar verscheuren lopen gevaar van elkaar verteerd te worden. De Christelijke gemeenten kunnen alleen door zich zelve verwoest worden, maar indien Christenen, die elkanders hulp en vreugde behoren te zijn, als wilde beesten elkaar bijten en vereten, wat kan men dan anders verwachten dan dat de God der liefde Zijne genade van hen terugtrekt, dat de Geest der liefde hen verlaat, en dat de boze geest, die hun aller ondergang zoekt, bij hen de overhand krijgt?
II. Dat zij allen tegen de zonde zullen strijden. En gelukkig zou het voor de gemeente van Christus zijn, indien de Christenen al hun twisten lieten opgaan in deze ene: een twist met de zonde, indien zij, in plaats van elkaar terwille van hun verschil van gevoelen te bijten en te vereten, zich allen ten strijde verzamelden tegen de zonde in zich zelven en in alle plaatsen. Zij is het tegen wie te vechten wij voor alles geroepen zijn, dat moest voor alles ons werk zijn, haar te bestrijden en te overwinnen. Ten einde de Christenen daartoe op te wekken en hen daarin te helpen toont de apostel aan:
1. Dat er in ieder onzer een strijd is tussen het vlees en den Geest, vers 17. Want het vlees begeert tegen den Geest en de Geest tegen het vlees, ons bedorven en vleselijk deel strijdt, worstelt met kracht en woede tegen alle bewegingen des Geestes en weerstaat al wat geestelijk is. Maar aan den anderen kant: de nieuwe mens in ons strijdt tegen het vlees en tegen den wil en de begeerten van het vlees. En daardoor komt het, dat wij niet de dingen kunnen doen, die we willen. Gelijk het beginsel van genade in ons niet toelaat, dat we al het kwaad bedrijven, waartoe onze bedorven natuur ons aanzet, zo kunnen wij ook niet al het goede doen dat wij wensen, door den tegenstand, dien het bedorven en vleselijk beginsel in ons biedt. Evenals er in den natuurlijken mens iets van dezen strijd is (de inspraak van zijn geweten en de verdorvenheid van zijn hart bestrijden elkaar en zijn verdorvenheid legt aan zijn geweten het zwijgen op), zo is in den nieuwen mens, die den aanvang van een nieuw beginsel heeft, een strijd tussen de oude en de nieuwe natuur, tussen de overblijfselen der zonde en de beginselen der genade, en de Christenen moeten verwachten dat dit hun oefening zal zijn hun leven lang.
2. Dat het onze plicht en ons belang is in deze worsteling de zijde van het betere beginsel te kiezen, voor ons geweten tegen ons verderf, voor onze genade tegen onze lusten. Dit houdt de apostel ons voor als onzen plicht en geeft ons de beste middelen aan om daarin te slagen. Wanneer men zou vragen: Wat valt er te doen opdat dat betere gedeelte de overhand verkrijge? dan geeft hij ons dezen algemenen regel, welke, wel beschouwd, het beste geneesmiddel moet zijn tegen de overheersing van het verderf, en dat is: te wandelen in den Geest, vers 16.
