Esther 3:1-6
I. Hier zien wij Haman verhoogd door de vorst, en toen aangebeden door het volk. De vorst had nu onlangs Esther gehuwd en tot koningin gemaakt, maar zij had niet zo'n invloed op hem, om haar vrienden te doen bevorderen, of om de bevordering van een te voorkomen, die, naar zij wist, een vijand van haar volk was. Als zij, die goed zijn, groot worden bevinden zij nog dat zij het goed niet kunnen doen, noch het kwaad kunnen verhinderen zoals zij dit zouden wensen. Deze Haman was een Agagiet, een Amalekiet, zegt Josefus, waarschijnlijk een van de nakomelingen van Agag, een algemene naam van de vorsten van Amalek, zoals blijkt uit Numeri 24:7. Sommigen denken dat hij van geboorte een prins was, zoals Jojakim, wiens stoel gezet was boven de stoel van de overige gevangen koningen, 2 Koningen 25:28 K zoals hier die van Haman. De koning vond behagen in hem, had genegenheid voor hem (vorsten zijn niet verplicht een reden te geven voor hun gunsten), maakte hem tot zijn gunsteling, zijn vertrouweling, zijn eerste staatsminister. In die tijd had het hof zo'n overwegenden invloed, dat (in tegenspraak met het spreekwoord) het land degenen zegende die door het hof gezegend werden, want allen aanbaden deze opgaande zon, en inzonderheid wordt aan de dienaren van de koning bevolen om zich voor hem te neigen en neer te buigen vers 2, en zij deden het. Ik vraag mij af wat de koning wel in Haman gezien kan hebben, dat loffelijk of verdienstelijk was. Het is duidelijk dat hij geen man van eer of van gerechtigheid was, geen man van moed en beleid maar een trots, hartstochtelijk, wraakgierig karakter had, toch werd hij verhoogd en geliefkoosd, en niemand was zo groot als hij. De lievelingen van vorsten zijn niet altijd helden.
II. Mordechai die koen en onverschrokken aan zijn beginselen vasthield, weigerde om zich, evenals de andere knechten van de koning, voor Haman neer te buigen, vers 2. Hij werd er toe gedrongen door zijn vrienden, die hem herinnerden aan het gebod van de koning, en dientengevolge aan het gevaar, waaraan hij zich blootstelde indien hij er zich niet aan onderwierp. Hamans trotsheid in aanmerking genomen, zal hij dit hoogstwaarschijnlijk met zijn leven moeten boeten, vers 3. Zij zeiden hem dit van dag tot dag, om hem te bewegen zich naar het gebod van de koning te gedragen, maar tevergeefs, hij hoorde niet naar hen, maar zei hun duidelijk en rond dat hij een Jood was en dit gewetenshalve niet doen mocht. Ongetwijfeld werd zijn weigering, toen die opgemerkt werd en het onderwerp van gesprekken was geworden, gemeenlijk aan hoogmoed en afgunst toegeschreven, dat hij aan Haman die eer niet wilde betonen, omdat hij uithoofde van zijn verwantschap aan Esther zelf niet bevorderd was geworden, of wel, men schreef het toe aan een muitzieke gemoedsaard, aan ontevredenheid op de koning en zijn regering. Zij, die de zaak in het gunstigste licht wilden beschouwen, schreven het toe aan zijn zwakheid, zijn gebrek aan opvoeding en welgemanierdheid, noemden het een luim, een neiging om zonderling te schijnen. Het blijkt niet dat buiten Mordechai iemand anders er gewetensbezwaar in had, en toch was zijn weigering Godvruchtig, nauwgezet en Gode welbehaaglijk, want de Godsdienst van de Jood verbood hem:
