Esther 6:4-11
Het is nu morgen, en de mensen beginnen uit hun huizen te komen.
I. Haman is zó ongeduldig om Mordechai gehangen te krijgen, dat hij zich vroeg naar het hof begeeft, om zodra de koning opgestaan was en voordat enigerlei andere zaak tot hem kwam, de order daartoe van hem te krijgen, vers 4, en hij houdt er zich van verzekerd dat hem die order op het eerste woord al gegeven zal worden. De koning zal hem in gewichtiger zaken dan deze ter wille zijn, en hij kon de koning zeggen dat hij zó zeker was van het rechtvaardige van zijn verzoek en des konings gunst jegens hem ten opzichte ervan, dat hij de galg reeds gereed heeft, een woord van de koning zal hem dan nu volkomen genoegen geven.
II. De koning is zo ongeduldig om Mordechai geëerd te zien, dat hij laat vragen wie er in het voorhof is, geschikt om er voor gebruikt te worden. Er wordt hem bericht dat Haman in het voorhof is, vers 5. Dat hij inkome, zegt de koning, hij is de geschiktste man om des konings gunsten te besturen en uit te delen en de koning wist niets van de twist, die hij met Mordechai had. Haman wordt terstond binnengeleid, trots op de eer die hem werd aangedaan, door in het slaapvertrek van de koning te worden toegelaten voor hij nog op was, naar het schijnt, want als de koning orders heeft gegeven om Mordechai te eren, dan zal hij rustiger worden in zijn gemoed en dan zal hij nog trachten te slapen. Nu denkt Haman de beste gelegenheid te hebben, die hij kon wensen, om de man, die hij haatte, ten val te brengen. Maar het hart van de koning is even vol als het zijne, en het betaamt dat hij het eerst spreken zal.
III. De koning vraagt aan Haman op wat wijze hij zijn gunst zou kunnen betonen aan iemand, die hij tot zijn gunsteling bestemd had. Wat zal men die man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft? vers 6. Het is een goede eigenschap in een koning en in andere hoge personen om een welbehagen te hebben in belonen, maar geen welbehagen te hebben in straffen. Ouders en meesters moeten er behagen in vinden om hetgeen goed is in hen, over wie zij gesteld zijn, te prijzen en aan te moedigen.
IV. Haman komt bij zichzelf tot de gevolgtrekking, dat hijzelf de bedoelde gunsteling is, en daarom schrijft hij de hoogste uitdrukkingen van eer voor die, voor eens, aan een onderdaan bewezen kan worden. Zijn hoogmoedig hart oppert terstond het denkbeeld: Tot wie heeft de koning een welbehagen om hem eer te doen, meer dan tot mij? "Niemand verdient het zo goed als ik," denkt Haman, "noch heeft er zoveel kans op." Zie hoe van de mensen hoogmoed hen bedriegt.
1. Haman had een betere dunk van zijn verdiensten dan er reden voor was. Hij dacht dat niemand zo waardig was om geëerd te worden als hij. Het is dwaas in ons om te denken dat wij de enige verdienstelijke personen zijn, of dat wij verdienstelijker zijn dan ieder ander. De bedriegelijkheid van ons hart komt nergens zo in uit als in de goeden dunk, die wij hebben van onszelf en van ons doen waartegen wij dus voortdurend moeten waken en bidden.
2. Hij had een betere mening van zijn invloed dan hij recht had te hebben. Hij dacht dat de koning niemand anders dan hem beminde of waardeerde, maar hij bedroog zich. Wij moeten het vermoeden koesteren dat de achting, die anderen zeggen voor ons te hebben, niet zo groot is als zij wel schijnt of als wij haar wel gaarne willen geloven te zijn, opdat wij geen al te goede dunk hebben van onszelf en geen al te groot vertrouwen plaatsen in anderen.
Haman, denkende dat hij zichzelf eer moet toebedelen, doet dit dan ook met ruime, milde hand, vers 8, 9. Ja hij doet het op zeer aanmatigende wijze, eer bewijzingen voorschrijvende die al te groot waren voor een onderdaan. Hij moet met een koninklijk gewaad worden bekleed, de koninklijke kroon dragen, op het paard van de koning rijden, kortom hij moet in al de pracht en praal verschijnen van de koning zelf, alleen de scepter, het embleem van macht, moet hij niet dragen. Hij moet begeleid worden door een van de vorsten van de koning, een van de grootste heren, die zijn lakei moet wezen en men moet al het volk opmerkzaam op hem maken, en er hem eer door doen bewijzen, want hij moet in staatsie door de straten rijden en er moet voor hem uitgeroepen worden, tot zijn eer en tot aanmoediging van allen, om des heersers gunst te zoeken: Alzo zal men die man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft, dat dezelfde strekking heeft als hetgeen voor Jozef werd uitgeroepen: Knielt, want ieder goed onderdaan zal hen eren, tot wier eer de koning een welbehagen heeft. En zal dan niet ieder goed Christen diegenen eren, tot wier eer de Koning van de koningen een welbehagen heeft, en de heiligen, die op de aarde zijn, de heerlijken noemen?
V. De koning doet hem verstomd staan door hem de positieve order te geven dat hijzelf terstond moet heengaan en al die eer moet doen aan Mordechai, de Jood, vers 10. Indien de koning slechts gezegd had wat Haman verwachtte dat hij zeggen zou, namelijk: Gij zijt die man, welk een schone gelegenheid zou hij dan gehad hebben om de zaak af te doen waarvoor hij gekomen was, en te begeren dat, om aan de plechtigheid van zijn triomf nog meer luister bij te zetten, Mordechai, zijn gezworen vijand, tegelijkertijd gehangen zou worden! Maar hoe staat hij verplet, als van de donder getroffen, als de koning hem gebiedt, niet dat hij dit alles zal laten doen, maar dat hijzelf het moet doen aan Mordechai, de Jood, aan de man, die hij boven ieder ander haat en wiens dood hij beraamd had! Nu is het nutteloos de koning een voorstel te doen tegen Mordechai, daar hij de man is tot wiens eer de koning een welbehagen heeft. Salomo zegt: "het hart der" "koningen is niet te doorvorsen" Spreuken 25:3, maar onveranderlijk is het niet.
Vl. Haman durft de order van de koning niet betwisten, ja hij durft niet eens tonen dat zij hem mishaagt, maar met de grootst mogelijken weerzin brengt hij haar tot Mordechai, die, naar ik veronderstel, nu even weinig voor hem kruipt als tevoren, terwijl hij zijn geveinsde eerbied niet meer acht dan hij zijn verborgen boosaardigheid geacht heeft. Het koninklijk gewaad wordt gebracht, Mordechai wordt er mee bekleed en rijdt in staatsie door de straten, erkend als de gunsteling van de konings, vers 11. Het is moeilijk te zeggen wie van de twee zich het meest bedwong, de trotse Haman terwijl hij Mordechai die eer aandeed, of de nederige Mordechai in haar aan te nemen, maar de koning wilde het, en beide moeten zich onderwerpen. In dit opzicht was zij aan Mordechai welgevallig daar het een aanduiding was van des konings gunst, en hem hoop gaf dat Esther zal overmogen om het edict tegen de Joden te doen herroepen,