Ezra 2:1-35
Wij kunnen hier opmerken:
1. Dat een rekening werd gehouden in geschrifte van de geslachten, die uit de gevangenschap kwamen, met het aantal van ieder geslacht.
a. Ter hunner ere, als deel van hun beloning voor hun geloof en hun moed, hun vertrouwen op God en hun liefde voor hun eigen land, en om anderen op te wekken om hun goed voorbeeld te volgen.
Zij, die God eren, zullen aldus door Hem geëerd worden. De namen van alle ware Israëlieten, die het aanbod van de verlossing door Christus aannemen, zullen tot hun eer in een nog heiliger register vermeld worden, namelijk in het boek des levens des Lams.
b. Tot nut van het nageslacht, opdat zij zouden weten van wie zij afstamden en aan wie zij verwant waren.
2. Dat zij kinderen van dat landschap, of van de provincie, genoemd worden. Juda, dat een doorluchtig koninkrijk was geweest waaraan andere koninkrijken als provincies onderworpen waren geworden, was nu zelf een provincie, die wetten en bevelen van de koning van Perzië had te ontvangen en hem rekenschap was verschuldigd.
Zie, hoe de zonde een volk vermindert en vernedert, dat door gerechtigheid verhoogd zou worden. Maar door aldus dienstknechten gemaakt te zijn, (evenals de patriarchen door vreemdelingen en bijwoners gemaakt te zijn in een land, dat door belofte het hun was) werden zij herinnerd aan het betere land, dat is het hemelse, Hebreeën 11:16, een koninkrijk, dat niet bewogen kan worden, niet in een provincie kan worden veranderd.
3. Dat van hen gezegd wordt dat zij zijn wedergekeerd een ieder naar zijn stad, dat is: de stad, die hun was toegewezen, waarbij ongetwijfeld het oog was gehouden op hun oorspronkelijke vestiging onder Jozua, zo nabij mogelijk zijn zij daartoe wedergekeerd, want het blijkt niet dat anderen er in hun afwezigheid bezit van hadden genomen, tenminste niet de zodanigen, die instaat waren hun tegenstand te bieden.
4. Dat de aanvoerders het eerst genoemd worden, vers 2. Zerubbabel en Jesua waren hun Mozes en Aaron, de eerste hun voornaamste vorst, de tweede hun voornaamste priester.
Nehemia en Mordechai worden hier genoemd sommigen denken dat zij niet de vermaarde mannen van die naam zijn, die wij laser zullen ontmoeten, waarschijnlijk waren zij wèl dezelfden, maar later zijn zij ten diepste van hun land naar het hof teruggekeerd.
Sommigen van deze geslachten worden genoemd naar hun stamvaders, anderen naar de plaatsen, waar zij vroeger gewoond hadden, zoals bij ons vele toenamen eigennamen zijn van personen, andere van plaatsen. 5. Er is hier een klein verschil In de getallen van sommige geslachten met die in Nehemia 7, waar deze lijst herhaald is, hetgeen hieruit kan ontstaan zijn dat sommigen, die in het eerst hun namen hebben opgegeven om mee op te trekken, zich later terugtrokken, gezegd hebben: ik ga, maar niet gingen, hetgeen het aantal van het geslacht, waartoe zij behoorden, kleiner heeft doen worden, anderen die eerst geweigerd hadden mee te gaan, hadden later berouw en gingen, en zo werd dan hun aantal vermeerderd.
6. Hier zijn twee geslachten, die de kinderen van Elam genoemd worden, het een in vers 7, het andere in vers 31 en wat vreemd is, van beide is het aantal gelijk, twaalfhonderd en vier en vijftig.
7. De kinderen van Adonikam-die naam betekent een hoog heer-waren zeshonderd zes en zestig, juist het getal, Openbaring 13:18 dat daar gezegd wordt "het getal eens mensen" te zijn, en Hugh Broughton denkt dat dit betrekking heeft op deze man.
8. De kinderen van Bethlehem waren slechts honderd drie en twintig, vers 21, hoewel Bethlehem Davids stad was, want zij was klein onder de duizenden van Juda, en toch moest uit haar de Messias voortkomen, Micha 5:1.
9. Anathoth is een vermaarde plaats geweest in de stam van Benjamin, en toch wordt er hier, vers 23, slechts honderd acht en twintig voor opgegeven, hetgeen toegeschreven moet worden aan de vloek Gods, die de mannen van Anathoth over zich gebracht hebben door hun vervolging van Jeremia, die van hun stad was, Jeremia 11:21, 23 :
"zij zullen geen overblijfsel hebben, want Ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathoth". Zie ook Jesaja 10:30 : "o ellendig Anathoth!" Niets brengt spoediger verderf over een volk dan vervolging.