En ik zeg, wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vlezes niet. Door den Geest kan hier bedoeld zijn den Heiligen Geest zelf, die nederdaalt om te wonen in de harten van allen, die Hij vernieuwd en geheiligd heeft, om hen te leiden en te ondersteunen in den weg van hun plicht. Of het beginsel van genade, dat Hij plant in de harten van Zijn volk en dat begeert tegen het vlees, gelijk het bedorven beginsel, dat nog steeds in hen blijft, daartegen begeert. De plicht, ons hier aanbevolen, is dat wij ons plaatsen onder de leiding en invloed van dien gezegenden Geest en handelen overeenkomstig de bewegingen en bedoelingen van de nieuwe natuur in ons. En zo dat onze zorg is in den dagelijksen gang van ons leven, dan mogen wij er op rekenen dat, ofschoon wij niet zullen verlost worden van de aanporringen en den tegenstand van onze oude natuur, wij zullen teruggehouden worden van het vervullen harer begeerten, en ofschoon ze in ons blijft woelen, zal ze over ons gene heerschappij hebben. Het beste verweermiddel tegen het vergif der zonde is te wandelen in den Geest, veel bezig zijn in geestelijke dingen, meer aan de belangen der ziel, het geestelijk deel des mensen, dan aan die van het lichaam te denken, hetwelk het vleselijk deel is, ons over te geven aan de leiding van het Woord, waarin de Heilige Geest ons kenbaar maakt wat God van ons verlangt, en in den weg van onzen plicht te gaan in afhankelijkheid van Zijn hulp en invloed. En gelijk dit het beste middel is om bewaard te worden tegen de vervulling van de begeerten des vlezes, zo is het ook het beste bewijs dat wij Christenen zijn, want gelijk de apostel zegt, vers 18 :Indien gij door den Geest geleid wordt, dan zijt gij niet onder de wet. Alsof hij zei: Gij moet verwachten een strijd tussen vlees en geest, zolang gij in de wereld zijt, dat het vlees begeren zal tegen den geest en de geest tegen het vlees, maar wanneer gij in den gang en bedoeling van uw leven geleid wordt door den Geest, zo gij handelt onder de leiding en bestiering van den Heiligen Geest en van het geestelijk beginsel, dat Hij in uw hart gewrocht heeft, zo gij het Woord Gods tot uw regel en de genade Gods tot uw beginsel neemt, dan zal het blijken dat gij zijt niet onder de wet, niet onder de veroordeling ofschoon nog wel onder de bevelende macht der wet, want er is gene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen maar naar den Geest, en zo velen als wij door den Geest Gods geleid worden zijn wij kinderen Gods, Romeinen 8:1-14.
3. De apostel noemt de werken des vlezes op, waartegen gewaakt en die gedood moeten worden, en de vruchten des Geestes, die aangekweekt en voortgebracht moeten worden, vers 19 enz., en geeft bij de optelling daarvan enige nadere verklaring.
A. Hij begint met de werken des vlezes, welke, vele als zij zijn, openbaar zijn. Het is algemeen erkend, dat de dingen, waarvan hij hier spreekt, werken des vlezes zijn, voortbrengselen van onze bedorven en verlaagde natuur, de meeste daarvan worden veroordeeld reeds door het licht van de natuurlijke rede, alle door het licht der Schrift. De bijzonderheden, die hij opnoemt, zijn van verschillende soorten, sommige zijn zonden tegen het zevende gebod, als overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, en daardoor worden niet alleen bedoeld de grote daden van deze zonden, maar ook alle gedachten, woorden en handelingen, die de strekking hebben om tot deze overtredingen te voeren. Andere zijn zonden tegen het eerste gebod, als afgoderij. Weer anderen zijn zonden tegen onze naasten en het tegendeel van de koninklijke wet der broederlijke liefde, als venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, welke maar al te dikwijls toorn, gekijf en tweedracht veroorzaken, en soms uitbreken in nijd en moord, niet alleen van den goeden naam, maar van het leven onzer medemensen. Andere weer zijn zonden tegen ons zelven, als dronkenschappen en brasserijen. En hij besluit de opsomming met: en dergelijke, ons vermanende tegen die alle te waken, indien wij hopen willen met vertroosting het aangezicht Gods te zullen zien. Van alle deze zegt hij: ik zeg u tevoren, gelijk ik ook tevoren gezegd heb, dat die zulke dingen doen het koninkrijk Gods niet zullen beërven, hoezeer zij zich