1. Haggaï 1) nu, de profeet, wiens naam betekent: "de Feestelijke," wellicht een der grijsaards, die den ouden Tempel nog in al zijne heerlijkheid gezien hebben (
Hoofdstuk 3:12.
Haggai 2:4), van wie echter gene bijzonderheden meer bekend zijn, en Zacharia, d.i. "de Heere gedenkt (
2 Kronieken 24:20, ), de zoon van Berechja en kleinzoon van Iddo, het hoofd van een priestergeslacht, dat met Jesua en Zerubbabel uit de ballingschap was teruggekeerd, profeten, profeteerden in het tweede jaar van Darius (
Hoofdstuk 4:24 op den eersten dag van de zesde maand, d.i. Elul (
Exodus 12:1 ), omstreeks onze maand September, tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren 1), in den naam des Gods van Israël profeteerden zij tot hen 3), en spoorden het volk met groten nadruk aan tot het weder opvatten van het gestaakte opbouwen des tempels.
1) Het Boek van Haggai in ongekunstelde taal, maar niet zonder retorische levendigheid geschreven, bevat waarschijnlijk slechts de hoofdgedachten van zijne mondelijke redevoeringen, en verdeeld in vier afdelingen, waarvan de eerste en de derde, zo ook de tweede en de vierde bij elkaar behoren. In de eerste, op den dag der nieuwe maan van de 6e maand gehoudene redevoering (Hoofdstuk 1), bestraft de Profeet de lauwheid in het bouwen van den tempel, die door den heersenden nood niet kan verontschuldigd worden, daar toch het volk prachtige huizen voor zich zelven bouwde, veeleer was de tegenwoordige nood ene straf voor die onverschilligheid. Deze redevoering maakt indruk; ten gevolge daarvan wordt het bouwen weer ter hand genomen, en de Profeet belooft den zegen en den bijstand des Heren. De tweede redevoering, gehouden op den zevenden dag van het Loofhuttenfeest (Hoofdstuk 2:1-10), toen het bouwen van den tempel reeds weer vier weken in vollen gang was geweest, spreekt hij over de neerslachtigheid van het volk, toen het den vroegeren tempel vergeleek met dien, waarvan de grondslagen al deden zien, wat hij zou worden. De Profeet troost het volk, zeggende: dat de Heere nog niet van hen is geweken, en belooft in den naam des Heren, dat de heerlijkheid van dezen nieuwen tempel groter zal worden, dan die van den eerste geweest is. De derde, juist drie maanden na het weder opvatten van den tempelbouw gehouden redevoering (Hoofdstuk 2:11-20), zet de gedachte voort van de eerste, en toont aan, dat de voortdurende nood, daar hemel en aarde hun tegen waren, als ene straf was te beschouwen voor des volks geringachting van den dienst huns Gods, en wijst op den sedert korten tijd aangevangen overvloedigen vroegen regen, als een bewijs, dat de Heere der natuur Zijne beloofde zegeningen niet onthoudt aan de gemeente, die getrouw is aan `t verbond met Hem gesloten. De vierde rede, gehouden op dezelfden dag als de derde (Hoofdstuk 2:21-24) sluit zich aan de tweede aan, en zegt, dat de hemel en de aarde zullen bewogen worden, en dat er ene geweldige verandering zal plaats hebben in de volkeren der aarde, en belooft dat het koningschap van Israël zal behouden worden in Zerubbabel, als den vertegenwoordiger van het koninkrijk van Israël, in weerwil van alle toekomende stormen en oordelen.