1. Zulke buitensporige eer te bewijzen aan een sterfelijken mens, inzonderheid aan zo'n goddeloze man, als Haman was. In de apocriefe hoofdstukken van dit boek, Hoofdst. 13:12-14, wordt Mordechai voorgesteld, zich aldus met betrekking tot deze zaak op God beroepende: Heere, Gij weet dat het noch uit minachting, noch uit hoogmoed, noch uit begeerte naar eer of roem was, dat ik mij voor de trotse Haman niet heb nedergebogen, want ik zou wel gaarne zijn voeten hebben gekust om Israëls tred er door te bewerken, maar ik deed het omdat ik de eer van mensen niet wilde stellen boven de eer van God, niemand dan U alleen wil aanbidden. 2. Hij achtte het inzonderheid een daad van ongerechtigheid jegens zijn volk, om zodanige eer te bewijzen aan een Amalekiet, aan iemand van dat gevloekte volk, waarmee God gezworen heeft van geslacht tot geslacht in oordeel te zullen zijn, Exodus 17:16, en betreffende hetwelk Hij die plechtige last had gegeven: "Gedenk wat u" "Amalek gedaan heeft," Deuteronomium 25:17. Hoewel de Godsdienst volstrekt niet tegen goede manieren is, maar ons leert eer te geven wie eer toekomt, ligt het toch in de aard van een burger van Zion, dat niet alleen in zijn hart, maar "ook in zijn ogen, zulk een" "verworpene" als Haman was "veracht is," Psalm 15:4. Laat hen, die zich door hun geweten laten regeren, standvastig en vastberaden zijn, hoe zij er ook, evenals Mordechai, om gelaakt en gedreigd worden.
III. Haman zint op wraak. Sommigen, die hoopten er Hamans gunst door te winnen, deden hem mededeling van Mordechai's onbeleefdheid, wachtende om te zien of hij zou buigen of breken, vers 4. Toen heeft Haman zelf het opgemerkt, en werd vervuld met grimmigheid vers 5. Een zachtmoedig en nederig man zou op de belediging geen acht hebben geslagen, hij zou gezegd hebben: "Watdeert het mij? laat hem zijn zin hebben." Maar het trotse hart vanHaman wordt vervuld van woede het bruist en kookt in zijn binnenste, zodat hij onrustig en gemelijk wordt, zichzelf kwelt en allen die hem omringen. Weldra komt hij tot het besluit dat Mordechai moet sterven. Het hoofd, dat voor Haman niet wil buigen, moet weggenomen worden, als hij Mordechai's eerbewijzing niet kan hebben, dan wil hij zijn bloed hebben. Het is aan dit hof even strafbaar Haman niet te aanbidden, als het aan Nebukadnezars hof was om het gouden beeld niet te aanbidden dat hij had opgericht. Mordechai is een persoon van rang, is op een post van eer geplaatst, en hij is een volle neef van de koningin, en toch acht Haman zijn leven nog volstrekt niet voldoende om de belediging te boeten, duizenden onschuldige en kostbare levens moeten geofferd worden aan zijn toorn en wraak, en daarom wijdt hij al het volk van Mordechai aan het verderf, om zijnentwil, daar hij als reden, waarom hij Haman niet wilde eren door zich voor hem neer te buigen, had opgegeven dat hij een Jood was. Hieruit blijken Hamans ondraaglijke hoogmoed, zijn wreedheid en de oude afkeer van een Amalekiet voor het Israël Gods. Saul, de zoon van Kis, een Benjamiet, spaarde Agag, maar Mordechai, de zoon van Kis, een Benjaminiet, Hoofdst. 2:5, zal geen barmhartigheid vinden bij deze Agagiet, wiens plan het is al de Joden die in het gehele koninkrijk van Ahasveros waren, te verdelgen, vers 6, waarbij, naar ik veronderstel, ook zij waren ingesloten die naar hun eigen land waren teruggekeerd, want dat was nu een provincie van zijn rijk. "Komt, en laat ons hen" "uitroeien, dat zij geen volk meer zijn," Psalm 83:5. Caligula's wrede wens is, dat de Romeinen allen tezamen maar een hals zouden hebben, zodat zij allen met een enkelen slag gedood konden worden.