ook met ijdele hoop vleien. Dit zijn zonden, die iemand zonder twijfel buiten het koninkrijk der hemelen sluiten. De geestelijke wereld kan nooit geschikt zijn voor hen, die zich dompelen in de onreinheden des vlezes, en de rechtvaardige en heilige God wil dezulken niet toelaten in Zijn gunst en tegenwoordigheid, tenzij ze gewassen en geheiligd zijn, en gerechtvaardigd in den naam van onzen Heere Jezus en door den Geest van onzen God, 1 Corinthiërs 6:11, B. Hij noemt de vruchten de Geestes op. of van de vernieuwde natuur, welke wij als Christenen verplicht zijn voort te brengen, verzen 22, 23.. En hier moeten wij opmerken, dat de zonden genoemd worden werken des vlezes, omdat het vlees of de bedorven natuur het beginsel is, dat de mensen er toe aanzet en beweegt. Zo wordt de genade genoemd vrucht des Geestes, omdat zij geheel voortkomt uit den Geest, zoals de vrucht voortkomt uit den wortel. En terwijl de apostel tevoren vooral die werken des vlezes heeft opgenoemd, die niet alleen schadelijk zijn voor de bedrijvers zelf, maar ook de strekking hebben dat de mensen er elkaar door benadelen, zo maakt hij hier voornamelijk gewag van die vruchten des Geestes, welke de strekking hebben om de Christenen voor elkaar aangenaam te maken, zowel als gemakkelijk voor zich zelven. En dit was geheel in overeenstemming met de opwekking, die hij in vers 13 gegeven had, dat zij de vrijheid niet zouden gebruiken als een oorzaak voor het vlees, maar om door liefde elkaar te dienen. In de eerste plaats noemt hij ons liefde, voornamelijk tot God, en om Zijnentwil tot elkaar, -blijdschap, waaronder verstaan kan worden vriendelijkheid in den omgang met onze vrienden, maar veelmeer een voortdurend zich verheugen in God, -vrede, met God en met ons geweten, of vredelievendheid en vredesgezind gedrag jegens anderen, - lankmoedigheid, geduld om toorn te voorkomen en beledigingen te verdragen, -goedertierenheid, die zachtheid van gemoed, voornamelijk jegens onze minderen, die ons plooibaar en beleefd maakt en gemakkelijk te verzoenen wanneer ons enig onrecht aangedaan is, -goedheid (vriendelijkheid, welwillendheid), welke zich bereid toont om al het goede te doen, dat in haar vermogen is, -geloof, getrouwheid, rechtvaardigheid, eerlijkheid, in hetgeen wij belijden of anderen beloven, -zachtmoedigheid, om daarmee onze hartstochten en gevoeligheden te beheersen, zodat wij niet spoedig vertoornd worden, en vertoornd zijnde, spoedig weer bevredigd worden, -en matigheid, in eten en drinken en in alle genoegens van het leven, zodat wij niet buitensporig of onmatig zijn in het gebruik daarvan. Betreffende deze dingen en dezulken, in wie deze dingen gevonden worden, zegt de apostel: Tegen de zodanige is de wet niet, om hen te veroordelen en te straffen. Ja, hieruit blijkt dat zij niet onder de wet zijn, maar onder de genade, want deze vruchten des Geestes tonen duidelijk dat zij, in wie ze gevonden worden, geleid worden door den Geest en bijgevolg dat ze niet onder de wet zijn, vers 18. En terwijl de apostel, door deze werken des vlezes en vruchten des Geestes op te noemen, ons aanwijst beide wat wij te vermijden en tegen te staan, als wat wij te beminnen en te onderhouden hebben, zegt hij ons, vers 24, dat dit de voorname zorg en het ernstige streven van alle Christenen is. Maar die van Christus zijn, zegt hij (zij die in waarheid Christenen zijn, niet alleen in belijdenis en uitwendig vertoon, maar in oprechtheid en waarheid) hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. Zij werden daartoe door hun doop verplicht (want door in Christus gedoopt te worden, werden zij in Zijn dood gedoopt, Romeinen 6:3), en daarom arbeiden zij nu in oprechtheid daaraan, en trachten, in gelijkvormigheid aan hun Heere en hoofd, der zonde te sterven gelijk Hij gestorven is. Zij hebben nog niet de volkomen overwinning behaald, zij gevoelen nog zowel het vlees als den Geest in hun binnenste, en dat heeft zijn bewegingen en begeerlijkheden, welke voortgaan hun niet weinig hindernis te bezorgen, maar toch heerst de zonde niet meer in hun sterflijke lichamen, om haar in haar begeerlijkheden te gehoorzamen, Romeinen 6:12. Zij trachten naar haar gehele overwinning en vernietiging, en brengen haar dezelfden schandelijken, vloekwaardigen, maar