Esther 3:7-15
Haman liet zich zeer veel voorstaan op zijn stoutmoedig denkbeeld, dat, naar hij waande, zijn grote geest wel waardig was en, dat naar hij zich vleide, zijn nagedachtenis zou vereeuwigen. Hij twijfelt niet, of hij zal genoeg wrede lieden bereid vinden, om hen allen om hals te brengen, als de koning er hun verlof toe geeft. Hoe hij verlof en een opdracht kreeg om het te doen, wordt ons hier meegedeeld. Hij had het oor des konings, en hij zal hem wel weten te bewerken om wat hij wil van hem gedaan te krijgen.
I. Hij geeft de koning een valse en boosaardige voorstelling van de Joden en van hun karakter, vers 8. De vijanden van Gods volk zouden hun niet zo'n slechte behandeling kunnen aandoen, als zij hun niet eerst een slechte naam gaven. Hij wilde de koning doen geloven:
1. Dat de Joden een verachtelijk volk weren en dat het hem niet tot eer strekte hen te herbergen. Daar is een volk, zonder naam, alsof niemand wist waar zij vandaan kwamen en wat zij waren. "Zij zijn niet ingelijfd bij uw onderdanen, niet met hen tot een volk verenigd maar verstrooid en verdeeld in al de provincies, als vluchtelingen en landlopers, inwoners van alle landen, de last en de plaag van de plaatsen, waar zij zich ophouden."
2. Dat zij een gevaarlijk volk waren en dat het niet veilig was hun een schuilplaats te verlenen. "Zij hebben eigen wetten en gebruiken gedragen zich niet naar de wetten van het rijk en de gebruiken van het land, en daarom kunnen zij beschouwd worden als vijandig aan de regering, zeer waarschijnlijk zullen zij hun denkbeelden ingang doen vinden bij anderen hetgeen dan eindigen kan in opstand." Het is niets nieuws, dat aan de besten van de mensen zulke hatelijke hoedanigheden worden toegeschreven, als het geen zonde is hen te doden dan is het ook geen zonde hen te belasteren.
II. Hij doet een hoog bod voor verlof om hen allen om te brengen, vers 9. Hij wist dat er velen waren, die de Joden haatten en hen gaarne zouden aanvallen, zo zij er slechts een opdracht toe hadden. "Laat er geschreven worden, dat men hen verdoe, geef slechts orders voor een algemene moord op de Joden, en Haman zal de orders gemakkelijk ten uitvoer doen brengen." Als de koning hem in deze zaak genoegen wil doen, dan zal hij hem tien duizend talenten zilvers ten geschenke geven, die hij in de schatkist des konings zal opwegen. Dit, dacht hij, zal een krachtig middel zijn om de koning te bewegen zijn toestemming te geven, en de krachtigste tegenwerping teniet doen, welke hierin bestond, dat de regering noodzakelijkerwijs verliezen zou lijden in haar inkomsten, door de verdelging van zovelen van haar onderdanen. Zo'n grote som geld, hoopte hij, zou dit verlies ruimschoots vergoeden. Trotse en boosaardige mensen zullen niet geven om de onkosten van hun wraak en geen onkosten ontzien om er voldoening aan te geven. Evenwel Haman wist zeker wel hoe zich schadeloos te stellen uit de buit van de Joden, die zijn janitsaren (keurtroepen) voor hem zullen bemachtigen, vers 13 zodat zij de lasten van hun verderf zullen betalen, terwijl hij dan nog winnen zou bij de zaak.
III. Hij verkrijgt wat hij begeert: een volledige opdracht om met de Joden te doen wat hij wil. Hij zegt niet: "Dood hen, breng hen om", (hopende dat Haman bij koeler nadenken er toe komen zal om van dit strenge vonnis terug te komen, en ze liever als slaven te verkopen), maar "doe wat gij wilt met hen." En zo weinig bedacht hij hoeveel hij zou verliezen in de schatting, en hoeveel Haman zou winnen in de buit, dat hij hem de tien duizend talenten nog schonk: dat zilver zij u geschonken. Daarbij stelde hij zo'n onbepaald vertrouwen in Haman, en had hij zozeer alle zorg voor zijn rijk van zich afgezet, dat hij aan Haman zijn ring gaf, dat is zijn geheimzegel, om er ieder edict mee te verzegelen, dat hem behagen zou voor die zaak uit te vaardigen. Ongelukkig het rijk, dat ter beschikking staat van zo'n hoofd, dat slechts een oor heeft en een neus om er bij geleid te worden, maar noch ogen, noch hersenen, ja nauwelijks een eigen tong heeft.
