16. Houd niet op voor u God te danken, vanwege die werking van Zijn Heilige Geest (1 Thessalonicenzen. 1:2.
Filippenzen 1:3,
1 Corinthiërs 1:4 u gedenkend in mijn gebeden (
Colossenzen 1:9.
Romeinen 1:9 v.).
Omdat de Efeziërs de heerlijke genade van God in Christus ten deel was geworden, die de apostel vroeger tot zijn loven van God had gedrongen, hadden zij ook in hem een bidder verkregen, die van hun bestendig met danken en bidden gedacht. De gevangen Apostel had met arbeiden en werken moeten ophouden, maar geen boeien zouden zijn gebed verhinderen. Wat schade is het, dat hij in stilte moet lijden, als Christus maar verheerlijkt wordt ten zegen van de wereld! De gemeenten, die de apostel in zijn biddend hart lagen, konden er zich mee vertroosten, dat hij de voorbede voor degenen, die aan zijn woord en verzorging waren onttrokken, voor zijn heilige plicht hield en dat als een priesterlijk recht ook volbracht. De zegen van Christus dienaren is een dubbele, in het openbaar, als zij de zielen vanwege Christus bidden (2 Corinthiërs 5:20), in het verborgen, als zij voor de zielen bidden in Jezus naam. Gezegend zijn de gemeenten, die zo worden gediend.
Hetgeen volgt is geen eigenlijk gebed van de apostel voor zijn lezers; hij vermeldt alleen wat hij in gedachten aan de gemeente doet. Zij moet het weten en moet het uit deze voorbede afleiden, hoe zwak en behoeftig zij in zichzelf is en blijft, al is er ook een hemels zaad voor de hemel en hoezeer een ernstig, aanhoudend bidden en smeken uit haar midden zelf tot haar bewaring en haar opbouwing nodig is.
Is de inhoud van ons epistel, die zich geheel algemeen houdt, zonder persoonlijke herinneringen, zonder groeten en zonder enig spoor van vertrouwelijkheid, waarin Paulus tot zijn Efeziërs, evenals een vader tot zijn kinderen had gestaan, in het algemeen van die aard, dat zij voorkomt als ware zij niet aan de Efeziërs gericht, dan wijzen plaatsen, als die hier voor ons ligt, waar Paulus van het geloof der lezers en hun liefde tot alle heilige slechts heeft gehoord (vgl. Hoofdstuk 3:1-4; 4:21), zeker op lezers, die voor de apostel op een afstand stonden. Als boven in Vers 1 niet de naam Efeze stond als plaats van bestemming, zou men het allerlaatst denken aan deze gemeente onder alle de ons bekende Aziatische gemeenten, als degene, voor wie de brief bestemd is geweest.