Galaten 1:1-5
In deze verzen hebben we de voorrede of inleiding, waaromtrent wij opmerken:
I. De persoon of personen, door wie deze brief wordt gezonden, - Paulus, een apostel, enz. en al de broeders, die met mij zijn.
1. De brief werd gezonden door Paulus, hij alleen is de schrijver. En omdat er sommigen onder de Galatiërs waren, die zijn karakter en gezag trachtten te verkleinen, geeft hij dadelijk in de eerste regels een algemeen overzicht van zijn dienst en van de wijze, waarop hij daartoe geroepen was, hetwelk hij in het vervolg van dit en in het volgende hoofdstuk breder uiteenzet. Wat zijn dienst aangaat: hij was een apostel. Hij deinst er niet voor terug, zich zelven zo te noemen, ofschoon zijn vijanden hem nauwelijks dien naam wilden geven, en om hun aan te tonen dat hij dien titel niet zonder rechtmatigen grond voert, deelt hij hun mede hoe hij tot deze waardigheid en bediening geroepen was, en verzekert hun dat zijn zending geheel goddelijk was, want hij was apostel, niet van mensen of door een mens. Hij had niet de roeping van een gewoon dienaar, maar een buitengewone roeping van den hemel. Ook had hij zijn bekwaamheid daartoe, of zijn aanstelling, niet ontvangen door tussenkomst van mensen, maar hij had de ene zowel als de andere rechtstreeks van boven, want hij was een apostel van Jezus Christus, hij had zijn opdracht en zending onmiddellijk van Hem, en dientengevolge van God den Vader, die een was met Hem naar Zijn goddelijke natuur, en die Hem aangewezen had als Middelaar, om te zijn de apostel en hogepriester onzer belijdenis, en om anderen in Zijn dienst aan te stellen. Hij voegt er bij: die Hem uit de doden opgewekt heeft, om ons mede te delen, ten eerste dat God de Vader daardoor een openbaar getuigenis gegeven heeft dat Christus Zijn Zoon en de beloofde Messias is, en ook dat zijn eigen roeping tot apostel onmiddellijk van Christus kwam, nadat deze van de doden opgewekt was en ten hemel gevaren, zodat Paulus alle reden had om zich zelven te beschouwen als de gelijke van de overige apostelen, zelfs in enkele opzichten hun meerdere. Want zij waren op aarde geroepen, terwijl zijn roeping uit de hemelen kwam. Dus verheerlijkt de apostel, nu hij door zijn vijanden tegengewerkt wordt, zijne bediening. En daaruit blijkt dat, ofschoon niemand ooit trots mag zijn op enig gezag dat hij bezit, het toch in zekere omstandigheden en tijden noodzakelijk kan zijn het te handhaven. Maar:
2. Hij verenigt al de broederen, die met hem waren, in het opschrift van den brief met zich en schrijft uit hun naam zowel als uit den zijnen. Onder al de broeders die met mij zijn kunnen verstaan worden de Christenen in het algemeen, ter plaatse waar hij zich toen bevond, of zij die als dienaren geroepen waren. Niettegenstaande zijn voornamer roeping en bediening, is hij bereid hen als broederen te erkennen en, ofschoon hij alleen den brief schreef, hen in den aanhef mede te noemen. Hierin toont hij zijn grote bescheidenheid en nederigheid, maar hoe ver hij ook zijn mocht van aanmatiging, heeft hij waarschijnlijk zo geschreven om deze gemeenten acht te doen slaan op den inhoud van den brief, omdat hieruit bleek dat deze broederen het met den inhoud zijner prediking eens waren en gereed om dat te bevestigen. De inhoud was dezelfde, die door anderen zowel als steeds door hem zelven gepredikt en beleden werd.
II. Aan wie de brief gericht is: aan de gemeenten van Galatië. Er waren toentertijd meerdere gemeenten in dat landschap, en het schijnt dat zij allen min of meer bedorven waren door de kunstgrepen van de verleiders, die bij hen ingekropen waren, en daarom schreef Paulus, wie dagelijks de zorg voor al de gemeenten overviel, en die zeer bewogen was over hun toestand en begerig om hen terug te brengen tot het ware geloof en daarin te bevestigen, hun dezen brief. Hij richt dien tot hen allen, omdat allen meer of min bij de zaak betrokken waren, en geeft hun den naam gemeenten, ofschoon zij genoeg gedaan hadden om dien naam te verbeuren, want bedorven gemeenten worden niet erkend gemeenten te zijn. Doch ongetwijfeld waren er nog sommigen onder hen, die in het geloof volhardden, en hij was niet zonder hoop dat de anderen terugkeren zouden.