langzamen dood, welken onze Heere Jezus om onzentwil onderging. Merk op: Indien wij het bewijs willen leveren dat wij van Christus zijn, met Hem verenigd en deelhebbend aan Hem, dan moet het ons voortdurend werk zijn het vlees met zijn bedorven bewegingen en begeerlijkheden te kruisigen. Christus zal nooit hen aannemen, die zich als slaven aan de zonde onderwerpen. Maar ofschoon de apostel hier alleen de kruisiging van het vlees met zijn beweging en begeerlijkheden als de zorg en het kenmerk van ware Christenen noemt, is daar toch zonder twijfel in begrepen, dat wij anderzijds de vruchten des Geestes moeten vertonen, die hij opgenoemd heeft, dat is niet minder onze roeping en niet minder noodzakelijk om onze oprechtheid in den godsdienst te bewijzen. Het is niet genoeg dat wij ophouden kwaad te doen, wij moeten ook leren goed te doen. Ons Christendom verplicht ons niet enkel der zonde te sterven, maar ook der gerechtigheid te leven, niet enkel de werkingen des vlezes tegen te staan, maar ook de vruchten des Geestes te dragen. Indien wij derhalve willen tonen, dat wij inderdaad Christus toebehoren, dan moet het een zowel als het ander onze ernstige zorg en betrachting zijn. En dat de apostel bedoelde beide als onze plichten ons voor te houden, en als noodzakelijk om het kenmerk van waarachtig Christendom te dragen, blijkt uit hetgeen volgt, vers 25. Hij voegt er aan toe: Indien wij door den Geest leven, laat ons ook door den Geest wandelen. Dat is: Indien wij belijden den Geest van Christus ontvangen te hebben, en vernieuwd te zijn in den geest onzes gemoeds, en begiftigd met een beginsel van nieuw leven, laat ons dat dan tonen door in ons leven de vruchten des Geestes voort te brengen. Tevoren heeft hij ons gezegd dat de Geest van Christus een voorrecht is, dat aan alle kinderen Gods geschonken wordt, Hoofdstuk 4:6, en nu zegt hij: "Indien wij belijden tot hun getal te behoren en als zodanig dit voorrecht verkregen te hebben, laat ons dan ook het tonen door een daarmee overeenstemmende gemoedsgesteldheid en wandel, laat ons onze goede beginselen tonen door onze goede werken". Onze omgang moet altijd beantwoorden aan het beginsel, onder welks leiding en regering wij staan: want zij, die naar het vlees zijn, bedenken wat des vlezes is, maar zij, die naar den Geest zijn, bedenken dat des Geestes is, Romeinen 8:5. Indien wij wensen dat het openbaar worde, dat wij van Christus zijn en deel hebben aan Zijn Geest, dan moeten wij ook wandelen niet naar het vlees, maar naar den Geest. Wij moeten met vollen ernst ons er toe zetten, beide om de werkingen van het lichaam te doden èn om te wandelen in nieuwheid des levens.
4. De apostel besluit dit hoofdstuk met ene waarschuwing tegen hoogmoed en afgunst, vers 26. Hij heeft deze Christenen tevoren, vers 13, opgewekt om elkaar te dienen in de liefde, en had hun doen zien wat daarvan het gevolg zou zijn in plaats dat zij elkaar beten en veraten, vers 15. Nu, als een middel om hen voor het een te bewaren en tot het ander aan te moedigen, waarschuwt hij hen niet begerig te zijn naar ijdele eer, of plaats te geven aan een onbehoorlijke jacht naar de achting en goedkeuring van mensen, want indien zij daaraan toegaven, zou dat hen zeker prikkelen om elkaar te tergen en te benijden. Wanneer die gemoedsgesteldheid onder de Christenen ontwaakt, zullen zij gereed worden tot verkleining en verachting van hen, die zij als hun minderen beschouwen, en ontevreden worden indien hun die eerbied niet betoond wordt, waarop zij menen recht te hebben. En dan zullen zij zeer geneigd worden om diegenen te benijden, van wie zij denken dat hun naam enigszins gevaar loopt van verkleind te worden. En daardoor wordt de grond gelegd voor die twisten en onenigheden, die onbestaanbaar zijn met de liefde welke Christenen elkaar behoren toe te dragen, terwijl zij zeer schadelijk zijn voor de eer en het belang van den godsdienst zelf. Daarom wil de apostel dat wij daartegen in alle opzichten waken zullen. De eer van mensen is ijdele eer, in plaats van die te begeren, moeten wij er dood voor zijn. Een onwaardig hechten aan de goedkeuring en toejuiching van mensen is een der voornaamste oorzaken van de onzalige twisten en onenigheden, die onder de Christenen bestaan.