Nadat Haggai in zijne vierde profetische rede den ondergang van alle koninkrijken der volken en de behoudenis van Zerubbabel in deze verwoesting heeft voorzegd, sluit zich de profeet Zacharia twee maanden later daaraan, nadat hij drie maanden te voren zijne roeping heeft ontvangen (Zacharia 1:1-6). Merkwaardig is het gedurig terugkeren van den 24sten der maand, bij de openbaringen, die de Profeten ontvingen (Daniël 10:4. Haggai 2:1,11,21. Zacharia 1:7), en nu volgt bij Zacharia, even als bij Haggai ene nieuwe openbaring insgelijks op den 24sten der derde maand na zijne roeping (Haggai 2:11, 21. Vergelijk Hoofdstuk 1:1. Zacharia 1:8). Hij zag des nachts zeven gezichten, die hem de toekomstige ontwikkeling van het rijk Gods tot de gehele voleinding daarvan in heerlijkheid, in hoofdpunten onthullen (Zacharia 1:7-6:8). Hieraan sluit zich ene zinnebeeldige voorstelling, die de voleinding van het rijk Gods door den groten nakomeling van David, die het priesterlijke met de koninklijke waardigheid in zich verenigde aanwijst (Zacharia 6:9-15). Twee jaren later op den vierden dag van de negende maand van het jaar 581 v. Chr. ontvangt de profeet ene nieuwe Goddelijke openbaring, betrekking hebbende op ene vraag van enige mannen van Juda aan de priesters en profeten. Men was namelijk in onzekerheid of die nationale treur- en vastendagen, die vroeger waren ingesteld ter herinnering aan de verwoesting, van Jeruzalem en de verbranding van den tempel, nu, bij den gezegenden bloei van de nieuwe gemeente, nog verder moesten gehouden worden. Het antwoord des Heren luidde, dat Hij het vasten op zich zelven niet beschouwde als ene Hem welgevallige verering, maar dat Hij boven alles gehoorzaamheid aan Zijn woord verlangde. Zo Hij Israël verstrooid had om zijn hardnekkig wederstreven tegen de geboden der gerechtigheid, der waarheid en der liefde, hun door de Profeten voorgehouden, nu wilde Hij in Zijne neerbuigende liefde Zich weer tot Sion en Jeruzalem wenden, en Zijn volk met rijken zegen begenadigen, wanneer zij slechts waarheid gerechtigheid, trouw en liefde jegens elkaar wilden oefenen. In het laatste geval zou hij de vastendagen veranderen in dagen van blijdschap en vreugde, en zich dermate aan Jeruzalem verheerlijken, dat er vele en machtige volken zouden komen, om aldaar den Heere Zebaoth te zoeken en te aanbidden (Zacharia 8:1-8 en 23). Deze Goddelijke openbaring verbindt hetgeen Zacharia in zijne nachtgezichten aanschouwd heeft, met de beide voorzeggingen van bedreigenden aard, die in Hoofdstuk 9 en 10 over het land Chadrach, den zetel der godvergetene wereldheerschappij, en in Zacharia 11:14 over Israël worden uitgesproken. Enerzijds wordt hier aan het volk de voorwaarde op het hart gedrukt, die het te volbrengen heeft, om de heerlijke toekomst in de nachtgezichten voorgesteld te bereiken en anderdeels wordt het voorbereid tot den strijd, die het volk Israël's, naar Hoofdstuk 9-14 te voeren heeft tot aan de voleinding van het Godsrijk..
2) Die in Juda en te Jeruzalem woonden. Hier worden deze Joden onderscheiden ook wel van degenen, die in de andere stamgebieden woonden, maar inzonderheid van hen, die in Babylon waren terug gebleven. 3) in het Chaldeeuws Beschum èlah Jischraëel alehoon. Beter: in den naam van den God van Israël, die onder hen was. Er is reeds gezegd tot wie de profeten profeteerden, n.l. tot Juda en Jeruzalem. Daarom moet dit laatst tot of over verbonden worden met den Naam. De Naam Gods was over hen gekomen, was onder hen betuigd. Van de valse goden waren zij bekeerd geworden en den enigen en waarachtigen God hadden zij weer leren kennen, om Hem, den Heere, alleen te dienen. Welnu, in diens Naam, Wie zij weer erkenden hun God te zijn, Die hun weer in Kanaän had teruggebracht, profeteerden de profeten, opdat er een gehoorzaamheid zou volgen aan zijn bevel.