III. De apostolische zegen, vers 3. Hierin wensen de apostel en de broederen, die met hem zijn, deze gemeenten genade en vrede van God den Vader en van onzen Heere Jezus Christus. Dat is de gewone zegen, waarmee hij de gemeenten zegent in den naam des Heeren: genade en vrede. Genade omvat Gods welwillendheid jegens ons en het goede werk dat Hij in ons werkt, en vrede is alle inwendige vertroosting of uitwendige voorspoed, die wij waarlijk nodig hebben, en zij komen van God den Vader als de bron, door Jezus Christus als het kanaal. Deze beide wenst de apostel dezen Christenen toe. Maar laat ons opmerken: eerst genade, daarna vrede, want er kan geen waarachtige vrede zijn zonder genade. Nu hij den Heere Jezus Christus genoemd heeft, kan hij niet nalaten zijn lof uit te breiden, en daarom voegt hij er bij, vers 4 :Die zich zelven gegeven heeft voor onze zonden, enz. Jezus Christus gaf zich zelven voor onze zonden als een groot slachtoffer om verzoening aan te brengen, dat vereiste de rechtvaardigheid Gods en Hij onderwierp zich daaraan om onzentwil vrijwillig. Het grote doel daarvan was om ons te trekken uit deze tegenwoordige boze wereld, niet enkel ons te verlossen van den toorn Gods en den vloek der wet, maar ons ook te trekken uit de verdorvenheid, die in de wereld is door de vleselijke lusten, en ons van haar schandelijke gebruiken en praktijken te genezen, waaraan wij van nature verslaafd zijn, en ons daardoor vrij te maken van de Mozaïsche wet, want dat betekent aioon hoetos, 1 Corinthiërs 2:6, 8. Daaromtrent merken wij op:
1. De tegenwoordige wereld is een boze wereld, zij is dat geworden door de zonde der mensen, en zij is dit terwille van de zonde en de smart, die daarmee verbonden is, en de vele verleidingen en verzoekingen, waaraan wij blootgesteld zijn zolang wij in haar leven. Maar:
2. Jezus Christus is gestorven om ons te verlossen van de tegenwoordige boze wereld, niet om dadelijk zijn volk uit haar weg te nemen, maar om het voor haar macht te behoeden, om hen in het boze te bewaren en hen op zijn tijd in bezit te stellen van een andere, betere wereld. Dat heeft Hij gedaan, zegt de apostel, naar den wil van onzen God en Vader. Toen Hij met dat doel zich zelven offerde, handelde Hij naar den wil des Vaders, zowel als uit eigen vrijen wil, en daarin hebben wij de grootste reden om te steunen op de genoegzaamheid en aannemelijkheid van hetgeen Hij voor ons gedaan en geleden heeft. Ja, daardoor hebben wij vrijmoedigheid om op God als onzen Vader te zien, want zo noemt de apostel Hem hier. Indien Hij de Vader is van onzen Heere Jezus, dan is Hij in en door Hem ook de Vader van alle ware gelovigen, zoals onze gezegende Zaligmaker ons zelf zegt in Johannes 20:17, waar Hij zegt: Ik vaar op tot Mijnen Vader en uwen Vader. De apostel, na op deze wijze gesproken te hebben van de grote liefde, waarmee Christus ons liefgehad heeft, besluit zijn voorrede met een plechtige uiting van prijs en heerlijkheid aan Hem, vers 5. Dewelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid, Amen! Hij duidt aan dat Christus daardoor rechtvaardig aanspraak heeft op onze hoogste achting en eerbied. Of deze lofverheffing moet geacht worden beiden God den Vader en onzen Heere Jezus Christus te bedoelen, van wie hij tevoren genade en vrede toegebeden heeft. Beiden zijn onze verering en aanbidding waard, alle eer en heerlijkheid is hun eeuwiglijk verschuldigd, zowel om hun oneindige majesteit als om de zegeningen welke wij van hen ontvangen.