IV. Vervolgens raadpleegt Haman zijn waarzeggers om een geluksdag te ontdekken voor de voorgenomen algemene moord, vers 7. Het besluit werd genomen in de eerste maand in het twaalfde jaar van de koning, toen Esther reeds ongeveer vijf jaren zijn gemalin was. De een of andere dag van dat jaar moet gekozen worden, en alsof hij er niet aan twijfelde of de hemel zou zijn plan begunstigen en bevorderen, laat hij het aan het lot, dat is aan de Goddelijke voorzienigheid, over om te beslissen welke dag het zijn zal. Maar uit die beslissing bleek dat zij de Joden gunstiger gezind was dan hem, want het lot viel op de twaalfde maand, zodat Mordechai en Esther elf maanden hadden om middelen te beramen voor de verijdeling van het moordplan, of, indien zij die middelen niet konden vinden, de Joden tijd hadden om te ontkomen, en voor hun behoud te zorgen. Hoewel Haman er gretig naar verlangde om de Joden uitgeroeid te zien, wilde hij zich toch onderwerpen aan de regels van zijn bijgeloof, en op de gewaande geluksdag niet vooruitlopen, neen, zelfs niet om het ongeduld van zijn wraakzucht te bevredigen. Waarschijnlijk was hij enigszins bevreesd dat de Joden hun vijanden te sterk zouden zijn, en daarom durfde hij de gevaarvolle onderneming niet wagen dan onder de aanmoediging van een goed voorteken. Dit kan ons beschaamd maken, die dikwijls niet willen berusten in de beschikkingen van Gods voorzienigheid, als zij tegen onze wensen en bedoelingen ingaan. Hij, die in het lot gelooft, en nog veel meer hij, die in de belofte gelooft, zal niet haasten. Maar zie hoe Gods wijsheid van de mensen dwaasheid dienstbaar maakt aan haar eigen doeleinden. Haman heeft zich beroepen op het lot, en naar het lot zal hij gaan, dat door de executie uit te stellen, vonnis wijst tegen hem, en het plan in duigen doet vallen.
V. Hierna wordt het bloedige edict opgesteld, getekend en afgekondigd, waarbij orders worden gegeven aan de krijgsmacht van iedere provincie, om tegen de dertienden van de twaalfde maand gereed te zijn, en op die dag alle Joden, mannen, vrouwen en kinderen om te brengen, en hun buit te roven, vers 12-14. Indien het decreet bevolen had al de Joden te verbannen, hen uit het gebied van de koning te verdrijven, het zou al hard en streng genoeg zijn geweest, maar voorzeker nooit heeft een daad van wreedheid zich zo in al haar naaktheid tentoongesteld als deze, waarbij bevolen werd al de Joden te verdelgen, te doden en te verdoen, hen aanwijzende en bestemmende als schapen voor de slachtbank zonder er enigerlei reden voor aan te wijzen. Er wordt hun geen misdaad ten laste gelegd, men geeft niet voor dat zij iets misdaan hadden, waardoor zij strafbaar waren voor het gericht, er wordt ook geen voorwaarde gesteld, door welke te vervullen hun leven gespaard zou worden, neen zij moeten sterven, sterven zonder genade. Zo hebben de vijanden van de kerk gedorst naar haar bloed, "het bloed van de heiligen en het bloed van de" "getuigen van Jezus" Openbaring 17:6, en nog roepen zij, als de bloedzuigers: geef, geef! Deze wrede order wordt bevestigd met de zegelring van de koning gezonden aan de stadhouders van de koning, opgesteld in naamvan de koning, en toch weet de koning niet wat hij doet. Er worden lopers gezonden om met allen spoed afschriften van het decreet naar de onderscheidene provincies heen te brengen, vers 15. Zie hoe rusteloos de boosaardigheid is van de vijanden van de kerk, zij zal geen moeite sparen, geen tijd teloor laten gaan. Vl. De verschillende gemoedsgesteldheid, hierop van het hof en van de stad.
1. Het hof was zeer vrolijk, de koning en Haman zaten en dronken, dronken misschien op de dood van alle Joden. Haman vreesde, dat het geweten van de koning zou ontwaken en hem zou verwijten wat hij gedaan had, en dat hij dan misschien zou wensen het ongedaan te maken. Om dit te voorkomen, maakte hij zich geheel van hem meester, hield hij hem aan de beker. Deze gevloekte methode wordt door velen gevolgd om hun overtuiging te smoren, en hun eigen hart, en het hart van anderen te verharden in de zonde.
2. De stad was er zeer treurig om (evenals ongetwijfeld de andere steden van het rijk toen het er bekend werd). de stad Susan was verward, niet alleen de Joden zelf, maar ook al hun naburen, in wie nog enig gevoel van recht en medelijden was. Het smartte hun, hun koning zo misleid te zien, "ter plaatse des gerichts goddeloosheid te" "zien," Prediker 3:16, mensen, die vreedzaam leefden, zo barbaars behandeld te zien, en zij wisten niet, wat er voor henzelf nog de gevolgen van zijn konden. Maar de koning en Haman bekommerden zich niet om deze dingen. Het is ongerijmd en goddeloos om ons aan genot en vrolijkheid over te geven, als de kerk in benauwdheid verkeert, en de stad, dat is het publiek, verward is.